De Canadese choreografe Marie Chouinard viert vandaag haar zestigste verjaardag. Alcide schrijft over haar: “Elle est une iconoclaste fascinée par les rituels. Pour elle, la danse est un art sacré où le corps s’installe comme un matériau extraordinaire doté d’une force spirituelle qu’il faut célébrer. Nombre de ses oeuvres de jeunesse impliquent une maîtrise musculaire particulière. En 1990, elle fonde La Compagnie Marie Chouinard et crée Les trous du ciel, oeuvre dans laquelle un clan d’êtres mi-humains, mi-animaux exécute des « chants de gorge ». Suit Le Sacre du printemps (1993), la première oeuvre de Marie Chouinard créée à partir d’une partition musicale (de Stravinski). Ces deux oeuvres sont présentées en France, en Belgique, en Hollande, aux États-Unis et dans tout le Canada.” (De foto van Marie Chouinard werd genomen door Laurence Labat; de foto van de productie “Chorale” uit 2003, is van Marie Chouinard zelf.)

Zoals Alcide schrijft, kwam Marie Chouinard inderdaad naar België. Zo zag ik haar aan het werk eind 1988 in de Gentse Vooruit en dat met drie producties. “L’après-midi d’un faune” dateert eigenlijk reeds uit 1987 en is tot stand gekomen naar foto’s van Vaslav Nijinsky. Hier komen we ook weer die androgyne erotiek tegen: een afgebroken hoorn wordt b.v. een opgerichte penis. Haar kostuum is opzettelijk disproportioneel zodat ze wel misvormd lijkt. De klankband bevat vooral dierengeluiden en het licht “speelt” mee (cfr.sperma).
“Biophilia” is nieuw en benadert het dichtst het gewone ballet. Het is dan ook de meest “vrouwelijke” dans. Op muziek van o.a. The Residents legt ze in volle licht (voor het eerst is er rechtstreeks contact met de toeschouwer) haar zeemeerminstaart af en maakt vlieggebaren. Het decor is een soort reusachtige uier. Een typisch voorbeeld van haar “universeel menselijke en tijdloze” aanpak. Zij noemt het ook wel magisch-realisme.
“STAB (Space, Time and Beyond)” tenslotte dateert reeds uit 1986 en is zoals de titel reeds aangeeft een beetje science-fiction-achtig. De Canadese Chouinard is zo goed als naakt en draagt alleen een merkwaardig hoofddeksel. Op geluidseffecten die aan “Clockwork Orange” of “Alien” doen denken, beweegt ze op haar eigen stem die via een mondmicrofoontje dingen debiteert als “Let’s not be human” en “I want to meet the creature” (volgens Paul De Meyer zou het “I want to meet my creator” zijn).
Als ze in 1996 naar België terugkeert met “L’Amande et le Diamant” is ze op een schaamlapje na naakt, net als haar mannelijke partner. Volgens Dominiek Van Besien in “De Morgen” gaat het om “niet mis te verstane duetten (…) in de sfeer van fantasy romannetjes en stripverhalen.”
Van Shusaku Takeuchi werd in Terneuzen, Zuidlandtheater op 29/01/92, “Matrix” gebracht door Shusaku Takeuchi zelf, samen met Toshiko Karashima, Suzanne Grooten, Henny van Belkom, Micheline Gykiere, Raphaël Baghira, Susanne Ohmann, Frank Händeler, Carla de Wal en Sassan Sagharyaghmai. Een zeer ontgoochelende productie. In plaats van Japanse mysterieuze erotiek krijgen we platvloerse symboliek voor beginners. Zeer expliciet, zelfs met gebruik van taal en dan nog voor totaal overbodige communicatie.
Het Kunstencentrum Vooruit heeft iets met de dansgroep Lanonima Imperial uit Barcelona. Het gezelschap was reeds viermaal te gast in de Sint-Pietersnieuwstraat. O.a. werd er gedanst op muziek van de derde symfonie van Gorecki, wat een interessante vergelijking opleverde met één van de vier onderdelen van het programma “Variations” dat het Ballet van Vlaanderen later op de maand bracht. Bovendien was een maand later ook Lucinda Childs te gast in Gent met een choreografie op muziek van deze Poolse componist. Daarvóór nog waren er choreografieën op muziek van Kurylewicz (“Impromptu” uit 1993), Ligeti en Ferrari (“Rhythm plus” uit 1991), gespeeld door de Poolse claveciniste Elisabeth Chojnacka, die ook clavecimbel speelde in het concerto van Gorecki. Ook “Radial courses”, een choreografie zonder muziek uit 1976 werd nog eens bovengehaald. Het geometrische patroon werd hier tot in z’n uiterste consequenties uitgemolken, terwijl andere choreografieën toch dichter tegen “traditioneel” ballet aanleunden. In “Rhythm plus” was heel even Lucinda Childs zelf nog eens te zien. Eigenlijk was er een creatie voorzien, maar Lucinda had haar huiswerk niet gemaakt. Dit werd door Dries Sel vooraf aan het publiek meegedeeld.
De aflevering van “Gent danst” was in 1995 gewijd aan Veerle Bakelants, die in Brussel, Antwerpen en Budapest studeerde. Ze was te gast in de Theaterzaal van Vooruit met “Nooit nog nu”, een werk waarin de individualiteit van de vijf danseressen een grote rol speelt. Toch zijn zij alle vijf de opsplitsing van één personage. Op muziek van Thiery Genicot wordt het verleden, het heden en de toekomst van dit personage opgeroepen.
Een verkenning van de vrouwelijke sensualiteit in relatie tot haar maatschappelijke positie is ook het onderwerp van “La Folia” door de Cie Coup Contrecoup van Samyrra Bafdel, die zelf de choreografie ontwierp en ook meedanste, samen met Els Cottyn, Ineke Schrijvers en Ann Vandendurpel. Waar ze dat doen op de gelijknamige muziek van Vivaldi, uitgevoerd door Il Giardino Armonico, is dat o.k., alleen is er een té lange inleiding met een “analyse” van de diverse houdingen, in quasi volledige stilte (lentegeluiden), af en toe onderbroken door contratenor Alfred Deller (4/10/1994).
Een doorbraak voor de positie van de vrouw in de rockmuziek, kwam er overigens met de techno-rage, die trouwens ook bij de passieve consumenten populairder is bij vrouwen dan bij mannen. Sociologen wijzen er tevens op dat in trance-dansen door de eeuwen heen altijd al een voornamer plaats voor de vrouwen was weggelegd dan voor de mannen.
Op uitnodiging van de vzw Paleis kwam op 10/4/1996 Grupo Corpo naar de Gentse opera en de kennismaking viel uiteindelijk best mee, maar dan wel omdat het veel dichter aanleunde bij “klassiek” ballet dan ik had gedacht. Dat was vooral het geval in het eerste deel, waarbij men op de “Enigma Variations” van Elgar danste. Vaak werden klassieke houdingen wel parodisch gebruikt, maar de pas de deux in het midden van het stuk was toch wel indrukwekkend. Wat me evenwel tegenviel was dat dit een Braziliaans gezelschap is en dat dit in de choreografieën van Rodrigo Pederneiras niet echt te merken was. Zelfs niet in “Seven or eight pieces for a ballet” van Philip Glass dat toch wel erg ritmisch was. Dit werd wel uitstekend gedanst, maar de zo typisch Braziliaanse erotiek was ver te zoeken. Dat was dan voornamelijk te wijten aan de kostuumontwerp(st)er, die weliswaar vindingrijk met kleuren en lijnen speelde, maar die kwamen dan eerder dankzij de belicht(st)er tot hun recht, want het materiaal en de snit van de pakjes was allesbehalve. Het leken wel hansopjes. Misschien werd de voorstelling gesponsord door Damart?
Hoe populair Glass nu wel is in de balletwereld, bleek op Jeugd en Dans 1993 met o.a.”Oase”, een choreografie van Truus Cavens (die ook nog “Somalia” en “Afscheid” choreografeerde), en “Meetings along the edges” van Guy Pauwels. “Au fond du tiroir” was een choreografie van en door Lieve Mertens, die wel héél erg afgekeken was van Anna Teresa. Patricia Beyssens zong en speelde tuba, terwijl de componist Frank Vercruysse aan de piano zat. De onvermijdelijke “Boléro” werd op Jeugd en Dans gebracht door Ariadne-Eureka uit Ingooigem. Linda De Meulemeester had zich voor haar choreografie geïnspireerd op een gedicht van Roland Jooris, “Een korenveld in fijne lijnen tot waar het gras begint”. Samen met “De nacht op de kale berg” van Ingrid Ceelen was het het meest “klassieke” ballet dat werd gebracht en voor amateurs mocht het er zeker zijn.
Iris Bouché (°Bangkok, 1976) scoorde met “Judeo” het hoogste bij de professionelen van “Jeugd en Dans”, zij het dat er nog wat teveel overexpliciete, aan de mime ontleende gebaren in voorkwamen. Toch hield ze er een studiebeurs aan over om twee jaar bij Rudra (Maurice Béjart) in Lausanne te gaan studeren en twee maanden bij Alvin Ailey in New York. Zij danste ook in “De Notenkraker”, “De Schone Slaapster”, “Assepoester”, “De Idioot” en “Distant Mirror” (van Danny Rosseel).
Op “Jeugd en Dans” was het ook opvallend hoe weinig jongens eraan deelnamen. Bij de amateurs was er één op negentig deelnemers (!) en bij de professionelen negen op vijftig. Eén van de mannelijke choreografen, Pol Coussement, had voor Polydans Kompany een choreografie bedacht, “Fam Fam”, waarin verschillende vrouwen “vechten” om een man. Macho-gastjes daar in Kortrijk, want zijn collega Luc Hoebeke bracht in “Monkey see, monkey do” een (al te natuurgetrouwe) evocatie van de apenwereld en daarin staat het beoefenen van seks als machtssymbool uiteraard ook centraal.
Bij de amateurs stak Amour Obscur er met kop en schouders bovenuit (zodat ik me afvraag of we hier nog wel van amateurs kunnen spreken). Ann-Suyin Aerts en Elise De Vliegher waren toen beiden 18 jaar en volgden het eerste jaar aan het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie. Hun choreo­grafie “Clair Obscur” was op live-muziek van Chris Oelbrand, student aan het Antwerpse conservatorium. Daarna werd Elise de Vliegher de “tweede” Anne Frank bij het Ballet van Vlaanderen en nog later ging ze vooral samenwerken met Vjera Somers, b.v. in “Les Parfums de la Nuit”. Ook Vjera Somers kennen we trouwens nog van Jeugd en Dans 1993 toen zij het gedicht van Herman De Coninck, “Het is niets”, als uitgangspunt gebruikte voor een Anne Teresa-achtige choreografie, die door Incognito uit Niel werd gebracht. Als leerlinge van Anita Daldini, werkte Elise De Vliegere ook mee aan een amateurvoorstelling van “Bloedbruiloft” van Garcia-Lorca, aangezien ze ook flamenco danst. De samenwerking met Suyin Aerts was louter toevallig en daardoor hebben ze, zeker toen Suyin in een soap ging acteren, elkaar nooit meer ontmoet.
Bij het zien van “Jeugd en Dans” moet men wel definitief afstand doen van het idee dat ballet ipso facto “klas­siek” ballet is. Het tegendeel is waar. Er was geen enkel zuiver klassiek ballet bij, het was b.v. opvallend hoe over het algemeen blootsvoets werd gedanst, zelfs door de epigonen van Anne Teresa De Keersmaeker al zouden die dan toch moeten weten dat “bottinekes” onmis­baar zijn in het postmoder­nisme.
Jeanne Brabants was er overigens niet over te spreken dat in het eerste advies van de Raad voor de Dans (april 1993) Jeugd en Dans en ook haar Danza Antiqua een negatief etiket opgeplakt kregen, terwijl Anne Teresa en Wim Vandekeybus de helft van de subsidies opsoeperen. Anne Teresa van wie zij overigens ooit nog heeft verklaard: “Ze wil niet en ze kan niet!”
Voorzitster Katie Verstockt verdedigde zich door erop te wijzen dat het BVV nominatim in de begroting staat ingeschreven, zodat er aan dat geld alvast niet kan worden getornd, terwijl het BVV het vertikt om zich over de bijscholing van jonge dansers te bekommeren of zijn studio’s ter beschikking te stellen van anderen.
Nochtans diende Katie Verstockt op 7 juni 1995 haar ontslag in als voorzitster van de Raad voor Dans, o.m. omdat het statuut van de danser toch erg zwak blijft, zelfs in vergelijking met die van andere podiumkunstenaars. Met werkloosheidsuitkeringen loopt het b.v. vaak fout wegens de (te) korte tijdelijke contracten.

Ronny De Schepper

59 marie chouinard

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.