Fred Zinnemann (1907-1997)

Het is vandaag twintig jaar geleden dat de Amerikaanse filmregisseur Fred Zinnemann is overleden.

Fred Zinnemann werd op 29 april 1907 geboren in Wenen. Hoewel hij graag muzikant wilde worden, ging hij rechten studeren aan de Universiteit van Wenen. Daar raakte hij geïnteresseerd in films en besloot hij cameraman te worden. In Duitsland werkte hij daarna samen met andere beginnende regisseurs zoals Billy Wilder en Robert Siodmak. Hij studeerde ook film in Parijs in 1927. Uiteindelijk trok Zinnemann naar de Verenigde Staten om films te studeren. Misschien voelde hij als jood de bui reeds hangen ofwel vond hij gewoonweg dat men voor films te maken in Hollywood moest zijn. Hoe dan ook, hij was reeds vertrokken vóór de nazi’s de macht grepen in Duitsland.
In Hollywood was zijn eerste opdracht een figurantenrol in de bekende film All Quiet on the Western Front (1930). Hij werd ontslagen, nadat hij regisseur Lewis Milestone een paar raadgevingen meende te moeten geven. Zinnemann maakte vervolgens enkele succesvolle korte films en begin de jaren ’40 ook speelfilms zoals Kid Glove Killer (1942).
De grote doorbraak van Fred Zinnemann kwam er in 1944 met The Seventh Cross. Deze film met Spencer Tracy in de hoofdrol was een financieel succes. Nadien begon Zinnemann zijn oeuvre uit te breiden. Hij filmde verschillende genres en geregeld werden zijn acteurs en actrices genomineerd voor een Oscar.
In 1948 lanceerde Zinnemann de carrière van acteur Montgomery Clift, die de hoofdrol speelde in het oorlogsdrama The Search. De film leverde zowel Zinnemann als Clift een Oscar-nominatie op. Enkele jaren later lanceerde de regisseur opnieuw een talentvolle acteur. Deze keer was het Marlon Brando die de hoofdrol kreeg in The Men (1950). Zinneman in Humo: “Het hoofdpersonage van The Men was losjes gebaseerd op Ted Anderson, een jonge soldaat die was neergeschoten door een sluipschutter terwijl hij zijn patrouille over de Rijn leidde. Hij ontwaakte vier weken later in een hospitaal in Parijs: de oorlog was voorbij voor hem. Een jaar lang heeft Anderson geprobeerd een aansteker te gebruiken. Het was een enorme overwinning voor hem toen hij het eindelijk kon. Twee jaar later slaagde hij erin zelfmoord te plegen.”
Het scenario van Carl Foreman is echter slechts héél losjes gebaseerd op het verhaal van Anderson, want – zoals men in Hollywood mag verwachten – eindigt de film op een soort van happy end, namelijk de aanvaarding van de handicap door de gehandicapte zelf en uiteraard ook door zijn nooit twijfelende geliefde. Trek nog eens een blik violen open, alstublieft!
Twee jaar later kwam er één van Zinnemanns grootste successen, de film High Noon (1952). Deze western met Grace Kelly en Gary Cooper in de hoofdrol werd een financieel en artistiek succes en won vier Oscars. Zinnemann zelf werd genomineerd, maar won niet.
Wat heeft deze western waarin de rechtschapen sheriff Gary Cooper het heel alleen tegen vier outlaws moet opnemen, omdat het ganse stadje hem laf in de steek laat, met de fameuze McCarthy-commissie te maken, zal je zeggen (zeker als je weet dat Cooper één van zijn supporters was). Maar als Cooper op het einde zijn sheriff-ster (*) vol misprijzen in het zand gooit, dan wil scenarist Carl Foreman (1915-1984) daarmee zijn ontgoocheling uitdrukken over de lakse houding van de gewone Amerikanen tegenover de heksenjachten.
Er wordt van Gary Cooper altijd beweerd dat hij zowat het mannelijke equivalent was van “het domme blondje” en voor deze film zou dat dus wel kunnen kloppen, als hij de symboliek niet eens had begrepen. John Wayne had dat alvast wél gedaan, want volgens hem was dit “de meest on-Amerikaanse film” die hij ooit had gezien. Hij nam Howard Hawks onder de arm en samen draaiden ze Rio Bravo, waar “goeden” en “slechten” duidelijk herkenbaar zijn en de “goeden” zich allemaal als helden gedragen.
Wat later slaagde Zinnemann er wel in om een Oscar te winnen. In 1952 namelijk in de categorie Best Documentary, Short Subjects, voor zijn korte film Benjy. Maar dat was slechts een voorspel, want met het oorlogsdrama From Here to Eternity (1953) sleepte hij in totaal acht Oscars in de wacht en maakte hij één van de bekendste films ooit. Zinnemann zelf won zijn tweede Oscar. Bovendien betekende de film ook de comeback van Frank Sinatra.
Was From Here to Eternity een film met een zanger, waarin echter niet werd gezongen, dan draaide Zinnemann in 1955 Oklahoma, naar de gekende Rodgers & Hammerstein musical.
Fred Zinnemann werd meer en meer een gevestigde waarde in Hollywood. Zijn films, vooral drama’s, vielen voortdurend in de prijzen. De regisseur zelf werd geloofd omwille van zijn gedetailleerde aanpak en zijn goede casting. The Nun’s Story uit 1959 werd overladen met acht Oscar-nominaties, maar kon er geen enkele van verzilveren. Met deze film met o.a. Audrey Hepburn en Peter Finch slaagde Zinnemann erin om meermaals de gevoelige snaar van de kijker te raken. Aangezien deze film in ons land werd uitgebracht ongeveer gelijktijdig met het Amerikaanse succes van “Dominique” door Soeur Sourire denken vele mensen dat deze film eigenlijk het verhaal van Jeannine Deckers (de echte naam van Soeur Sourire) vertelt, maar dat kan natuurlijk niet.
Toch komt de verwarring niet zo maar uit de lucht vallen. Jeannine Deckers had als kloosternaam eveneens “zuster Luc” aangenomen (Soeur Sourire werd haar als pseudoniem opgedrongen door haar platenfirma, Philips) en nadat ze uit het klooster was gestapt heeft ze nog een nieuwe carrière willen opstarten onder de naam “Luc Dominique”. Bovendien zijn er wel degelijk gelijkenissen met het verhaal van Soeur Sourire. Zo is het boek dat aan de oorsprong ligt van de film geschreven door de Amerikaanse schrijfster Kathryn Hulme (1900-1981) en dat is niemand minder dan de geliefde van Malou Habets. De twee waren elkaar tegengekomen in het Beierse Wildflecken in 1944, waar ze allebei voor de United Nations Relief and Rehabilitation Administration werkten. Malou was dan pas uitgetreden uit het klooster in Ukkel, waarin ze had verbleven van bij het begin van de oorlog, toen ze met tuberculose was teruggekeerd uit de Congo, waar ze in 1933 als missiezuster naartoe was getrokken.
Haar opleiding als verpleegster had zuster Xaverine (zoals Malou in het klooster heette) gekregen bij de Zusters van Liefde in de Molenaarstraat in Gent. Toen Zinneman begon met de voorbereidingen van de film, nam hij dan ook contact op met het klooster of hij daar mocht filmen. Neen, dat mocht hij niet, een beslissing die de steun kreeg van kardinaal Suenens. Toch kon Zinneman de film gedeeltelijk in Vlaanderen draaien en dan wel in Brugge en in Antwerpen. En in Congo natuurlijk. De binnenopnames (dus ook die van het klooster) werden echter gedraaid in Cinécitta in Rome. De film en het boek legde het paar geen windeieren en ze vestigden zich als rijkelui op Hawaï. In 1978 zou Malou nog een laatste keer haar familie in Vlaanderen bezoeken.
Eigenlijk is de film te vergelijken met het boek “Dood van een non” van Maria Rosseels, dat eveneens is verfilmd. Beide films gaan namelijk over de twijfels die een non heeft in een klooster. The nun’s story eindigt trouwens met de scène dat “zuster Luc” (zoals Malou in de film heet) het klooster verlaat.
Een jaar later stond de regisseur er opnieuw. The Sundowners (1960) met onder meer Deborah Kerr, Robert Mitchum en Peter Ustinov werd een avonturenfilm met het nodige drama. De film werd het zoveelste succes van de Oostenrijks-Amerikaanse regisseur.
Zinnemann begon zijn carrière af te bouwen en het was vier jaar wachten op zijn volgende film. In 1966 won hij een vierde en laatste Oscar, voor de historische film A Man for All Seasons met o.a. Paul Scofield, Robert Shaw, John Hurt en Orson Welles. De film verhaalt het leven van Thomas More gezien door communist Robert Bolt.
In 1973 bracht Zinneman zijn volgende film uit, de cultklassieker The Day of the Jackal (1973). Deze thriller werd niet goed ontvangen door de filmcritici in Hollywood, maar het grote publieke bezorgde de film toch een cultstatus. Vier jaar later bezorgde Zinnemann met Julia (1977) Jason Robards en Vanessa Redgrave een Oscar. Het was bovendien het filmdebuut van actrice Meryl Streep. Het is een film over de schrijfster Lilian Hellman, die in de film gestalte wordt gegeven door Jane Fonda. De Julia uit de titel is een Oostenrijkse jeugdvriendin (gespeeld door Vanessa Redgrave), die actief was in het verzet tegen Hitler, tot ze door de nazi’s wordt omgebracht. Hellman had met haar een lesbische verhouding, al had ze anderzijds ook een verhouding met romanschrijver Dashiell Hammett (in de film gespeeld door Jason Robards). Als in de film van Zinneman een journalist nochtans het woord “lesbisch” laat vallen, krijgt hij van Fonda een draai om de oren.
In 1982 kwam Five Days One Summer uit. Het was Zinnemanns laatste film alvorens voorgoed te verdwijnen uit de filmwereld. Op 14 maart 1997 overleed Fred Zinnemann in Londen, Engeland, aan een hartaanval. Tot vlak voor zijn dood zou Zinneman zich tegen de titel “The Jackal” voor de film van Michael Caton-Jones, blijven verzetten. Het scenario werd immers “aangepast” om generaal De Gaulle eruit te schrijven. Want who the fuck is generaal De Gaulle? Sic transit…

Ronny De Schepper (met dank aan Wikipedia voor de biografische gegevens)

(*) Deze ster speelt ook op een minder dramatische manier nog een rol in de film. In de scène waarin de sheriff een moment van zwakte kent, omdat niemand hem wil helpen, is men blijkbaar vergeten ze op te spelden. Hij komt dus zijn “office” binnen met de ster opgespeld, gaat aan tafel zitten zonder ster en als hij dan het hoofd opricht als die puber zich als vrijwilliger komt melden, dan draagt hij plotseling opnieuw een ster.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s