Het is al tien jaar geleden dat Alfredo Di Stefano is overleden. De voormalige ster van Real Madrid was 88. Hij kreeg een hartaanval op straat in Madrid. Hij werd ruim een kwartier gereanimeerd, waarna hij naar het Gregorio Manon-ziekenhuis te Madrid overgebracht werd. Daar ging hij in een coma en overleed twee dagen later.
Alfredo di Stefano wordt beschouwd als één van de beste voetballers aller tijden en maakte furore tijdens de jaren ‘50. De 1926 in Buenos Aires geboren Di Stefano kwam in 1953 over naar Real Madrid. Hij werd er een legende met liefst 216 goals in 282 matchen, acht titels, één beker, vijf Europese titels en één internationale beker. Hij won met River Plate ook twee titels en de Copa America. Vanwege stakingen van veel profs vervingen clubs hun spelers door amateurs. Di Stéfano vertrok hierop naar het buitenland en ging in Colombia voor Millonarios spelen. Met deze club won hij drie landstitels en werd hij twee keer topscorer voor hij naar Spanje verhuisde. Daar werd hij de inzet van een conflict in de nasleep van de Spaanse Burgeroorlog.
Josep Samitier, technisch directeur van FC Barcelona, droomde immers meteen dat deze Argentijnse sterspeler in Barcelona kon samenspelen met Ladislao Kubala. Met deze twee balkunstenaars in de ploeg zou Barça in heel de wereld ongenaakbaar zijn. Maar ook Santiago Bernabéu, voorzitter van Real Madrid, had Di Stéfano echter in het vizier. De Spaanse rivalen streden maandenlang om de handtekening van La Saeta Rubia, de Blonde Pijl (*). De onderhandelingen waren moeilijk, want de koper moest een overeenkomst bereiken met Di Stéfano en twee clubs: Millonarios en het Argentijnse River Plate, dat nog steeds eigenaar van de speler was.
Real Madrid was het uithangbord van Franco en uiteraard stond F.C.Barcelona symbool voor het verzet. “Toch zit de historische werkelijkheid genuanceerder in elkaar,” schrijft Bart Lagae (**). “Niet alleen Barcelona maar ook Real Madrid bood tijdens de burgeroorlog verzet tegen Franco. Madrid-voorzitter Rafael Sánchez Guerra werd door militairen van Franco gearresteerd en gevangen gezet voor zijn steun aan de (linkse) republiek. Na de burgeroorlog was niet zozeer Real Madrid de ploeg van ‘de macht’, wel de buren van Athletic Aviación, in 1939 opgericht door het leger. Het latere Atlético Madrid won meteen twee keer de titel. FC Barcelona kwam in handen van Franco-gezinde fascisten. Pas met de komst van voorzitter Santiago Bernabéu kreeg Real Madrid het stempel ‘ploeg van Franco’. Niet vanwege de sympathieën van voorzitter of spelers, wel omdat de Europese successen tussen 1955 en 1960 Spanje (en zijn geïsoleerde dictator) aanzien gaven in Europa.”
In mei 1953 arriveerde Di Stéfano in Barcelona. Het Catalaanse bestuur had een akkoord met de speler en River Plate, maar aan de financiële eisen van Millonarios wilde de club niet voldoen. Geruchten deden de ronde dat Franco wel degelijk ingreep ten voordele van Real en dat voorzitter Marti Carreto door het Franco-regime bedreigd werd. Op dat ogenblik nam de Spaanse voetbalbond een nieuwe wet aan: de aankoop van buitenlandse spelers werd verboden, met uitzondering van Di Stéfano, als de Argentijnse ster de seizoenen 1953-54 en 1955-56 voor Madrid zou uitkomen en de seizoenen 1954-55 en 1956-57 de kleuren van Barça zou verdedigen. Een erg eigenaardig contract dat de voorzitters van beide Spaanse topclubs in september 1953, tot Catalaans ongenoegen, ondertekenden. De socios wilden de vernedering niet om Di Stéfano in de witte kleuren van Real te zien spelen en onder toenemende druk van de supporters nam voorzitter Carreto ontslag. Het moedeloze interim-bestuur verkocht de rechten op Di Stéfano aan Madrid. Vier dagen later scoorde hij een hattrick tegen Barcelona.
Maar laat ik opnieuw Bart Lagae aan het woord: “Met het antifascistische verzet van FC Barcelona viel het al die jaren behoorlijk mee. Anders dan Athletic de Bilbao (waar enkel Baskische spelers welkom waren) voerde FC Barcelona geen anti-Spaans, laat staan een anti-Franco-beleid. Maar Catalaanse nationalisten voelden zich aangetrokken tot de ploeg die ze ‘més que un club’ (meer dan een club) noemden – nu nog steeds de slogan van Barcelona. Pas na de dood van Franco mocht het Catalaans de officiële taal van FC Barcelona worden en mochten de kleuren van de Catalaanse vlag de kapiteinsband sieren. Links was de club dan al lang niet meer – Barça onderhoudt nauwe banden met het koningshuis en met de kerk. Catalaans is ze meer dan ooit – clubleiders en (enkele) spelers steunen openlijk het ‘Estatut’, de omstreden Catalaanse onafhankelijkheidsverklaring.”
Op individueel vlak werd Di Stefano één keer topschutter van Argentinië, twee keer van Colombia en vijf keer van Spanje. Hij won twee keer de Ballon d’Or en werd vierde in de verkiezing van ‘voetballer van de eeuw’, na Pelé, Maradona en Cruyff. Opvallend: Di Stefano speelde interlands voor zowel zijn geboorteland Argentinië, voor Colombia en voor Spanje. Op een WK was hij echter nooit actief.
Hij was ook een aantal keren in ons land actief, zo o.a. in 1957 toen F.C.ANTWERP, dat zijn vierde landstitel had behaald, voor het eerst Europees mocht spelen. In de eerste ronde verloren de Antwerpenaars voor zo’n vijftig duizend toeschouwers thuis met 1-2 van Real Madrid. Alfredo di Stefano maakte beide Madrileense goals, tussendoor scoorde Stan De Backer de 1-1. Vic Mees (tweemaal) en Jef Van Gool trapten tegen de deklat. In Madrid was de nederlaag van F.C.Antwerp iets minder eervol: 6-0.
Ronny De Schepper
(*) Alfredo Di Stéfano was vooral bekend wegens zijn kale knikker, daarom heb ik uitzonderlijk eens een jeugdfoto van hem geplaatst, want believe it or not, hij is niet altijd kaal geweest, zelfs dus nog niet toen hij in Spanje arriveerde…
(**) Bart Lagae, Hoe de Clasico oorlog werd, Het Nieuwsblad, 20 april 2011.