Een jaar na de dood van zijn “rivaal” Mozart schreef Antonio Salieri ook een Requiem, voor zichzelf trouwens, denkende dat hij weldra zou sterven. In werkelijkheid zou hij nog twintig jaar verder wegkwijnen, zoals in de film “Amadeus” is te zien. Bij zijn uiteindelijke dood werd dan toch zijn eigen Requiem uitgevoerd zoals hij had gevraagd.
Het werd een compositie, die sterk van die van Mozart verschilt. Mozart schrijft immers nog in de baroktraditie met een becijferde baslijn en polyfone passages, teruggaande op zijn studies bij padre Martini in het Liceo Musicale van Bologna, terwijl Salieri al met één been in de vroege romantiek staat.
Salieri werkt op een veel homofoner manier, bijna massief van klank, veel theatraler, wat wellicht met zijn theaterachtergrond heeft te maken. Hij had zijn hart verpand aan het theater, vooral dan nog het lichtvoetige theater, en zijn kerkmuziek was eerder in de minderheid. Kortom, zoals Rossini. Zelfs Verdi komt reeds om de hoek kijken. Bij de agressieve trombones b.v.
Maar het mag dan wel “theatrale muziek” zijn, toch is van Salieri het gezegde bekend: “Prima la musica, dope la parole”, waarmee hij het tegenovergestelde van Monteverdi wilde parafraseren (voor Monteverdi komt zelfs het ritme nog voor de melodie, vandaar dat zijn orkest voor meer dan de helft uit continuo-instrumenten bestond). Want schijn bedriegt soms. Het notenbeeld ziet er bij Salieri veel eenvoudiger uit, maar het is toch moeilijk om er de ‘special effects’ uit te halen. De passies van Bach of de Messiah van Händel die zijn bij wijze van spreken niet kapot te krijgen, zelfs bij een middelmatige uitvoering spreken die nog tot de verbeelding, maar bij Salieri heb je veel inspanningen nodig om alle koloriek tot uiting te laten komen.
Ronny De Schepper