Vandaag is het 45 jaar geleden dat Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam. Hij woont en werkt nu in New York.

Grunberg debuteerde in 1994 met “Blauwe Maandagen”. Zijn oeuvre omvat zulke uiteenlopende genres als proza, toneel, essay, poëzie, reportage, column en blog.
De werken van Grunberg werden veelvuldig vertaald en bekroond met literaire prijzen in binnen- en buitenland, waaronder de AKO Literatuurprijs, de Gouden Uil, de Libris Literatuur Prijs en de Constantijn Huygensprijs.
Op 19 oktober 2011 ontving Grunberg in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) de vijfjaarlijkse prijs voor proza voor zijn roman Tirza.
In de roman Tirza (2006) vertelt Arnon Grunberg op magistrale wijze (aldus het juryrapport) het aangrijpende verhaal van Jörgen Hofmeester die, ondanks een zekere welgesteldheid, vrijwel alles wat betekenis voor hem had verloren heeft: zijn vrouw, zijn werk, een deel van zijn fortuin. Hij voelt zich overbodig en houdt zich alleen nog staande door zich te vereenzelvigen met ‘vader’ te zijn van zijn oogappel en ‘bestaansrecht’ Tirza. Als dat vaderschap bedreigd wordt door haar allochtone vriendje groeit een obsessieve haat die voor iedereen catastrofaal afloopt. Grunberg heeft met deze aangrijpende en confronterende roman, waarin het demasqué van de angstvallige burger tot uiting komt, zijn meesterschap en zijn unieke plaats binnen de Nederlandstalige literatuur bevestigd. Daarom wordt hem de vijfjaarlijkse Prijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor proza (periode 2006-2010) toegekend.
BLAUWE MAANDAGEN
Het was passend dat ik drie jaar geleden “Blauwe maandagen”, het debuut van Grunberg, éérst heb gelezen. Het was immers ook “mijn” Grunberg-debuut, want, op een paar columns in Humo na, had ik nog niets van deze veelbesproken auteur gelezen. Die columns waren voor mij alvast geen meevaller, want anders zou ik ze uiteraard wel iedere week lezen. En die debuutroman valt mij ook niet echt mee. Dat joodse zelfbeklag en het puberale coma-zuipen is niet echt aan mij besteed. Op de achterflap wordt het boek aangeprezen als een “onderhoudend en soms hilarisch verhaal over de relatie tussen een jongeman en een prostituée, dat uiteindelijk een vertederende indruk nalaat bij de lezer”. Dat vind ik wel een leuke, zij het gevleide, samenvatting. Want het mocht dus iets meer hilarisch en iets minder “joods” zijn (waar is de tijd dat “joods” nog voor humor à la Woody Allen stond, de laatste tijd staat het eerder voor zure oprispingen van “Joods Actueel”!). Maar dat het dronken gerotzooi met callgirls als “vertederend” wordt afgedaan, vind ik fantastisch. Want, ach ja, het is toch allemaal maar literatuur, nietwaar…?
TIRZA
Daarna heb ik me echter op “Tirza” gestort, want de reclame die daaraan voorafging kon niet worden genegeerd. En dan heb ik het niet eens op de lovende bewoordingen die gretig op de achterflap worden herhaald. Nee, de 24ste druk (die ik gelezen heb) op minder dan drie jaar tijd, dat kan toch niet worden geloochend?
En toch begrijp ik er niks van. Ik vind “Tirza” van hetzelfde gezeur als “Blauwe maandagen”. Al heeft het duidelijk meer ambitie. Zo doet de passage over walging als “het toppunt van intimiteit” (p.58) natuurlijk aan Jean-Paul Sartre denken. (Op p.140 komt Sartre zelfs letterlijk ter sprake.)
Maar mij deed het boek ook nog aan iets anders denken. Puur toevallig had ik net daarvóór immers “School nummer één” gelezen van Pierre Platteau. Hierin worden we ook geconfronteerd met een echtgenoot met losse handjes. Er is echter ook een groot verschil. Platteau beschrijft het voorval vanuit het standpunt van een kind (hijzelf dus) en dan voel je niks dan weerzin voor de krankzinnige sadist die ten tonele wordt gevoerd. Grunberg beschrijft het echter vanuit het standpunt van de man (overigens een veel “keuriger” man dan de fascistische vader van Pierre Platteau) en meteen wordt een soort van begrip mee onder de deur geschoven. De vrouw is immers van het soort dat zonder iets te zeggen stopt met de pil te nemen en je dan op een ochtend confronteert met de mededeling dat ze zwanger is. Nu blijkt dit achteraf voor de man (Jörgen Hofmeester) een zegen te zijn (zij het eerder zijn tweede dochter, Tirza, dan de eerste, Ibi of Isabelle), maar je zal toch maar op zo’n manier in de zak worden gezet! Maar goed, zelfs dan nog heb je de neiging van te zeggen: toch handjes thuis houden, man! (Zeker omdat ook Grunberg net op het einde het standpunt eveneens “switcht” naar Tirza.)
Nog griezeliger dan de (relatieve) sympathie die zo’n man opwekt, is het feit dat in beide gevallen er een relatie is met seksualiteit. Bij de vader van Platteau komt het verdacht dicht in de buurt van “onecht” SM (ik heb het daar ter plaatse uitgelegd), hier is het blijkbaar de enige manier om Hofmeester tot enige seksuele activiteit aan te sporen: “Geef me nog een oorvijg. Maar niet zo zachtjes. Zoals vroeger. Dat is toch de enige manier waarop je het kunt. Je kunt het toch niet anders. Pas als je slaat zeg je: ‘Ik houd van je.’ Zeg het!” (p.73-74)
Door het gebruik van de imperatief zitten we hier ook weer in de SM-sfeer, maar aangezien het degene die geslagen wordt is die beveelt, is er duidelijk toch ook weer een verschil. Al maken de twee voorbeelden duidelijk dat het een zeer ingewikkelde materie is…
En in “Tirza” wordt het alvast nog ingewikkelder. Wanneer de vrouw haar man na al die jaren weer tracht te verleiden, trekt ze het mini-jeansrokje van Ibi aan, waarmee deze destijds door de huurder van de bovenverdieping werd geneukt, en gedraagt ze zich hoerig om daarmee een portie billenkoek te “verdienen”. En dan schrijft Grunberg: “Het spel kan doorgaan alsof het nooit is opgehouden. Alsof het al die jaren gewoon is doorgegaan.” (p.154, vetjes van mij)
Voortdurend hangt er dreiging in de lucht. Of het nu racisme of terrorisme (*) is. Of anorexia of incest. Unheimlichkeit. Ik word er ongemakkelijk van bij het lezen. Misschien is dat wel Kunst? Al jaren buigen vele geleerde koppen zich over de vraag: wat is Kunst? Wel, misschien maakt Kunst ongemakkelijk.
Dan toch maar liever zonder. Daarmee bevind ik me trouwens in het goede gezelschap van Lev Tolstoï (p.424)…
FANTOOMPIJN
Dan heb ik Grunberg enkele jaren laten liggen, want zoals je kan zien: vreselijk opgewonden geraakte ik niet van zijn lectuur. Maar door omstandigheden ben ik in december 2018 dan toch maar aan “Fantoompijn” begonnen, waarmee hij in 2000 de AKO Literatuurprijs heeft gewonnen. Nu, hier bereikt het gezeur nog grotere hoogten dan in voornoemde werken. Eigenlijk weet ik niet hoe ik het tot het einde heb uitgehouden. Misschien omdat ik mezelf een soort van spelletje had voorgehouden om een letterlijke verklaring van de titel in het verhaal terug te vinden. Ben ik toch even onoplettend geweest? Maar ik ben het bij mijn weten nooit tegengekomen. Toch heb ik wel degelijk een citaat genoteerd (op p.233). Het wordt in de mond gelegd van “de sprookjesprinses” (zie verder) en gaat als volgt: “Jij begrijpt niets van de mensen (…) jij hebt mij nodig om ze te begrijpen, of je moet ze helemaal uithoren en uitmelken, voor je ze kan begrijpen, maar op eigen kracht begrijp je ze niet – daarom ben je eigenlijk ook een slecht schrijver. Al jouw woorden, al jouw formuleringen, die zogenaamde briljante stijl kan niet verhullen dat je niets van emoties begrijpt, dat je niets van emoties wilt begrijpen.”
Nou, dat vind ik nu eens de perfecte omschrijving van de boeken van Grunberg, zie. Het spreekt dan ook vanzelf dat ik het totaal niet eens ben met de recensie van NBD Biblion op de website van “de Bib”. Ik geef ze hier enkel weer als “kapstok” om toch iets te onthouden van dit boek, want anders is het allemaal weer “um sonst” geweest. “Robert G.Mehlman kan met recht het prototype van een mislukt schrijver genoemd worden. Zijn bibliografie, afgedrukt achterin deze roman van Arnon Grunberg, omvat 14 titels waar bij de meeste wordt vermeld: niet meer leverbaar. Alleen van ‘De Pools-joodse keuken in 69 recepten’ zijn inmiddels 34 drukken verschenen. (…) Het tragikomische verhaal valt uiteen in drie gedeelten, waarvan het tweede, ‘Robert G.Mehlman’ getiteld, verreweg het omvangrijkste is. Mehlman, geboren in Amsterdam, woonachtig in New York (elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval), maakt van zijn leven een totale puinhoop: zijn huwelijk met ‘de sprookjesprinses’ (een therapeute die met krankzinnigen werkt, RDS) is een aaneenschakeling van bizarre scènes. Hij verslijt een aantal vriendinnen, teert op de voorschotten van boeken die nooit verschijnen en heeft uiteindelijk succes met een boek dat hij niet had willen schrijven en waarvan hij de inhoud heeft overgeschreven uit de aantekeningen van een oude joodse vrouw.” Next!

Ronny De Schepper

(*) Al zal dat met het extremisme die vrijer van Tirza nog wel meevallen. Bij de kennismaking stopt Hofmeester hem immers een glas kir in de hand en aangezien hij niet protesteert, mogen we aannemen dat hij het braaf heeft leeggedronken… (in de filmversie van Rudolf Van Den Berg uit 2010 is dit foutje wel hersteld). Overigens noemt Hofmeester deze jongen voortdurend Mohammed Atta, maar of dat allemaal zo letterlijk te nemen valt, is niet helemaal duidelijk, als men ziet dat hij op p.176 de elfde september associeert met de val van de Muur…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.