De Engelse acteur Daniel Day-Lewis viert vandaag zijn zestigste verjaardag.

In 2013 stelde ik vast dat nogal wat mensen ook op mijn blog kwamen kijken wat ik wist te melden over Daniel Day-Lewis die met zijn derde oscar (voor “Lincoln”, na “My left foot” uit 1989 en “There will be blood” uit 2007) geschiedenis heeft geschreven. Geen enkele acteur heeft dit hem immers ooit voorgedaan. Helaas moet ik echter waarschuwen dat ik de carrière van Day-Lewis inderdaad op de voet heb gevolgd, maar slechts tot zowat halfweg de jaren negentig. (*)
Daniel Day-Lewis werd ook genomineerd als beste dramatische acteur voor zijn rol in “In the name of the father”, een film van Jim Sheridan, die hem daarvóór dus al naar de oscar leidde in “My left foot”. Hij greep er echter naast (Tom Hanks kreeg hem), voornamelijk om die reden, omdat hij er al één had dus.
Nochtans zou hij hem ten dele ook voor “The age of innocence” hebben kunnen krijgen, al voelde hij zich daar niet helemaal op zijn gemak. Hij heeft de film dan ook maar gedraaid omdat hij het een hele eer vond van met Martin Scorsese te mogen werken (en gelijk had-ie!).
Dat was trouwens ook het geval voor zijn rol van Hawkeye in “The last of the Mohicans” (zie bovenstaande foto), ook al waren voor vele tienermeisjes zijn lange haren de enige reden om de film te gaan zien. Anderen zullen betreuren dat het precies door het draaien van déze film was, dat hij niet vrij was voor Francis Ford Coppola’s “Dracula”, al had hij op de scène indruk gemaakt in die rol. Gelukkig zette Gary Oldman toch ook wel een heel knappe prestatie neer, laten we dat maar meteen stellen.
In “In the name of the father”, zelf ook in aanmerking voor de oscar van “beste film” en Gouden Beer op het Festival van Berlijn 1993, speelt Daniel Day-Lewis de rol van Gerry Conlon, een jonge delinquent, afkomstig uit Belfast, die in 1975 als één van de zogenaamde Guildford Four met afgedwongen bekentenissen vijftien jaar onschuldig werd opgesloten op beschuldiging van IRA-terrorisme (in de Londense voorstad Guildford werden op 5 oktober 1974 immers twee bomaanslagen gepleegd op pubs die werden bezocht door Britse militairen, er vielen vijf doden en zeventig gewonden).
Samen met hem werd ook zijn jeugdvriend Paul Hill (John Lynch) veroordeeld en twee hippies, Paddy Armstrong (Mark Sheppard) en Carole Richardson (Beatie Edney). Nadien werden daar ook nog een aantal familieleden van deze mensen aan toegevoegd, ook al wist de overheid pertinent zeker dat ze onschuldig waren.
Bij die veroordeelde familieleden behoorden ook een tante van Gerry Conlon, Annie Maguire (die nota bene ervan beschuldigd werd de bommen te hebben gefabriceerd!), rol gespeeld door Britta Smith, en vooral zijn vader, Giuseppe. Jim Sheridan heeft dan ook vooral de nadruk willen leggen op de relatie van Conlon met zijn vader, die pas in de gevangenis zijn zoon echt leert kennen. De rol van de vader wordt vertolkt door Pete Postlethwaite, die samen met Daniel Day-Lewis op de planken heeft gestaan en in “The last of the Mohicans” te zien was als Captain Beams.
De vrije bewerking van historische gegevens heeft wel voor enige problemen gezorgd met de Engelse justitie die op die manier trachtte aan te tonen dat de film niet “correct” is. Maar uiteraard gehoorzaamt een film aan andere wetten dan de realiteit (het moet allemaal veel beknopter, om nog maar dàt te zeggen), terwijl de kern van de zaak, deze onuitwisbare onrechtvaardigheid toch overeind blijft!
Sheridan wordt er, net als Emma Thompson, die advocate Gareth Pierce in de film gestalte geeft, en Daniel Day-Lewis zelf, in Engeland van beschuldigd begrip op te brengen voor het IRA-terrorisme. Sheridan ontkent dat niet echt. Uiteraard veroordeelt hij terroristische acties, maar hij wijst erop dat “als je je gevoelens niet mag uiten, een bom het wel voor jou zal doen”. Vandaar ook dat hij de film de titel gegeven heeft van het begin van het kruisteken. Hij wil dus een soort van gebed zijn om “verhoord” of “gehoord” te worden.
Corin Redgrave speelt Robert Dixon en de rol van Sarah Conlon wordt vertolkt door Marie Jones. De film is gebaseerd op het boek “Proved innocent” van Gerry Conlon, dat Sheridan zelf tot een scenario omwerkte (samen met Terry George). Peter Biziou stond achter de camera en de muziek is van Trevor Jones. Er komen songs in voor van Bono, Gavin Friday, Maurice Seezer en Sinead O’Connor.
Conlon was door zijn vader naar Londen gestuurd omdat hij zich door zijn kattekwaad problemen met de IRA op de nek had gehaald. Conlon daagde namelijk voortdurend de Britse bezettingstroepen uit, maar toen die hem eens achternazaten had hij hen ongewild naar een schuilplaats van de IRA gelokt.
Zijn jeugdvriend Paul Hill gaat mee naar Londen en samen belanden ze in een hippie-commune. En dat wordt dus ook deze hippies uiteindelijk fataal.
Kort na de veroordeling rolt de politie twee IRA-terreurgroepen op, waarvan Brendan Dowd en Joe O’Connell bekennen dat zij de aanslagen in Guildford hebben gepleegd. Vingerafdrukken ter plaatse gevonden bewijzen dat. Toch weigert de Britse justitie het proces te herzien. Tevens weigert zij gratie te verlenen aan Giuseppe Conlon, ook al is die dan zwaar ziek. Hij sterft in de gevangenis aan een hartinfarct op 4 april 1980.
Pas in 1987 komt advocate Gareth Pierce erachter dat de politie de getuigenis van een dakloze, die Gerry en Paul een alibi verschafte, opzettelijk heeft verdonkeremaand. Nu kon een herziening van het proces niet langer uitblijven en in 1989 kwamen de vier én hun familieleden eindelijk vrij. Paul Hill huwde vorig jaar met Courtney Kennedy, de dochter van Ethel en de zus van congreslid Joseph (Joe). Gans de Kennedy-clan heeft zich nu achter hem geschaard, nu hij ook tracht vrijspraak te verkrijgen voor de moord op Brian Shaw, een 21-jarige Britse soldaat die in Belfast was gaan wonen. Hill (die Jeff Bridges heeft gecoached voor de verfilming “Blown away” met Tommy Lee Jones) heeft die moord wel bekend, maar zegt nu dat die bekentenis onder dezelfde omstandigheden is afgedwongen als ten tijde van het Guildford-proces.
Net zoals bij “My left foot”, waar Day-Lewis de zwaar gehandicapte auteur Christy Brown speelde, is hij ook nu weer erg ver gegaan in zijn “inleving”. Day-Lewis, die in 1987 opnieuw de Ierse nationaliteit van zijn voorouders heeft aangenomen (zijn vader werd in 1904 geboren in County Laois als zoon van een protestantse geestelijke), liet zich gedurende 48 uur in een gevangenis opsluiten zonder eten, terwijl een bewaker verzocht werd ervoor te zorgen dat hij niet zou inslapen. Tussen haakjes: voor “My left foot” weigerde hij op te staan. Arbeiders die op de set werkten moesten hem steeds dragen en bij het eten hem voederen. Hier groeide reeds de overtuiging dat dit toch “lichtelijk overdreven” was. Toen hij dan voor “The last of the Mohicans” zo lang op “overlevingstocht” trok met paracommando’s die gespecialiseerd zijn in het bestrijden van guerillatechnieken, dat men niet in zijn nabijheid kon komen van de stank, was voor velen de maat vol: hij mag dan nog masochist zijn, hij werkt er zijn omgeving echter danig mee op de heupen…
Maar om het generatieconflict gestalte te geven heeft Daniel Day-Lewis alvast niet veel research moeten doen. Hij hoefde gewoon uit zijn eigen ervaringen te putten. Geboren in Londen als zoon van de dichter Cecil Day-Lewis en diens tweede vrouw, de actrice Jill Balcon (hààr vader, Sir Michael Balcon, stond jarenlang aan het hoofd van de Ealing Studios, waar o.m. “The thirty-nine steps”, “Kind hearts and coronets” en “Tom Jones” werden gedraaid; zijn zus Tamasin draait overigens documentaire films) werd hij in zijn jeugd door zijn vader zo afstandelijk behandeld dat hij er zware migraine-aanvallen aan overhield. Ik stel me hierbij de relatie voor tussen vader en zoon Stevens, de butlers uit “The remains of the day”, maar het had er ongetwijfeld ook mee te maken dat zijn vader reeds 54 was toen Daniel werd geboren. Iets waarover al die grootmoeders die liever zelf nog moeder willen zijn, zich beter eens zouden bezinnen (én hun echtgenoten natuurlijk!).
Toen zijn vader in 1972 stierf, poogde de 15-jarige Daniel zich met een overdosis migrainepillen om het leven te brengen. Na deze wanhoopskreet kwam het dan toch nog goed. Alhoewel. De jongen gaat wel zwaar gefrustreerd door het leven (sommigen beweren zelfs dat hij een beetje getikt is, niet voor niets zijn zijn grote voorbeelden Marlon Brando en Montgomery Clift). Zo liep hij in 1989 tijdens de scène waarin Hamlet op de muren van zijn kasteel zijn vermoorde vader ontmoet, van het toneel omdat hij zich inbeeldde dat hij effectief de geest van zijn eigen vader zag. De verdere voorstellingen van het stuk dienden te worden afgevoerd.
Cecil Day-Lewis vormde samen met Wystan Hugh Auden, Stephen Spender en Louis MacNeice in Oxford in de jaren dertig het communistische viertal “Macspaunday”, maar later op zijn leven, in 1968 om precies te zijn, was Cecil reeds zodanig “bekeerd” dat hij John Masefield opvolgde als “poet laureate”. Zijn oorspronkelijke revolutionaire opvattingen leefden wel nog in die mate door dat hij Daniel naar een “gewone” school stuurde, i.p.v. naar een privé-school. Eerst werd de jongen lastig gevallen omwille van zijn “Oxford English”, maar vlug leerde hij het dialect van zijn belagers na te bootsen en deze eerste vorm van “acteren”, maakte hem uiteindelijk tamelijk populair. Té populair zelfs, want zijn ouders werden bang dat het “slecht zou aflopen” en op elfjarige leeftijd werd hij dan toch naar een kostschool gestuurd. Het was echter al te laat. Daniel was onhandelbaar op school en kwam, net als Gerry Conlon, in contact met het gerecht omwille van kleine winkeldiefstallen e.d. Al heel vroeg begon hij ook te drinken. En dan bedoel ik niet coca-cola.
Bovendien ontwikkelde hij een schuldcomplex van hier tot ginder t.o.v. zijn vader, omdat hij niet de “voorbeeldige zoon” kon zijn die hij eigenlijk wel wou zijn, zodat hij ook na diens dood nog altijd er last van heeft. Zo zegt men b.v. dat het feit dat hij lange tijd geen vaste verhouding kon aangaan, daarop terug te voeren is. Hij zou namelijk schrik hebben om zich aan iemand te binden. Vandaar dat hij Isabelle Adjani, die in 1989 speciaal voor hem naar Londen was komen wonen, liet staan voor vluchtige verhoudingen met Julia Roberts, Winona Ryder, Madonna, Sinead O’Connor en zelfs Juliette Binoche!
Toen Adjani enkele jaren later de prijs voor de beste actrice kreeg voor “La Reine Margot” heeft ze er dan ook wellicht niet veel plezier aan beleefd, want Daniel Day-Lewis was weliswaar even teruggekomen, maar had haar vlak voor de prijsuitreiking laten zitten en dat op het moment dat ze zeven maanden zwanger was. Naderhand werd Gabriel-Kane geboren, maar Day-Lewis keerde niet terug, integendeel in november ’96 trouwde hij met Rebecca Miller, de op dat moment 32-jarige dochter van auteur Arthur Miller en zijn derde vrouw Inge Morath. Day-Lewis had Rebecca, die schilderes, actrice en cineaste is, leren kennen tijdens het draaien “The Crucible” van Nicholas Hytner uiteraard naar het beroemde toneelstuk van haar vader Arthur Miller. Er wordt trouwens beweerd dat Day-Lewis eigenlijk meer de vader wilde “huwen” dan de dochter. Hij zoekt namelijk nog steeds naar een vervangvader.
Toch had de dood van zijn echte vader wel het gevolg dat hij naar een andere school mocht. Nog steeds privé, jawel, maar al heel wat progressiever. Daniel legde zich vooral toe op handenarbeid en dat bleek een therapeutisch effect te hebben. Tegelijk begon hij zich te concentreren op het acteren. Dit bleek zo goed te gaan dat hij uiteindelijk in de theaterschool van de fameuze Old Vic belandde, waar hij les kreeg van Pete Postlethwaite, zijn “vader” uit “In the name of the father” dus.
Alhoewel hij als kind reeds een rolletje had in “Sunday bloody sunday” van John Schlesinger (1971), debuteerde hij als volwassen acteur in 1982. Meteen deed hij dat zowel op de planken (met “Another country”) als op het witte doek (met “Gandhi”). Toch oogst hij aanvankelijk meer succes als toneelacteur, o.a. bij de prestigieuze Royal Shakespeare Company, waar hij te zien is in “Romeo and Juliet” en “A Midsummernight’s Dream”.
Via een klein rolletje in de onderschatte remake van “The (mutiny of the) bounty” door Roger Donaldson in 1984 en de TV-film “The insurance man” (1985) van Richard Eyre (met wie hij ook “Hamlet” en “Futurists” zou doen), waarin hij Kafka speelde, belandt hij datzelfde jaar in een belangrijke bijrol van “My beautiful laundrette” van Stephen Frears. Omdat het scenario geschreven werd door zijn vriend Hanif Kureishi, bewoog Day-Lewis hemel en aarde om de rol te kunnen spelen van Johnny, een neofascistische, homofiele punk. Frears vond hem te zachtgekookt voor de rol. “Als je mij hem niet geeft, stamp ik de benen van onder je kont,” moet Day-Lewis geantwoord hebben en dat vond Frears overtuigend genoeg om Gary Oldham, Kenneth Branagh en Tim Roth opzij te zetten.
In de Verenigde Staten kwam deze film (die oorspronkelijk enkel voor Channel 4 was bedoeld) pas een jaar later uit, zodat dit toevallig samenviel met een andere prestigefilm, namelijk “A room with a view” van James Ivory, waarin hij de pompeuze Cecil Vyse speelt. De twee rollen konden niet méér verschillen dan dat en daarom werd hij hiervoor door de New York Film Critics onderscheiden, zodat men hem naar Hollywood haalde.
In 1987 was er eerst nog de flop “Nanou” van Conny Templeman, maar in 1988 komt de doorbraak als antiekexpert in het komisch bedoelde “Stars and bars” van de Ier Pat O’Connor en, vooral, “The unbearable lightness of being” van Philip Kaufman naar het boek van Milan Kundera. Ook hier is er discussie over zijn prestatie als de neurochirurg Tomas. Sommigen vinden hem er niet rijp genoeg voor. Hij was er alleszins te jong voor, maar volgens hemzelf kreeg hij de rol omdat Kaufman toevallig naar een ochtendlijke talkshow zat te kijken, waarin hij na een bijna slapeloze nacht en met kaalgeschoren hoofd (voor de rol van Mayakowski in “Futurists”) te zien was.
Toch keert hij een jaar later terug naar Ierland om er een “kleinere” film te draaien, die dan tot zijn oscar zou leiden. Niemand kon immers voorzien dat “My left foot” zo’n succes zou worden. Datzelfde jaar draaide hij immers ook “Eversmile, New Jersey” van de Argentijn Carlos Serin en wie heeft dààr al van gehoord? (Dree Peremans allicht, want de film gaat over een Amerikaanse tandarts die de inboorlingen van Patagonië meer hygiëne wil aanpraten.)
Ondanks het feit dat Daniel Day-Lewis nu miljonair is, leeft hij immers nog in een half krot, met als grootste “versiering”, een uitgescheurde foto van Keith Richards, die met een duimspijker aan de wand is bevestigd…

Referenties
Ronny De Schepper, Subliem verraad, De Rode Vaan nr.37 van 1988
Ronny De Schepper, In the name of Daniel Day-Lewis, Steps magazine maart 1994

(*) Toen Daniel Day-Lewis in 2013 zijn derde Oscar in ontvangst mocht nemen voor zijn vertolking van Abraham Lincoln hoopten velen dat hij iets zou zeggen over zijn schoonbroer Daniel Miller. Deze werd geboren met het syndroom van Down en Miller heeft veertig jaar lang zijn bestaan ontkend. Pas zes weken voor zijn dood gaf Miller toe dat hij ook nog een tweede zoon had (hij had er ook al één bij zijn eerste vrouw, Mary Slattery). Tenslotte had Day-Lewis net als zijn vrouw en zijn schoonmoeder wél geregeld en regelmatig zijn schoonbroer bezocht. Bovendien behaalde hij zijn eerste Oscar voor de vertolking van een gehandicapte in “My left foot”. Maar voor zover ik weet heeft hij dit echter niét gedaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s