De Cubaans-Amerikaanse acteur Andy Garcia wordt vandaag zestig jaar.

Over Andy Garcia had ik in Stepsmagazine reeds drie artikels geschreven, namelijk ter gelegenheid van “Internal Affairs”, “The Godfather III” en “Dead again”, maar telkens in een ondergeschikte rol (resp. ten opzichte van Richard Gere, Al Pacino en het echtpaar Branagh-Thompson). Daarom vroeg men mij in 1994 van hogerhand om de man zelf eens in de schijnwerpers zetten, ook al was het dan ter gelegenheid van een van de slechtste films die hij ooit draaide, “When a man loves a woman”.
“When a man loves a woman” is een film van Luis Mandoki, waarin Andy Garcia de lijnpiloot Michael Green vertolkt die gehuwd is met Alice (Meg Ryan). Verder is er nog een opgemerkte vertolking van het Chinese kindermeisje Amy door Lauren Tom (van “The Joy Luck Club”) en krijgen we Ellen Burstyn te zien als grootmoeder Emily, die door de kinderen wordt verafschuwd.
Deze personages zijn enkel van belang als zij moeten inspringen, wanneer Alice weer eens aan de drank is. Want dàt is dus het eigenlijke onderwerp van deze zeer moraliserende film: wijzen op de verderfelijke invloed van alcohol. Voor ons niet gelaten, maar het enige waar je na deze meer dan twee uur durende film naar snakt is naar een frisse pint.
Vooral de bijeenkomsten van de AA-praatgroepen werken op de lachspieren. Telkens wanneer een spreker zich voorstelt, b.v. “I am Michael”, antwoordt de hele groep: “Hi, Michael!” In de voorstelling die ik bijwoonde, werd dit op de duur door de hele zaal meegebruld. Ik heb trouwens nog maar zelden meegemaakt dat een zaal op dergelijke manier zijn afkeuring voor een film liet blijken. Op het einde werd er hier en daar wel gesnotterd, omdat de scenaristen en producers Ronald Bass (auteur van andere tearjerkers als “The joy luck club”, “Rain man” en “Gardens of stone” en ook “Sleeping with the enemy” en “Black widow”) en Al Franken (zowaar van Saturday Night Live!) daar nu eenmaal naartoe hebben gewerkt (’t is tenslotte een Disney-product!), maar de overheersende indruk was toch: blij dat het gedaan is! Misschien daarom dat de aftiteling ook vermeldt dat het gebruik van de benaming A.A. niet wil zeggen dat de A.A. het ook eens is met deze film!
Het grote probleem is dat je als toeschouwer niet meegesleept wordt door het alcoholprobleem van Alice. Ze heeft een secretaressenbaantje op school en door de vele afwezigheden van haar echtgenoot-vliegenier zal het opvoeden van die twee kinderen wel niet makkelijk zijn, maar dat dit redenen zijn om zwaar uit de bocht te gaan, daar hebben de meesten het erg moeilijk mee. Als je daarvoor al naar de fles moet grijpen, dan heeft iederéén wel een reden! Er zijn b.v. geen relatieproblemen in het huwelijk van Alice en Michael, die komen er maar precies omwille van de drank. En, akkoord, Michael gedraagt zich af en toe wel eens paternalistisch, maar hier ook zou ik niet alle mannen een pint willen betalen die dat ook niet af en toe eens doen.
De in Mexico geboren Mandoki is internationaal bekend geworden met een andere tearjerker, “Gaby, a true story” (met Norma Aleandro, Liv Ullmann, Robert Loggia en Rachel Levin), over een gehandicapte, maar toen kwam het sentiment nog als oprecht over, nu is dit evenmin het geval als de humor in zijn tussenliggende film “Born yesterday”. “White Palace” was beter, maar dat lag ongetwijfeld méér aan Susan Sarandon dan aan Luis Mandoki! Voor al zijn films (dus ook voor “When a man”) deed Mandoki een beroep op Lajos Koltai, de Hongaarse cameraman die in zijn geboorteland vooral met Istvan Szabo samenwerkte.
Dat de titel van de film een steuntje in de rug zou kunnen zijn van euh u kent hem wel, van euh Percy, dat is meegenomen, maar ook dat is zeer overtrokken. Men krijgt het nummer eens bij de aanvang te horen en dan wordt het vlug vervangen door een aantal modernere hits zoals “Everybody hurts” van R.E.M. en natuurlijk ook weer door “My funny Valentine” van Rodgers en Hart, wat bij Amerikanen wellicht doorgaat voor klassieke muziek. Als er hier en daar dan nog een gaatje is, wordt dit opgevuld met een streepje Zbigniew Preisner, maar in tegenstelling tot zijn prachtige soundtrack voor “La double vie de Véronique” laat zelfs de Poolse componist het deze keer afweten.
Maar het dient gezegd, “When a man loves a woman” doorbrak een filmtaboe, nl.het alcoholisme bij vrouwen. De Hays Code verbood zowat vanalles, maar terwijl druggebruik b.v. niet in beeld mocht komen, werd er niets gezegd over alcohol, vandaar dit populaire thema zoals in “A star is born” met James Mason, “The country girl” met Bing Crosby of “Lost weekend” met Ray Milland. Gezellige dronkaards als Wallace Beery in “Ah Wilderness”, James Stewart in “Harvey”, Dean Martin in “Rio Bravo” en Dudley Moore in “Arthur” werden zelfs sympathiek voorgesteld (al was dat bij Moore een onmogelijke opgave).
Vrouwelijke dronkaards worden echter nooit grappig voorgesteld, merkte Julie Burchill terecht op in “The Sunday Times”: “I’ll cry tomorrow” en “Smash-up” tweemaal met Susan Hayward, “Under Capricorn” met Ingrid Bergman, “Key Largo” met Claire Trevor, “Something to live for” met Joan Fontaine, “Red sky at morning” met Claire Bloom, “A streetcar named desire” met Vivien Leigh, “Who’s afraid of Virginia Woolf?” met Elizabeth Taylor. Ze mochten wel af en toe eens een komische dronken scène spelen (Greta Garbo in “Ninotchka”, Leslie Caron in “Father Goose” en Katharine Hepburn in “The Philadelphia Story”), maar dan is dat juist omdat ze géén dronkaards zijn, integendeel, ze zijn dronken omdat ze niet tegen de drank bestand zijn. Vaak volstond zelfs één glas (tegen wie zegt ge’t!). De volgende scène is meestal dat ze wakker worden met de pyjamavest van de minnaar aan, duizend angsten doorstaan dat ze hun bloemetje zouden kwijt zijn, maar don’t worry, be happy: daar klinkt de bruiloftsmars reeds!
De voornaamste reden waarom alcohol bij vrouwen wordt afgekeurd is dan ook omdat ze er zo “mannelijk” door worden. Ze nemen het initiatief (ook en zelfs meestal: seksueel) en ze zijn niet langer onderdanig. Eigenlijk is de enige uitzondering van de sympathieke vrouwelijke dronkaard Lee Remick in “The days of wines and roses”, al is dat dan vooral omdat ze de hoofdpersoon Jack Lemmon probeert bij te houden. Op dat gebied is “When a man loves a woman” misschien een “revolutie”, zij het dat ik persoonlijk het personage van Meg Ryan niet erg sympathiek vind.
Maar terug naar Andy Garcia. Hij werd als Andres Garcia op 12 april 1956 geboren in Havana, maar in 1961, amper één jaar na de revolutie, toen hij dus vijf jaar oud was, waagde zijn familie de oversteek naar Miami. Zijn vader was in Cuba advocaat geweest, maar in Miami kwam hij met een catering-zaak aan de kost. Andres ging er naar de universiteit van Florida en debuteerde er ook in regionale theatergezelschappen, omdat hij ervan droomde om ooit eens James Bond te spelen en die vuile communisten ervan langs te geven.
In 1978 waagde hij de sprong naar Los Angeles, waar hij eerst o.a. als ober moet overleven in het Hilton Hotel. Daar doet hij dan wel contacten op om in het televisiecircuit (hij debuteerde in “Hill Street Blues”) terecht te komen. De overstap naar de film kwam er dankzij de vrouwelijke manager van een andere Cubaans-Amerikaanse acteur, Steven Bauer, die hem per se in bed wilde. Leve de emancipatie!
Op die manier belandde hij in 1986 in “The mean season” van Philip Boros, een film die zich in zijn “eigen” Miami afspeelde. Producer Stephen Roth was zo tevreden over Garcia dat hij hem datzelfde jaar de rol van drugkoning in “Eight million ways to die” van Hal Ashby bezorgde. Aangezien Ashby en scenarist Oliver Stone een keurige gangster (Garcia) wilden tegenover een drinkende politie-inspecteur (Bridges), werd de film in postproductie helemaal verknipt, zodat hij de mist inging.
Dat zag er dus eigenlijk niet zo best uit voor Garcia, maar Brian de Palma vroeg hem voor de rol van gangster Frank Nitti in “The untouchables” (1987). Ondanks het feit dat Garcia eigenlijk geen poot had om op te staan, vroeg hij De Palma toch om hem niet te type-casten als gangster, daarom kreeg hij de rol van politieman George Stone. Het betekende zijn internationale doorbraak. Toen was hij trouwens een opvallende verschijning op het Gentse filmfestival.
Ondertussen was Garcia, die zijn privé-leven angstvallig afschermt, in 1982 gehuwd met een zeker Marivi, waaruit in 1985 Dominik wordt geboren en in 1988 Daniela, eveneens een dochtertje. Dat jaar draaide hij ook “Stand and deliver” van Roman Menendez.
Nadien was hij ook nog te zien in “Black Rain” van Ridley Scott. Het was zijn eerste rol waarvoor zijn nationaliteit geen rol speelde.
Andy Garcia was te zien in “Black Rain” van Ridley Scott. Het was zijn eerste rol waarvoor zijn nationaliteit geen rol speelde. Hij was namelijk de jonge politieman die door Japanse misdadigers op uiterst brutale wijze werd omgebracht, waarna Michael Douglas hem gaat wreken. Het camerawerk was van Jan De Bont (*) en de muziek van Hans Zimmer.
Bij “Internal affairs” (1989) van Mike Figgis, waarin Andy Garcia de brave flik was die door zijn stoute collega Richard Gere de duvel wordt aangedaan (o.m. via zijn vrouw Nancy Travis), gaf Richard Gere reeds aan dat hij in zijn voetstappen zou treden (“In Garcia zag ik een perfect beeld van mijzelf zo’n tiental jaren geleden”).
Dat was nog niet zozeer het geval in “Stand and deliver” van Roman Menendez, het waar gebeurde verhaal van informaticaleraar Jaime Escalante (Edward James Olmos) die er in 1982 op de Garfield High School in Los Angeles in slaagde een klas van delinquenten en drugverslaafden (o.m.Lou Diamond Phillips) zodanig op te peppen dat ze uitblonken in wiskunde. Aangezien het collectieve succes (18 studenten) zo opvallend was, besloot de examencommissie (de aanwezigheid van Garcia moest verdoezelen dat het hier een racistische ingreep betrof) echter dat er bedrog werd gepleegd en moesten ze het examen overdoen. Dat bleek echter nogmaals een succes dat in 1987 al gegroeid was tot 87 geslaagden!
De echte doorbraak voor Andy Garcia kwam er echter in 1990 toen hij een oscar en een golden globe als “beste mannelijke bijrol” (m.i. was dit echter een understatement) kreeg voor de rol van Vincent Mancini, de onwettige zoon van Michael Corleone’s overleden broer Sonny (personage destijds vertolkt door James Caan), in “The Godfather III”. Hij had daarvoor o.a. Matt Dillon, Val Kilmer en Kevin Anderson moeten opzij zetten.
Op het einde van de film wordt hij als nieuwe Godfather gehuldigd, na Marlon Brando, Robert de Niro en Al Pacino, drie acteurs waarvoor Garcia een grote bewondering koestert. Voor Garcia is een “part four” dus een grote betrachting, voor mij hoeft het echter niet meer. Voor Francis Ford Coppola al evenmin, voor hem is het Godfather-verhaal definitief afgelopen met de dood van Michael Corleone, maar als hij weer eens in geldnood zit, weet je nooit. Hij heeft trouwens zelf reeds gezegd dat het dan meer op “Richard III” dan op “King Lear” zou gaan lijken.
Na “The Godfather” was Garcia te zien in “Dead again” van Kenneth Branagh, zijn verbluffendste acteerprestatie wat mij betreft als de oude kettingrokende journalist die aan keelkanker ten onder gaat. De manier waarop hij een sigaret rechtstreeks tegen het buisje in zijn strottenhoofd plaatst vind ik nog altijd de beste reklamespot tegen het roken.
Zijn volgende film was “(Accidental) Hero” in een regie van de Engelsman Stephen Frears. Dustin Hoffman speelt hierin de rol van een gepatenteerde misantroop, die getuige is van een vliegtuig-crash en ondanks alles zijn leven riskeert om 54 passagiers te redden. Hij wil echter liever niet beroemd worden en daarom geeft een dakloze, gespeeld door Andy Garcia, zich uit als de heroïsche redder. Als er echter ook een prijsticket aan vastkleeft, komt Hoffman tot andere ideeën. Geena Davis is in deze film een TV-journaliste die ook werd gered en tracht uit te vissen wat er werkelijk is gebeurd.
Op die manier wordt de film een komische parodie op de Amerikaanse behoefte aan helden en de manier waarop de media aan die behoefte voldoen. Vooral als blijkt dat de “slechte” het geld heeft gebruikt voor goede doeleinden (zijn collega-daklozen). Vandaar trouwens dat de oorspronkelijke titel “Hero” wegens marketing-doeleinden in “Accidental hero” moest worden gewijzigd en dat men een ander slot moest draaien. Het mocht echter niet baten: de film flopte in Amerika. Men lacht daar niet straffeloos met helden! Het scenario was van D.W.Peoples (“Unforgiven”) en de muziek van George Fenton.
De invloed van “Silence of the lambs” was duidelijk voelbaar in “Jennifer eight” (1993), waarin Andy Garcia een opgebrande politieman uit Los Angeles speelt, die in een klein dorpje (Eureka!) hoopt te kunnen uitblazen. Maar uitgerekend dààr raakt hij verstrikt in een reeks moorden, waarvan de eerste een Jennifer was. Uma Thurman is de mooie, blinde, jonge vrouw die het achtste slachtoffer dreigt te worden. Met John Malkovich als de FBI-agent, die een tijdlang Garcia verdenkt. Bruce Robinson (ook auteur van “The Killing Fields”) schreef en regisseerde.
Als actieve tegenstander van Castro had Andy Garcia reeds in 1990 een film over de Cubaanse revolutie gepland naar een scenario van Guillermo Infante en met Steven Bauer als zijn broer en Anthony Quinn als zijn vader, maar hij werd door “Havana” van Sydney Pollack in de wielen gereden. Daarom is het pas in 1994 dat hij uitpakt met een eerste eigen film: “Cachao… como su ritmo no hay dos” (Cachao, zoals zijn ritme zijn er geen twee). Het is een documentaire over Israel “Cachao” Lopez, een legendarische Cubaanse bassist en componist, die aan de oorsprong zou liggen van de mambo. Je weet wel, dat ritme waarop de Cubaanse arbeiders “Trabajo si, mambo no” scanderen!
In “Night falls on Manhattan” van Sidney Lumet uit 1997 speelt hij een onervaren District Attorney die achter corrupte politiemensen aangaat. The story is loosely based on the real-life case of Larry Davis, a drug dealer who shot six cops but was acquitted (with William Kunstler as his lawyer) after charging that the police were trying to kill him because they were involved in the drug trade. The Manhattan district attorney, Robert Morgenthau, was also nicknamed “Morgy” (bij Lumet is het Morgenstern, gespeeld door Ron Leibman).
De misdaadkomedie “Ocean’s eleven” van Steven Soderbergh uit 2001 is natuurlijk een remake van de fameuze “Rat Pack”-movie en heeft dan ook een all star cast: George Clooney is Danny Ocean, Julia Roberts is zijn vrouw Tess, en bij de “eleven” vinden we o.a. Brad Pitt en Matt Damon. Andy Garcia is dan weer de Tegenstander: Terry Benedict, een zware jongen die het geld uit zijn casino’s in Las Vegas niet zo maar uit handen zal geven.
Drie jaar later speelt Andy Garcia de titelrol in de film van Mick Davis uit 2004 over de Italiaanse kunstschilder en beeldhouwer Amedeo Modigliani (1884-1920). Met name gaat het over zijn tragische romance met Jeanne Hébuterne (rol van Elsa Zylberstein) en zijn rivaliteit met Pablo Picasso (Hippolyte Girardot).
Op vrijdag 16 oktober 2009 was Garcia te gast in Kinepolis om daar de film “City island” voor te stellen. Hij was vergezeld van zijn dochter Dominik, die eveneens in de film te zien is.

Ronny De Schepper

(*) De man die zich voor de reeks documentaires over de Nederlandse filmgeschiedenis door Jeroen Krabbé in het Engels liet interviewen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s