Martin van der Borgh en Emile van Cauter. Twee protagonisten, de een uit Nederlands Limburg en de ander uit Vlaanderen, in het onderstaande verhaal.

Marts eerste overwinning (1953)

Eigenlijk waren het hoofdstukken uit een jongensboek. En allemaal even spannend. Regelrechte expedities, niets meer of minder. Om mee te gaan doen bijvoorbeeld aan de Gran Premio Pirelli in Milaan. Met zijn vijven in een klein Opeltje de Alpen over. Ook nog eens volgepakt met fietsen, reservewielen en koffers. Geheid dat die arme pakezel dan boven op de Gotthard dikke vette stoompluimen begon uit te blazen. En altijd was er wel een of ander malheur te melden. Een losrakend bagagerek, een klapband of lekkende uitlaat, kapotte bougies. Hondenweer in de bergen. Altijd gedoe aan de grens. Van die dingen, ja. Maar daarom thuisblijven? Nee, dat kwam in de hoofden van onze coureurs uit die dagen, niet op. Frankrijk, Italië, dat waren welhaast exotische bestemmingen. Welke normale sterveling kwam daar toentertijd ooit. Zeg nou zelf Gran Premio Pirelli of Route de France bekt toch heel anders dan de Ronde van Susteren of de Clubkampioenschappen in Koningsbosch.

Niet alleen in de koers maar ook onderweg viel er dus van alles te beleven. Zo kon het in ’54 gebeuren dat op de terugweg vanuit Italië en Zwitserland even gepauzeerd werd in de buurt van Nancy. Het was dan wel de meer comfortabele Citroën Traction Avant van ploegleider/soigneur/mecanicien Piet Gommans waarmee ze onderweg waren. Even de benen strekken en de lading inspecteren. Twee West-Brabanders, Wies van Dongen (Breda) en Piet de Bruyn (Roosendaal), en twee Limburgers, Flor van der Weyden (Maastricht) en Martin van der Borgh (Koningsbosch), hadden zich duchtig geweerd in het verre buitenland. En Hoensbroeker Piet Gommans had als official mee mogen aanzitten aan het afscheidsbanket van de G.P. Pirelli. Aan directeur Ghidini van de Pirellifabrieken had hij nog een kistje Hollandse sigaren aangeboden. Een zoenoffer om toekomstige deelnames af te smeken, natuurlijk. Ja, met een doos Hofnar bolknakken kon je toen ook nog wel eens een lastige mediterrane grenscommies verschalken. Oud campionissimo Alfredo Binda had – bij verstek, want ze mochten er zelf niet bij zijn – in zijn tafelrede nog lovende woorden gericht aan het adres van onze corridori. Kortom, de stemming onderweg naar huis was opperbest. Een beetje jolig soms. Een jong vosje kwam het uitgestapte gezelschap eens even monsteren. Zoiets zag ie per saldo ook niet iedere dag. Leuk souvenir dacht Mart van der Borgh en in tijgersluipgang wist hij het argeloze beestje te overmeesteren. Het vosje bood niet eens weerstand; vond het zelf kennelijk ook wel leuk. Huppakee weer de auto in met de vos op schoot richting Luxemburg waar nog een hapje werd gegeten. Nee, de vos moest wel in de auto blijven, die mocht natuurlijk niet mee binnen. Hoe Reintje zich verder tijdens de reis gedroeg vermeldt de historie niet. Wel dat Mart ons vosje een nieuw tehuis bezorgde door hem in de bossen van de Boesj  (Koningsbosch; red.) zijn vrijheid te hergeven. Of le petit Renard nou zo blij was met zijn nieuwe biotoop is een nooit opgelost mysterie. In ieder geval verstond hij geen pest van zijn Limburgse medebroeders.
Tja, op terugweg van een koers in Italië een vos vangen en mee naar huis nemen. Je moet er maar op komen; ga het maar eens aan die jongens van nu vertellen. Toen waren het superavonturen.

Mart van der Borgh dus. In 1954 net negentien en als amateur al bogend op een heel behoorlijk palmares. Kersvers winnaar, solo, van de loeizware Ronde van Limburg. Vierde in de Ronde van Belgisch-Limburg. Uitblinkend in de Omloop van de Zes Provinciën, de voorloper van Olympia’s Tour door Nederland. Een dergelijk machtsvertoon leverde Mart al een plaatsje op in de voorselectie voor het Wereldkampioenschap van dat jaar. Maar hij niet alleen, want ook de Limburgers Flor van der Weyden, Kees Boelhouwers (Bunde) en Harrie Schoenmakers (Blerick) hadden zich al danig in de kijker van de selectieheren gereden. Solingen in de Ruhrpott, waar ook anderszins de messen worden geslepen, zou de strijdarena worden. Het was niet ver van huis en de bestuurderen van wielerclub TWC Maastricht vonden het een goede gedachte om hun voorlopig uitverkorenen het parcours te laten verkennen. In “De Wielersport” wordt de Klingenring (what’s in a name) weggezet als verreweg de zwaarste naoorlogse WK-omloop. “Men moet heel wat in zijn mars hebben om aldaar behoorlijk uit de voeten te kunnen en om dit karweitje op de gewenste wijze aan te pakken. De Klingenring is niet geschikt speelterrein voor beginnelingen, alleen stuurvaste en geroutineerde knapen kunnen hierop uit de voeten”. Zo, een gewaarschuwd man telt voor twee!


Maar ze waren er nog niet zo bang voor op die oefentocht. Een Bummelfahrt zouden de Duitsers zeggen. Ze leken meer op kwajongens in hun drollenvangers. Mart van der Borgh zelfs in een frisse korte broek met een kek toeristenpetje op.
Uiteindelijk mogen van de vier alleen Flor en Mart het vertrek nemen in Solingen. De andere twee zijn, bij wijze van spreken, al eerder over de kling gejaagd. En onze scribent in “De Wielersport” had geen woord teveel gezegd. Nee, het was nog erger geworden: “Over de moeilijkheden van het parcours behoeft niet te worden uitgeweid. Maar in de nacht van vrijdag op zaterdag regende het doorlopend en de regen stroomde nog neder toen de heren amateurs al verschillende toeren in de benen hadden zitten. En deze factor deed nog een aparte duit in het zakje. Uitvallers bij de vleet op die duvels lastige Klingenring”. Tot zover de toch redelijk dramatische schets -in stijf vijftigerjaren proza- van de entourage.

De koers was inderdaad spijkerhard, of moet je in Solingen staalhard zeggen. Niet alleen door het weer en de omloop. Maar vooral ook door de dominantie van het Italiaanse contingent. Die Azurri’s probeerden het hele zaakje kapot te rijden. Bestendig zaten ze met vier of vijf man in de kop van het veld. Een voor een demarrerend; een waar spervuur. Dan was het weer Valerio Chiarlone, die het op zijn heupen kreeg, dan weer Aldo Moser. Maure, Fabri en Boni waren de volgende stuntmannen. Maar steeds was het weer de Belg Emile van Cauter, die counterde. En dat niet alleen. Indachtig de wijsheid dat de aanval de beste verdediging is, muisde hij er zelf vanonder. Niemand had een antwoord. Mart van der Borgh gooide alles in de strijd om zich nog bij Mieleke te voegen. Met in zijn wiel de geslepen oude vos Hans Edmund Andresen uit Denemarken. Het mocht niet baten. Terwijl Mart het werk had opgeknapt vertrok Andresen om de tweede plaats binnen te rijven. Voor Mart restte eervol het brons. Ja, een lepe Deense vos op de fiets is nog wat anders dan een duf exemplaar uit Nancy. Een erkende vossenvanger had beter moeten weten.


Ruim achter Mart eindigden die hele ris Italianen, maar ook een Täve Schur en Hennes Junkermann bijvoorbeeld. Grote kanonnen allemaal. Ook Flor weerde zich met een negende stek heel kranig in dat geweld.

Over de nogal extatische reacties van Mieleke bij zijn overwinning valt nu nog op een Vlaamse blog te lezen: “De foto van de aankomst te Solingen is een posterversie waard en pasklaar te gebruiken tegen doping in de sport. Nu is het wel zo dat er van die generatie bijna geen anderen rondtoerden dan zij die aan de amfetamines gezeten hadden. Dat was toen niet verboden en heel normaal binnen het wielrennen. Wie dat niet wou pakken was in die jaren een domme conservatief. Wie niet wist dat het bestond meer dan achterlijk”. Dat geldt natuurlijk voor de Belse en voor die gepolitoerde Zuiderlingen. En echt niet voor die lelieblanke roomsche zieltjes van bij ons.

Blijft staan dat Emile van Cauter een natuurtalent was, die het als beroepsrenner nooit helemaal heeft kunnen waarmaken. Ondanks zijn kampioenschap van België bij de profs in 1955. Treffend is zeker de foto uit zijn amateurtijd met de huiskamer volgehangen met die typisch Belgische zegepalmen (zie bovenaan). Ze weken niet veel af van graftakken, maar daar maalden ze bij de Van Cauters niet om. Ze hadden immers zelf een begrafenisonderneming. En Mieleke kwam dan ook wel vaker – dixit Jaap Kersten – met een lijkauto naar de koers. Als zo’n slee ’s morgens dienst had gedaan hoefde die na de noen toch niet in de garage te blijven staan, zekers. En daarbij, Tim Krabbé schreef het al ooit: courir c’est mourir un peu. Over mourir gesproken: Emile van Cauter kwam in 1975 onder mysterieuze, nooit opgehelderde, omstandigheden om het leven in Bangkok. Un peu was er toen wel duidelijk vanaf.

Voor Mart van der Borgh lonkte een glanzende toekomst als prof. Als ronderenner met klimcapaciteiten. Vriend en vijand waren daarvan overtuigd. Maar door veel pech en malheur pakte dat toch anders uit. In 1964 moest Mart, na een val die nu een verbrijzelde knieschijf opleverde, de fiets aan de haak hangen. Het einde van een carrière van – helaas – te weinig ingeloste beloftes.

Theo Buiting , 3/4/2012

Een gedachte over “Solingen 1954: een staalharde koers

  1. In 1972 was Miel Van Cauter met zijn firma van speelautomaten sponsor van de ploeg Magniflex-Van Cauter-de Gribaldy met o.a. Joaquim Agostinho, Willy De Geest, Herman Beyssens, Ward Janssens, Roger Kindt, Mariano Martinez, Georges Pintens, André Poppe, Raymond Steegmans en Rik Van Linden.
    En ik zie dat de nazaten(?) ook in 2011 en 2012 sponsorden bij het elite 2 team Thielemans &Co – Van Cauter Games.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.