Het is weer tijd voor het Chinese nieuwjaar, het “grootste feest ter wereld”, zoals ik onlangs ergens las. Zoals je wel weet, staat elk jaar in het teken van een dier in China. Ik weet niet welk dier het dit jaar is, maar 65 jaar geleden was 1951 het jaar van het konijn. En dat was toch wel erg toepasselijk, want in datzelfde jaar werd ook ik geboren en ik heb toch altijd al een speciale voorliefde gehad voor deze langorige viervoeter…

In januari ’75 kochten we in Ledeberg zes jonge konijntjes, die alle een componistennaam meekregen (Rossini, Mozart, Verdi enz.), maar die binnen de kortste keren overleden aan coccidiose. Daarna kochten we een groot wit konijn, dat als naam Bach meekreeg om nu eens eindelijk voor een boel nakomelingen te kunnen zorgen! Voor alle zekerheid is het zwarte teefje dat we hem als gezelschapsdame kochten al drachtig. Eind februari werden er uit deze worp drie zwart-witte, drie pikzwarte en één donkergrijs konijntje geboren. Vanaf dan had naamgeving geen zin meer.
Einde maart wierp het moertje immers reeds een eerste nest, waarvan Bach de stamvader was. Twee bruine en acht van vuilwit tot lichtgrijze konijntjes waren het resultaat.
Ondertussen hadden we ook een koppel cavia’s gekocht, die eveneens een eerste nest had gehad: drie kleintjes die net als de ouders varieerden tussen zwart-bruin en wit-zwart-bruin.
Half april liet ik de dieren vrij in de ommuurde tuin lopen. Tot dan toe liepen ze vrij in de afgespannen veranda, waarin ook nog twee parkieten en vier kanaries zaten… tot ze konden ontsnappen. Vanaf dan was het zeker onbegonnen werk om het kweken bij te houden, daar dit voortaan ondergronds gebeurde.
Aangezien het rond die tijd ook Pasen was, hadden we zestien kuikentjes tot jonge haantjes opgekweekt. Deze hadden als ze opgroeiden de onhebbelijke gewoonte om over de daken van de buren te wandelen. Toch bracht dit geen problemen met zich mee, integendeel daardoor werden we zelfs bevriend met een koppel, een paar huizen verder.
Als we in 1977 opnieuw naar Sint-Niklaas verhuisden (en de dieren hadden ondergebracht bij een overbuur) moesten we wel onze waarborg laten vallen omdat de tuin helemaal om zeep was. Fair deal.
Toen Gaby later als houdster van een postkantoor dat ondertussen is verdwenen ook de opdracht kreeg om de totaal verwaarloosde tuin die erbij hoorde weer op te knappen, stelde ik voor om er – het voorbeeld van Ledeberg indachtig – twee konijnen op te zetten. Aangezien mijn laatste konijnen (op mijn appartement!) Elvis en Blondie heetten (de namen waren door mijn kinderen gegeven en Elvis verwees in die tijd dus niet naar de King maar naar Elvis Costello), wilden we ook starten met respectievelijk een zwart en een wit konijn met die namen. Gaby zag de “wonderbaarlijke vermenigvuldiging” van de konijnen echter niet zitten en stond erop dat het een lesbisch koppeltje zou worden. Wat kon ik daar nu tegen hebben? En daardoor werden het dus Geena Lisa en Blondie.
Blondie schrok zich echter tamelijk vlug letterlijk dood toen zij verwikkeld raakte in een omgevallen struik (die ze nota bene zelf hadden uitgegraven). Aangezien ik deze labiele reactie weet aan het feit dat witte konijnen onnatuurlijke “salonkonijnen” zijn, kochten we deze keer op de beestenmarkt een stevig beest met een typische vaalbruine pels. Daar het zwarte konijn in de praktijk kortweg “Lisa” werd genoemd in plaats van “Geena Lisa”, werd dit dan Geena.
Alhoewel ze ruimschoots seksuele genoegdoening bij elkaar vonden, kwamen er uiteraard echter geen kindjes van en dat frustreerde me toch een beetje. Daarom kon ik Gaby overhalen om er ook een koppel cavia’s bij te halen en dan een écht koppel, zodat er wel degelijk kon gekweekt worden. Dat werden dan Charel en Marie. Charel dankt zijn naam aan zijn indrukwekkend materiaal dat door de verkoper op onze vraag trots werd getoond. Marie vonden we gewoon een bijpassende naam. Deze eerste Marie was echter veel te jong om los te lopen en werd dan ook een vogel voor de kat. Of beter gezegd: een cavia voor de kat. De week nadien reeds kochten we een tweede Marie.
Het kweken ging echter niet zo vlot als we dachten. De katten uit de buurt maakten de hof immers voortdurend onveilig. Uiteindelijk besloten we het koppel op te sluiten in de stal opdat er toch “iets” zou kunnen uit groeien. En dat “iets” dat werd dan Bolleke, zo genoemd omdat Gaby het uit haar handen liet vallen en het met zijn bolleke tegen de rand van een emmer terecht kwam. Even dachten we dat het ermee gedaan was, maar uiteindelijk leefde Bolleke nog lang en gelukkig daarna.
De volgende worp was een nest van zes kleintjes, zij het dat eentje bijna onmiddellijk na de geboorte is gestorven. De vijf anderen groeiden op en werden bijna allemaal stevige knapen. Zo was er “den Beatle”, die om een onverklaarbare reden lang zwart haar over zijn achterste hangen had. Dat onderscheidde hem van “Bruin Gat”, die er voor de rest hetzelfde uitzag, tenzij dat zijn haar achteraan dus kort en bruin was. Little Joe werd zo genoemd omdat hij eruit zag als het paard van de figuur uit Bonanza, maar later bleek dat hij het enige meisje was uit de hoop. Hij werd dus omgedoopt tot Little Jo. Ook Slap Oorke onderging een transformatie. De naam Slap Oorke sloeg op het feit dat hij een oor zonder haar had, wat de indruk wekte dat het een beetje slapjes was, maar dat was een valse indruk. Slap Oorke zou zich later immers ontwikkelen tot “de Nieuwe Baas”, dat wil zeggen: vroeger gebeurde er niets, vooraleer Charel daar zijn toestemming voor gaf. Hij kwam als eerste eten en na hem kwamen dan de anderen enzovoort. Tot Slap Oorke groot genoeg was en Charel een pak rammel verkocht. Van dan af sleet Charel een rustige ouwe dag als anonymus binnen de bende. Een groter slachtoffer van Slap Oorke was echter “de Gebetene”, al wijst zijn naam erop dat het bijten door de anderen al moet begonnen zijn, vooraleer Slap Oorke het commando nam. Maar het is wel zo dat de Gebetene lange tijd moedig weerstand heeft geboden, maar uiteindelijk heeft hij (mede door de koude, zijn haar was namelijk bijna allemaal uitgerukt) toch het loodje moeten leggen.
Dat was al in een periode dat er een redelijke stabiliteit in de groep was gekomen. Ze deden met andere woorden zelf aan geboortebeperking. Hoe dat precies in zijn werk ging, weten we niet echt (want de vrouwtjes zijn uiteraard nog geregeld drachtig) en dat kwam omwille van de volgende reden. Ondertussen was immers dan toch door de post zelf een tuinier aangesteld die de tuin moest onderhouden. Op aandringen van het personeel dat erg gesteld was op de dieren en dagelijks eten meebracht en zo, stemde hij ermee in dat de beesten in de tuin mochten blijven zitten, maar dat maakte dan wel dat er voor hem geen werk was, tenzij het hakselen van een hoop snoeihout, die ik achterin de tuin had opgestapeld. Dat hakselen bleef echter uit, zodat ik na verloop van tijd het hout heb versleept naar een serre die in de tuin stond. Aangezien ik in de zomer begon te vrezen dat het droge hout door de zon op het glas van de serre vuur zou vatten, heb ik die glazen dan “gewit”. Bovendien hadden de konijnen ondertussen alweer zo’n struik uitgegraven, die ik eveneens in de serre heb gestoken, zodat je daar nu niet meer binnen kon en wegens het “witten” kon je ook niet zien wat er daar gebeurde. Maar ze zaten er blijkbaar wel veilig voor de katten.
Wat er echter eveneens binnenzat, was een reusachtige spin. Enfin, toch een grote spin, maar in mijn verbeelding was die ondertussen al uitgegroeid tot een reusachtige spin, daar ik vermoedde dat die de lijkjes van aan hun lot overgelaten caviaatjes rustig kon uitzuigen. Want dat was de enige verklaring die we voor de geboortebeperking konden vinden: dat de vrouwelijke cavia’s niet meer omkeken naar hun worp, zodat die eigenlijk “post factum” wordt “geaborteerd”. Met de nodige uitzonderingen natuurlijk, zodat Claudine (één van de personeelsleden) op een bepaald moment besloot een inventaris te maken.
Buiten de reeds genoemden waren dat dan Laurel en Hardy, zo genoemd omdat ze altijd samen waren, al waren het wellicht wel twee meisjes. Laurel zag er van vacht uit als Charel (bontgekleurd), terwijl Hardy ook weer praktisch volledig zwart was. Daarna volgde Michael (zwart), zo genoemd omdat hij geboren is rond dezelfde periode als mijn kleinzoon. Vervolgens was er Snoopy (zwart), die mij op een bepaald moment de schrik van mijn leven bezorgde. Bij het voederen viel hij immers letterlijk van zijn poten van slapte. Ik dacht dat hij het niet zou halen, maar volgens Claudine kwam hij er later door.
De twee allerkleinsten waren Marouf (opnieuw zwart) en Witje (dat spreekt voor zichzelf). We waren eigenlijk altijd bang om kleintjes een naam te geven, want soms gebeurde het dat ze toch nog “verdwenen” (zij het dus niet meer door de katten). Ik kom terug bij mijn theorie van het “veronachtzamen” en het voorval met Snoopy bevestigde dit zelfs, vond ik. Wellicht moesten die kleine cavia’s ook nog moedermelk drinken en konden ze niet overleven van vast voedsel alleen. Tenzij ze dus sterk genoeg waren. “The survival of the fittest”, jawel!
Een maand later stierf Snoopy terwijl we juist eten kwamen brengen. Aangezien hij vooraan in de konijnenpijp lag en hij de indruk wekte dat zijn ruggengraat gebroken was, hielden we er rekening mee dat hij vertrappeld werd door de konijnen (hij was immers al zo slap). Overigens, voor wie sentimentele voorstellingen heeft van de dierenwereld, tijdens zijn laatste minuten keek geen enkele cavia naar hem om. Ook Marie, Bolleke en zelfs Charel vertoonden toen kale plekken, op dat moment dachten we nog dat het van het vechten was, maar als tien maanden later ook Charel bezweek, enige tijd nadien Marie en nog een aantal anderen, dan was het duidelijk dat de haaruitval op een ziekte wees. Charel was in een hoekje van de stal gekropen en daar is hij eenzaam in de kou en de kilte gestorven. Aangezien het vooral de oudsten waren die door de ziekte worden getroffen, beweerden sommigen dat het gewoon “de ouderdom” was, maar ik dacht van niet. Zó oud waren zelfs Charel en Marie niet, laat staan een aantal van hun kinderen. Ik dacht dus eerder aan een ziekte en, wat nog erger was, een besmettelijke. Als mogelijke oorzaak zag ik de karkassen die her en der moesten verspreid liggen in de ontoegankelijke serre. (Vandaar allicht dat Charel in dat hoekje is gaan creperen: de andere schuilplaatsen waren wellicht al “bezet”.)
Er bleven dan nog acht cavia’s over, al hadden wij er de laatste tijd slechts zes gezien. Door het feit dat het vooral de oudsten waren die gestorven zijn, zijn de overlevenden meestal “naamloos”. Witje moest op dat moment zowat de ouderdomsdeken zijn. Van de “eerste generatie” was er ook nog Bruin Gat, maar die hebben we al een tijdje niet meer gezien. Anderzijds was één van de overblijvers wel zwanger (want neuken doen ze blijkbaar totterdood) en we waren benieuwd of de kleintjes nu een kans kregen om op te groeien, nu ze opnieuw met zo weinig zijn. De konijnen van hun kant stellen het, ondanks het hondenweer dat de hof al wekenlang in een modderpoel heeft herschapen, goed.
Uiteindelijk zijn de cavia’s kort daarna uitgestorven. Al een hele tijd waren ze amper met vier meer en alhoewel het twee mannetjes en twee wijfjes waren, werden er geen kleintjes meer grootgebracht. De voornaamste doodsoorzaak was dus een besmettelijke ziekte waarbij ze hun haar verliezen. Dat heeft ook gemaakt dat ze de (nochtans zachte) winter niet zijn doorgekomen. Het langste heeft Bruin Gat het nog uitgezongen. Hij was immers door het andere mannetje (den Beatle? van zijn lang haar was niet veel meer te zien) verjaagd en precies daarom ontsnapte hij blijkbaar aan die ziekte. Maar anderzijds had hij ook niemand om zich aan te verwarmen. Hij probeerde het bij de konijnen, maar die keken nauwelijks naar hem om. Als ze zat te eten, kon hij wat onder Geena kruipen, maar van zodra ze begon rond te huppelen, kon hij niet meer volgen…
Lang heeft Geena zelf ook echter niet meer rondgehuppeld. Zij kreeg in het voorjaar artritis, waardoor ze het steeds moeilijker kreeg om zich te verplaatsen. Uiteindelijk is ze er in de zomer ook aan gestorven. Toevallig op het moment dat er beslist werd in het kantoor een beveiligingsinstallatie te plaatsen, zodat het niet zeker was of we nog wel in de tuin zouden kunnen om de beesten eten te geven. Het sprak dus vanzelf dat Lisa geen derde partner zou krijgen.
Toen in augustus 2005 de alarminstallatie in werking werd gesteld, mocht Lisa met toestemming van hogerhand blijven zitten, maar in december van datzelfde jaar dreigde een buurvrouw ermee de Post aan te klagen voor dierenmishandeling, zodat Lisa (overigens kerngezond, die hysterische buurvrouw had geschreven dat ze net als Geena verlamd was) een dag vroeger werd binnengehaald dan voorzien. Want, inderdaad, toevallig wilden we haar precies die week naar een kinderboerderij sturen. De Post had immers medegedeeld dat de tuin zou worden opgeknapt en dat Lisa moest verdwijnen. Maar uiteindelijk heeft het kantoor dus de deuren gesloten nog vóór die tuin onderhanden werd genomen…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.