Ondertussen heb ik het artikel van Willem Schrickx teruggevonden, waarop ik in een vorige bijdrage een allusie maak. Het is verschenen in Het Laatste Nieuws van 10 januari 1987 met als grote hoofding: “De Grote William gaf commentaar op het Verdrag van Londen (1604) in zijn blijspel Eind goed, al goed.”

In de geschiedenis van België is er wellicht geen verdrag dat zo weinig bekend is als het verdrag van Londen. Dit verdrag werd, volgens de datering gebruikelijk in onze gewesten, op 29 augustus 1604 afgesloten. Volgens de Engelse datering was het echter nog maar 19 augustus, omdat men in Engeland en in andere protestantse landen nog de zogenaamde Oude Stijl volgde, met een verschil van 10 dagen. De weekdag was echter dezelfde volgens de beide stijlen: 19/29 augustus was een zondag zowel in Londen, Brussel als Madrid. Iedereen heeft in zijn geschiedenislessen op school nog wel eens gehoord van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) of de Vrede van Munster in 1648, maar de Vrede of het Verdrag van Londen is totaal onbekend gebleven, bij zoverre dat Henri Pirenne in zijn beroemde en uitvoerige « Histoire de Belgique » er slechts één regel aan wijdt.
Pirenne zegt in deel vier (bl. 239) van zijn « Histoire … » dat na de dood in 1603 van koningin Elizabeth een vredesverdrag tussen Engeland en Spanje tot stand kwam, waardoor deze twee landen zich na lange jaren van militaire conflicten met elkaar verzoenden. Nochtans waren bij dit verdrag ook onderhandelaars uit onze streken betrokken. Deze personen werden vereeuwigd in een schilderij dat getiteld is de Conferentie van Somerset House en zich in het National Gallery te Londen bevindt. Het is immers als de Somerset House Conference dat het Verdrag of de Vrede van Londen in de Engelse geschiedenis bekend staat.
Drie onderhandelaars werden door het Brussels hof van de aartshertogen Albert en Isabelle afgevaardigd. Ze zijn links op het hier gereproduceerde schilderij afgebeeld: het dichtst bij de toeschouwer zit Louis Verreyken met naast zich Jean Richardot, de president van de privé-raad van Albert, een man die we nu eerste minister zouden noemen; de derde afgevaardigde zit naast Richardot; het is Karel, prins-graaf van Armberg (1550-1616), die aan het hoofd stond van de ceremoniële ambassade.
Maar voor de Europese wereld van die dagen was de belangrijkste afgevaardigde de Spaanse edelman Juan Fernandez de Velasco, hertog van Frias en Connétable van Castille. Deze edelman bevindt zich helemaal achteraan links op het schilderij. Hij had de leiding van de Spaanse gezanten en was met volmachten belast door koning Filips III van Spanje. Het gezantschap van Velasco was er natuurlijk op gericht op de Engelsen een grote indruk te maken: in zijn gevolg waren er volgens een bepaalde bron niet minder dan 234 personen en dit veronderstelt dat voor het transport ervan men heel wat paarden en voertuigen nodig had. Het Spaanse gezelschap werd gelogeerd in Somerset House, vandaar de benaming waaronder het verdrag van Londen in de Engelse geschiedenis bekend staat.
De gezanten van de aartshertog met hun gevolg moesten zich echter tevreden stellen met een minder luxueus paleis in Durham House. In Somerset House werd in de behoeften van de Spanjaarden voorzien door de King’s Men, d.w.z. leden van de acteurstroep die Jacob I na zijn troonsbestijging onder zijn bescherming had genomen. Onder deze toneelspelers bevond zich ook William Shakespeare. Hoewel de overgeleverde documenten alleen de namen van John Heminges en Augustins Phillips vermelden samen met « tien van hun gezellen », heeft ieder onderzoek toch verondersteld dat Shakespeare tot deze tien gezellen moet gerekend worden (l).
Doordat Shakespeare en zijn medespelers gedurende achttien dagen bij de Spanjaarden hun opwachting moesten maken, waren ze zeker op de hoogte van de aard en voortgang van de onderhandelingen tussen de hoven van Madrid, Brussel en Londen. De Londense bevolking en de adel in het algemeen en de acteurs in het bijzonder waren echter allesbehalve ingenomen met de overweldigende Spaanse aanwezigheid te Londen. De enige echte verdediger van de vrede was koning Jacob I die na de eerste weken na zijn troonsbestijging was beginnen proclameren dat hij een voorstander was van vrede met Spanje. Rex Pacificus, de vredelievende koning, zo wenste Jacob I de geschiedenis in te gaan en vandaar dat de Verenigde Provinciën van de onderhandelingen werden uitgesloten, zodat Holland en Zeeland wel verplicht waren, onder leiding van de Staten en Maurits van Nassau, de oorlog tegen Spanje en zijn vazallen voort te zetten.
De oorlogvoering was in de 16de en 17de eeuw overwegend een belegeringsoorlog, gevoerd door een leger van huurlingen dat ten dienste stond van de machthebbers in Madrid, Brussel, Londen of Den Haag. De twee belangrijkste steden die in 1604 werden belegerd waren Sluys, dat op 20 augustus in handen van Maurits van Nassau viel en Oostende, waar na een meer dan drie jaar durende belegering Ambrosio Spinola op 22 september zijn intrede hield. Twee dagen tevoren hadden de belegerden echter de strijd reeds door een wapenstilstand opgegeven. Oostende was dus nog steeds niet in het bezit van aartshertog Albert gekomen toen het Verdrag van Londen eind augustus 1604 getekend werd.
Een belangrijk aspect van de vredesonderhandelingen was dat koning Jacob I een strikte neutraliteit voorstond ten opzichte van Holland en Zeeland, waarbij hij zijn vriendschap voor aartshertog Albert niet onder stoelen of banken stak. Deze neutraliteit toonde Jacob door zijn onderdanen volledig vrij te laten bij hun keuze in de verdere oorlogvoering: Engelsen en Schotten konden ofwel partij kiezen voor de Verenigde Provinciën en het leger van Maurits van Nassau, ofwel dienst nemen in de huurleger van aartshertog Albert van Oostenrijk, een leger in 1604 geleid door Ambrosio Spinola.
We hebben gezien dat Shakespeare getuige was van de belangrijke Spaanse aanwezigheid in Londen en de vraag rijst nu of één van zijn toneelstukken niet inspeelde op de onderhandelingen en de militaire achtergronden van het jaar 1604? Het antwoord luidt positief en we kunnen ons alleen maar verwonderen dat de Shakespeare-kenners blijkbaar helemaal zijn blijspel « Eind Goed, Al Goed » (Engelse titel: All’s Well That Ends Well) in dit verband over het hoofd hebben gezien. In het tweede toneel van het eerste bedrijf zegt de koning van Frankrijk het volgende (in de vertaling van Willy Courteaux):
Koning: Florence en Siena zijn al handgemeen,
De strijd blijft onbeslist en de oorlog woedt
Verbitterd voort.
Eerste Ridder: Zo zegt men toch, mijn vorst.
Koning: ’t Is waar; ’t wordt ons als zeker meegedeeld
Door onze neef, de vorst van Oostenrijk
En verder, dat Florence ons smeken zal
Om resse bijstand; onze goede vriend
Voorspelt ons heel de zaak en schijnt van ons
Een weigering te verhopen.
Eerste Ridder: Zijn liefde en wijsheid,
Zo vaak beproefd, verdienen uw vertrouwen.
Koning: Hij heeft ons antwoord reeds, met staal omkleed:
Florence is, voor hij komt, al afgewezen.
Maar willen onze ridders mee gaan vechten
In de Toscaanse strijd, dan is het hun
Vergund, aan de ene of andere kant te staan.
De vorst van Oostenrijk uit deze passage is een duidelijke toespeling op aartshertog Albert van Oostenrijk, die door koning Jacob I als zijn « goede vriend » (regel 8) werd beschouwd, terwijl zijn landgenoten mochten strijden « aan d’een of d’andre kant ». Met andere woorden: zoals « Maat voor Maat », is « Eind Goed, Al Goed » ook een « koninklijk » drama in die zin dat Shakespeare in de persoon van de koning van Frankrijk verwijst naar de koning van Engeland, terwijl Florence op Holland en Siena op Vlaanderen slaat.
In III, 4 wordt de hertog van Florence ten tonele gevoerd. Hij begint met Bertram tot generaal van de ruiterij te benoemen. De hertog van Florence vervult hier de rol van Maurits van Nassau die Engelse edellieden op zijn voorstel door de Staten tot generaal liet benoemen. In IV, 3 wordt er zelfs een directe allusie op het Vrede van Londen gemaakt wanneer in regel 46 en volgende wordt gesproken van vredesvoorstellen en een edelman zegt: « Nee, de vrede is al gesloten ». Dit lokt de volgende vragen uit: « Wat zal Graaf Rossillon (=Bertram) dan doen? Zal hij verder trekken of naar Frankrijk terugkeren? »
De Engelse tekst luidt hier: What will Count Rousillon do then? Will he travel higher, or return again into France? De Shakespeare-commentatoren
hebben met travel higher geen blijf geweten en de vertalers hebben dan ook steeds « higher » door een ander woord vervangen. Maar dit is helemaal niet nodig. « Higher » beduidt dat Bertram meer noordelijk trekt om zich verder ten dienste van Maurits van Nassau te stellen en beslist heeft niet naar Engeland terug te keren. Nog een andere passage spreekt over « higher ». In II, 1, regels 11 en volg. vinden we dit (de koning is aan het woord):
… be you the sons
Of worthy Frenchmen: let higher Italy
(Those bated that inherit but the fall
Of the last monarchy)

Dit wordt door Courteaux als volgt vertaald:
Koning: …wees gij de zoons
Van waard’ge Fransen; toon het groot Italië
Tot schand van hen die van het oude rijk
Slechts de teloorgang erfden…
Onze uiteenzetting hier heeft echter duidelijk gemaakt dat met Italië de Nederlanden (« Belgia ») worden bedoeld en dat « higher Italy » slaat op Noord-Nederland. De « fall of the last monarchy » is gewoon een verwijzing naar de « teloorgang » van de monarchie van koningin Elizabeth die in 1603 overleed en wier dood ongunstige gevolgen had voor de Staten, wat door Shakespeare wordt uitgedrukt met « those bated », d.w.z. dezen nu neerslachtig door de val van het rijk van Elizabeth.
Er zijn nog veel andere facetten van « Eind Goed, Al Goed » die erop wijzen dat Shakespeare met zijn stuk duidelijk inspeelde op de Vrede van Londen en de gebeurtenissen die eraan voorafgingen. Ik heb het hele onderwerp meer in detail belicht in een lang essay in het Engels dat, naar ik hoop, weldra zal verschijnen. Het is wel duidelijk geworden dat critici die zich uitsluitend met de teksten van Shakespeare bezighouden en de achtergronden van hun ontstaan totaal verwaarlozen, zich soms op erg glad ijs wagen. Zoals elke kunstenaar was Shakespeare het product van zijn tijd en in die tijd heeft zijn oeuvre diepe wortels geschoten, soms zo diep dat alleen achtergrondstudie alleszins een deel van de intenties van zijn auteur aan het licht kan brengen.

Referentie

Willem Schrickx, “Eind goed, al goed”: Shakespeare anders gelezen, Het Laatste Nieuws van 10 januari 1987

(1) Enkele documenten vindt men in mijn boek Foreign Envoys and Travelling Players in the Age of Shakespeare and Jonson (Willem Schrickx, Gent en Wetteren, Universa, 1986).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.