Dertig jaar geleden kreeg de Canadese cineast Denys Arcand in Cannes de prijs van de kritiek voor zijn erotische praatfilm “Le Déclin de l’Empire américain” (foto).

Erwin Goegebuer formuleerde het als volgt in “Film en Televisie”: “De Canadese regisseur Denys Arcand draaide met Le Déclin de l’Empire américain een dialoogfilm die thuishoort in Eric Rohmers serie « Comédies et Proverbes ». De film wordt immers gekenmerkt door ingetogen humor en uitgebreide, intellectualistische dialogen over de gevoelsproblemen van de moderne mens in deze verwarde tijden. Zo wordt de ietwat pocherige titel door een van de personages als volgt uitgelegd: « Het wanhopige streven naar persoonlijk geluk in onze maatschappij zal historisch gezien waarschijnlijk verbonden blijken te zijn met de val van het Amerikaanse imperium, waarvan wij de eerste symptomen ervaren ».
Via de voor de hand liggende parallelmontage registreert de cineast de gesprekken tussen vier mannen, verbonden aan een geschiedenisfaculteit, en hun vrouwen of vriendinnen. Er wordt vooral gepraat over de relatie(s) met het andere geslacht en het masker van de zelfbescherming wordt pas afgerukt als er tijdens een gezamenlijk souper een onthulling wordt gedaan…
Enkele flash-backs illustreren de vertelde anekdotes en zorgen op die manier voor wat afwisseling in verhaalritme en mise-en-scène. In een tijdperk waarin de media vooral aandacht besteden aan de politieke en economische chaos die de jaren tachtig kenmerkt, bezit Le Déclin de l’Empire américain als een film die het uitsluitend heeft over een persoonlijke en intieme verwarring, een bijna onthullend karakter.”

Hierop volgden twee euh… vervolgen. Het eerste dateert uit 2003. Onder de titel “Les invasions barbares” komen alle personages nog eens samen aan het sterfbed van Rémy (Rémy Girard), die tevens model staat voor de tanende westerse cultuur. « L’âge des ténèbres » de 2007 complète la trilogie. Naviguant entre le réel et l’imaginaire, « L’âge des ténèbres » raconte les aventures d’un fonctionnaire qui tente d’échapper à un quotidien qui l’ennuie en s’évadant dans son imaginaire. Ses principaux interprètes sont Marc Labrèche, Sylvie Léonard et Diane Kruger. Après une première présentation aux journalistes, le film reçoit un accueil plutôt mitigé. La réception est plus chaleureuse quelques jours plus tard, alors que « L’âge des ténèbres » est présenté en première dans le cadre de la cérémonie de clôture du festival de Cannes. Arcand affirme qu’il s’agit vraisemblablement d’un de ses derniers films.
Canada heeft overigens een traditie van “erotische praatfilms”. Zo waren er in het begin van de jaren zeventig een reeks films van de productiefirma “Cinépix”, waarin alle mogelijke “topics” van de seksuele revolutie aan bod kwamen. Zo ging “Pile ou face” van Roger Fournier uit 1971 over groepseks. Veel groepseks was er begrijpelijkerwijs niet te zien, maar wel heel veel bloot, dat dan werd afgewisseld met zeer vervelende praatscènes. En soms waren er ook blote praatscènes, die dan misschien iets minder vervelend waren, maar wel moeilijker om te volgen… Enfin, dit is precies het tegenovergestelde van “Le déclin”, waarin de gesprekken zeer boeiend zijn, maar waarin er ontstellend weinig bloot is te zien (ik herinner me alleen de zweepstriemen van een van de vrouwen in de sauna). Nog merkwaardig: één van de actrices in “Pile ou face” was… Diane Arcand.
Een ander voorbeeld is “Les amours imaginaires” van Xavier Dolan uit 2010. Deze film heb ik nochtans niet uitgekeken, omdat het centrale thema biseksualiteit is. Op zich is dit uiteraard ook nog geen punt (biseksuele vrouwen zijn de natte droom van iedere man), maar het gaat meer bepaald over mannelijke biseksualiteit. En daar heb ik geen boodschap aan. Versta me niet verkeerd: ik heb er niks tegen of zo, integendeel zelfs, ik denk dat biseksualiteit de meest complete vorm van erotisch aanvoelen is, maar – helaas (?) – aan mij is het niet besteed…
Nog uit Québec kwam “Une histoire inventée” van André Forcier. Hier bewezen de ondertitels hun nut, want het Frans dat men in Québec wauwelt is zodanig doorspekt van Engelse termen, dat geen van beide talen nog verstaanbaar is. In “Une histoire inventée” wordt een Shakespeare-stuk als basis gebruikt en dan meer bepaald “Othello”, het drama van de jaloezie. De acteur die de Moor van Venetië speelt is inderdaad jaloers op de actrice die Desdemona voor haar rekening neemt. En terecht. Om hem na een slippertje met gelijke munt te betalen heeft deze zich immers voorgenomen de oudere trompettist Gaston Turcotte in te palmen, omdat ze daarmee tegelijkertijd haar moeder kan dwarszitten die reeds vijf jaar op deze “Don Juan van de trompet” (*) aast, ook al wordt zij op haar beurt steeds gevolgd door een schare aanbidders. U merkt het: de deuren voor een typisch Franse komedie staan wijdopen. Toch trapt regisseur André Forcier geen open deuren in, althans niet tot het heel banale slot. Dit doet deze anders nochtans sympathieke film finaal de das om.
Uit Canada kwam ook “The Adjuster” van Atom Egoyan: een verzekeringsexpert gaat in zijn ijver zo ver dat hij zijn klanten, die het slachtoffer zijn geworden van een brand, troost tot in bed (overigens ook soms mannelijke klanten). Niet enkel brengt Egoyan dit met zeer veel schroom in beeld, ook de manier waarop hij het laat gebeuren, laat de hoofdpersoon eerder uitgroeien tot een soort van heilige dan tot een geperverteerde. “The Adjuster” zal dan ook niet door zijn ijver ten onder gaan, maar wel door zijn geldzucht. Dit laatste zet hem er immers toe aan zijn woning af te staan aan wat hij denkt een filmploeg te zijn, maar uiteindelijk gebeurt er iets wat hij helemaal niet had zien aankomen, maar de toeschouwers des te meer. Dit “getelefoneerde” einde zorgt ervoor dat deze film minder verrast dan de vorige van Egoyan (“Family viewing” en “Speaking parts”) en ook zijn obsessie met zijn Armeense afkomst weegt een beetje te veel door. Dit uit zich o.m. in de twee vrouwenfiguren, twee zussen. De ene is de vrouw van de hoofdpersoon en heeft als beroep “censor”. In tegenstelling tot haar collega’s slaat zij zichzelf nogal kranig door allerlei seksuele hoogstandjes die zij moet noteren per film. Haar zus (die helemaal geen Engels spreekt, of althans toch doet alsof, en dus hele dagen thuis zit) daarentegen bekijkt de films met zoveel enthousiasme dat ook de buren ervan mee kunnen genieten. Enfin, althans toch een personage dat af en toe in de film opduikt en waarmee eigenlijk niks wordt gedààn. Dat brengt mij overigens tot deze nota voor de voyeurs onder de lezers: van die films krijg je zelf niks te zien, je hoort ze alleen maar… Maar over voyeurs gesproken: Atom Egoyan keert later weer met het schitterende “Exotica”.
“Exotica” was overigens zeer actueel in het licht van de affaire Dutroux die ook in de filmwereld sporen naliet. De release van niet minder dan vier films, waarin het onderwerp ter sprake kwam, werd er immers door beïnvloed: “The ogre”, “A time to kill”, “Sleepers”, die allemaal over pedofilie en/of kinderverkrachting handelden, en, niet te vergeten, de remake van “Lolita”, die met moeite de gevestigde bioscoopzalen kon halen.
Vele jaren later (in 2014 om precies te zijn) was er “The secret sex life of a single mom” van John L’Ecuyer, die weliswaar wat explicieter was dan de Franstalige “praatfilms” waarover ik het hoger heb, maar die anderzijds toch zeker niet de soort softporno-film was die de titel belooft. Nee, het was gewoon een weekendfilm-achtige aanpassing van “Fifty shades of grey”.
Zelfs Canadese thrillers gaan vaak over fetisjisme. “An officer and a murderer” van Norma Bailey uit 2012 b.v. is the true story of a well respected man the Canadian Base Commander, Colonel Russell William (rol van Gary Cole) in Southern Ontario, who first started collecting panties and bras in home break-ins. Dressing up as a woman was part of the act as well. Then advancing to holding woman hostage for his amusement, and then graduating to rape and finally murder. Maar nog opvallender, zegt djderka op de Internet Movie Database, “the story told in a straight forward manner, and hard to believe it is an American film as it has ‘Made in Canada’ stamped all over it as there is little action. Where are the police waving guns around, guns pointed at people, guns being fired, CSI special effects, more gun totting, cops yelling “get down on the ground” at the top of their lungs after they have consumed a dozen cans of Red Bull.” En Doknyx voegt daar terecht aan toe: “Gary Cole’s understated portrayal of a psychopathic alter-ego taking control of the daily ego is relentless, disturbing, and masterful. This (along with the fact that it’s based on actual events) makes this movie worth viewing.” En OJT uit Noorwegen besluit: “Canadians are very good at making films with true and realistic acting.”

Ronny De Schepper

(*) Niet te verwarren met “diene Gensche zanger mé zijn trompet” (Gentse Feesten 2008).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s