Het is vandaag al 45 jaar geleden dat de Amerikaanse filmregisseur John Ford is overleden.

John Ford, op 1 februari 1894 geboren als Sean Aloysius O’Feeney, begon als stuntman in D.W.Griffith’s “Birth of a Nation”. Toen liet hij zich gemakshalve Jack Ford noemen omdat zijn broer Frank zichzelf Frank Ford had genoemd. In 1923 zou hij, toen hij werd aangezocht om “serials” te draaien voor Universal, zijn voornaam nogmaals wijzigen in John. The rest is history. Die “serials” waren immers meestal westerns en aangezien we dan nog dicht bij de negentiende eeuw zitten, kwam Ford in contact met allerlei ooggetuigen, die hem details vertelden, die hij later in zijn meesterwerken kon verwerken. “The iron horse” uit 1924 en “Three bad men” uit 1926 waren de vermaardste van zijn zeventigtal stomme films, die hij voor Fox draaide met legendarische cowboyhelden als Harry Carey, Hoot Gibson, Tom Mix en Buck Jones.
Toch verwierf Ford geen “instant fame”. Zo is hij nog lang na zijn debuut in 1917 met “The Tornado” (al meteen een western) “accessoirist” geweest, vooral voor John Wayne. Alhoewel Ford eerder een man van de daad dan van het woord was, stond hij toch niet afkerig tegenover de geluidsfilm.
Na zijn doorbraak met “Stagecoach” volgde “Arrowsmith” (1931). Omdat RKO achter zijn rug aan “Mary of Scotland” sleutelde, werd hij achterdochtig en kreeg bij de producenten de reputatie van een lastig mens. Dat kwam vooral omdat hij zo weinig mogelijk materiaal opnam, zodat er achter zijn rug niet mee kon worden gerotzooid. “Montage met de camera” noemde hij dat systeem.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam Ford dienst bij de marine en verloor een oog tijdens de gevechten. In 1946 speelde Victor Mature Doc Holliday in “My darling Clementine” van John Ford. Zijn tegenspeelster Anita Ekberg beweerde dat hij enkel opdook als er close-ups dienden te worden gemaakt. Als ik me niet vergis, speelde Henry Fonda een wat verwijfde Wyatt Earp, die het lief van Holliday (Clementine dus) binnenrijft. Om het verhaal niet nodeloos te compliceren sterft Holliday hier uitzonderlijk in het duel op de O.K.Corral.
In 1948 ging “The grapes of wrath” in première, gebaseerd op het boek van John Steinbeck. Het zou Ford een jaar later een oscar opleveren als beste regisseur. Er was trouwens ook nog een andere oscar weggelegd voor Jane Darwell als beste vrouwelijke bijrol.
Nog in 1948 start John Ford zijn zogenaamde “cavallerie-trilogie”, beginnend met “She wore a yellow ribbon”, “Fort Apache” en besloten met “Rio Grande” in 1950.
‘Fort Apache’ (1949) is minder voorspelbaar dan verwacht. Hij schetst een genuanceerd beeld van de indianen en toont zich ongewoon hard voor de hypocrisie van de legerleiding. Kapitein John Wayne heeft een goede relatie opgebouwd met de indianenstammen in de buurt van het fort. De nieuwe commandant (Henry Fonda) is een indianenhater, die koste wat het kost carrière wil maken. Hij verbreekt niet alleen Waynes eerdere afspraken met de indianen, hij voert ook een ondoordachte charge uit, waarbij hijzelf en het grootste deel van zijn manschappen omkomt. Maar Wayne, die Fonda opvolgt, laat iedereen geloven dat zijn voorganger een roemrijke dood stierf.
John Wayne is ook de hoofdfiguur in “The quiet man” uit 1952. De film toont hoe de Ierse bokser Sean Thornton (Wayne) na per ongeluk een tegenstander gedood te hebben in de ring, terugkeert naar zijn geboortedorp om er rust en vrede te vinden. Maar hij geraakt al onmiddellijk in conflict met Will Danaher (Victor McLaglen) wanneer hij zijn ouderlijke huis, waar deze Will ook een oogje op had, aankoopt. Om zich te wreken verzet Danaher zich tegen het huwelijk van Sean met Wills jongere zus Mary Kate (Maureen O’Hara). Dat leidt tot een langdurige knokpartij tussen Will en Sean. Op het einde verzoenen ze zich wel en wordt de harmonie in de gemeenschap hersteld. “To find the exceptional in the ordinary, heroism in everyday life, to exalt man ‘in depth’, this is the dramatic device I like,” aldus Ford over zijn werkwijze. En hij voegt eraan toe: “And also, to find humour in tragedy, because tragedy is never totally tragic. Sometimes it’s absurd.”
John Ford was een conservatief, maar toch was hij de McCarthy-commissie niet gunstig gezind. Toen Cecil B. De Mille achter de rug van de toenmalige voorzitter Joe Mankiewicz de leden van de directors’ guild een soort van loyaliteitseed wou laten opleggen, was het Ford die dit voorstel kelderde met een kort maar krachtige redevoering: “Cecil, you and I go back to 1916, maybe even earlier, right? Let me tell you something. When it comes to providing the people of the world with the kind of movie they want to see there isn’t any one in this room who can touch you, and I respect you for that. But, Cecil, I don’t like you. And I don’t like a goddamn thing you stand for. I move that we go home and start making movies, because that’s our job.”
In 1956 volgde “The searchers”. Alhoewel deze laatste film over het algemeen als één van zijn meesterwerken wordt beschouwd, kan ik daar hoegenaamd niet inkomen. Het is zelfs één van de meest racistische films die ik ooit heb gezien. John Wayne (wie anders?) is de hele film door op zoek naar een meisje dat door Comanches is ontvoerd (de rest van haar familie is “zo maar” door hen uitgeroeid). Als hij ze eindelijk vindt, is ze niet alleen uitgegroeid tot Natalie Wood, maar ze is ook een volbloed Comanche geworden. Daarom wil Wayne (alias Ethan Edwards) haar koelbloedig neerschieten. “The only good indian is a dead indian”, nietwaar? Haar geadopteerde broer Jeffrey Hunter, zelf één achtste Comanche en daardoor de hele film lang het voorwerp van spot van Wayne, weet dit te verhinderen en die krijgt als beloning op het einde de hand van Vera Miles, die toch een wat genuanceerder portret van een vrouw uit de Far West neerzet. Dat is trouwens het enige positieve dat ik van deze film kan zeggen, dat hij geen geïdealiseerd beeld geeft van het bestaan in Twilde Westen. Of men dan anderzijds z’n hele leven kan doorbrengen gewoon door op zoek te gaan naar een meisje dat men dan ook nog wil afschieten als men ze vindt, is dan weer een kronkel die mij ontgaat.
Vera Miles is ook de vrouwelijke hoofdrol in “The man who shot Liberty Valance”, een zwartwit-film uit 1962, maar ze kan onmogelijk optornen tegen de clash of the titans: James Stewart als advocaat (later senator) Ransom Stoddard, John Wayne als Tom Doniphon, the man who shot Liberty Valance (samen omringen ze John Ford op bovenstaande foto) en Lee Marvin als Valance himself. Laat ik meteen ook maar duidelijk stellen dat het gelijknamige hitje van Gene Pitney niets van doen heeft met de film als zodanig (de nogal pompeuze filmmuziek is van Cyril Mockridge). Het is overigens enkel in die filmmuziek dat er een hint naar indianen op het oorlogspad is, want in heel de film is verder niet één indiaan te zien.
Toch was John Ford één van de eersten om een eerlijker visie op de indianen te geven. In “Cheyenne Autumn” van 1964 klaagt hij het feit aan dat in Oklahoma in 1878 de Cheyennes omkwamen van honger en kou in hun reservaat. Onderwijzeres Deborah Wright (Carroll Baker) neemt ze daarom mee naar hun eigen gebied. Kapitein Thomas Archer (Richard Widmark) heeft opdracht gekregen de indianen naar het reservaat terug te drijven, maar hij wordt verliefd op Deborah en begint met de indianen te sympathiseren. Dan stuurt men er maar James Stewart, Arthur Kennedy, Karl Malden, Dolores del Rio, Ricardo Montalban en wie weet ik nog allemaal op af.
“After casting almost no women in starring roles in his films during his long career, western specialist John Ford made up for it in one fell swoop with his very last movie, “Seven women” (1965), a classy psychological drama set in a Christian mission in China, 1935, where a group of Western missionaries are under attack by nearby Mongols. A marvellous film, except for the unpleasant streak of racism running all the way through it.
Six of the seven women in the title are a predictable bunch, all religious morals and repressed desires. Strong lesbian undercurrents are the order of the day for Miss Andrews (Margaret Leighton), an older woman and unofficial leader of the group. While she is strong and capable with the other members of the group, she completely collapses, metaphorically speaking, in the presence of the glorious young Miss Emma Clark (Sue Lyon, once more the object of desire for an older woman as in “The night of the iguana”). Miss Andrews cannot express her longing, of course, and her religious convictions would not permit such thingseither. In any case, Emma is not interested and does not return the compliment.
Enter Dr Cartwright (Anne Bancroft, as alluringly handsome as ever), who throws everyone off balance with her trousers, short hair and attitude. She smokes, is terrific at her job and is both butch and cute. Within thirty seconds she is established as straight. `It’s a woman,’ exclaims Mrs Pether when they first meet. ‘Unless a lot of men have been kidding me,’ remarks our heroine drily.
Emma takes an immediate shine to Dr Cartwight, leaving Miss Andrews bereft and jealous. `I’ve always searched for something that isn’t there. God isn’t enough,’ she says sadly. As Miss Andrews is essentially a ‘real lesbian’ (albeit unconscious) she is doomed to frustration and bitterness. Emma’s crush on the good doctor is forgiven, though, because her interest is not carnal and her youth suggests a temporary phase.” (Lesbian Film Guide, p.190-191)
John Ford (recordhouder van het aantal oscars, nl.vier) is op 31/8/1973 gestorven aan kanker in Palm Springs (Californië).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.