Het is al tien jaar geleden dat de Gentse kursiefjesschrijver Prosper De Smet is overleden, toen hij tijdens een van zijn legendarische fietstochten door een auto werd gevat. In 1999 gaf hij zichzelf een dichtbundel ten geschenke voor zijn tachtigste verjaardag, die hij mij – met de fiets – aan huis kwam voorstellen. Het werd de aanleiding voor een aangenaam gesprek.

In de jaren vijftig was hij tot het besluit gekomen dat zijn poëzie niet goed genoeg was. Veertig jaar lang beperkte hij zich tot proza, maar enkele jaren geleden begon de muze van de poëzie hem opnieuw te kietelen. “Gekke gedachten, stille gepeinzen” is het resultaat.
Aangezien de bundel ook een kleine keuze uit zijn jeugdwerk (1935-1945) bevat, kunnen we vaststellen dat er niet zo heel veel verschil is tussen Polke Pluim, zoals hij zich toen liet noemen, en P.Pluym, waarmee hij nu zijn wekelijkse column in de krant “De Morgen” ondertekent.
Begonnen als letterzetter bij “Vooruit”, begon hij in 1953 ook de lay-out te verzorgen van de politieke bladen die op dezelfde persen werden gedrukt. Daar hij ook reeds humoristische bijdragen schreef voor het personeelsblad “Cicero” (de breedte van de kolommen werd in die maat uitgedrukt) werd hij middenin een Ronde van Frankrijk opgevorderd om een cursiefjesschrijver te vervangen, die het liet afweten. Zo werd de rubriek “ernst en luim met Polke Pluim” geboren.
Aangezien zijn stukjes aansloegen bij de lezers, kreeg hij in 1960 een dagelijks rubriekje op de regionale bladzijden (“tegen 50 fr. per dag, pas vanaf De Morgen ben ik behoorlijk betaald”), terwijl hij bleef werken als letterzetter. Hij “krabbelde” zijn stukje dagelijks bijeen tijdens de lunchpauze op een blad dat uit een ruitjesschrift was gescheurd (“precies de juiste lengte”) en het kreeg dan ook de toepasselijke naam mee “in de krabbel”.
“In het begin had ik vooral succes bij de huisvrouwen, omdat ik vaak over mijn kinderen en later over mijn kleinkinderen schreef. Omdat dit rubriekje een ernstiger toon aansloeg dan wat ik op de sportbladzijden schreef, veranderde ik de ondertekening in P.Pluym, waarbij de P. ook voor Prosper kon staan, maar de mensen bleven mij Polke noemen.”
PALEISREVOLUTIES
Toen in 1978 een opvolger werd gezocht voor Louis Paul Boon was hij reeds zo populair dat hij zonder discussie de aangewezen man was. “Ik krijg nu vaak mensen over de vloer die mij zeggen: u was toch wel erg fier dat u Louis Paul Boon mocht opvolgen? Maar ik was even populair als Louis. De mensen noemden ons meestal in één adem: Boontje en Pluimke. Dat was dus de normaalste zaak ter wereld.”
Toen de socialistische Vooruit in 1978 opging in de progressieve Morgen werd hij werd niet weggecensureerd, zelfs nog tot 1990 bleef zijn rubriekje dagelijks verschijnen. “De lezers hebben mij altijd gered. Dat was al zo van in het begin toen het nog op de sportbladzijden verscheen en de toenmalige hoofdredacteur Roger Cneut het soms liet vallen. Op die manier heb ik vijf paleisrevoluties overleefd!”

Toen hij met pensioen ging, werd het na verloop van tijd herleid tot een wekelijkse bijdrage. “Eerst verscheen het nog drie keer per week, maar aangezien er geen vaste plaats meer voor voorzien was, gebeurde het dat het slechts twee keer verscheen of zo. Toen ben ik eens naar de redactie gestapt en hebben we afgesproken dat het nog slechts wekelijks zou verschijnen, maar dan wel op een vaste plaats. Dat is nu op de opiniebladzijde, wat ik eigenlijk wel een beetje jammer vind, want ik vermijd juist controversiële onderwerpen.”
Ondertussen had hij zich (“tijdens de weekends”) ook vol overgave op de literatuur (vaak in eigen beheer uitgegeven) gesmeten. Zo zijn er de romans “De ontploffing” (1957), “In het partijlokaal”, “De Griek op het vliegveld van Herrenhausen”, “Het geweer zonder kogels” en “De verzoening” (1990), het toneelstuk “De ondernemingsraad” en het verhalend gedicht “Aan de voet van ’t Gravensteen”.
Zijn bekendste werk is ongetwijfeld “Oproer in het weeshuis” (1985) over zijn verblijf bij de “kulders”, in het weeshuis. Niet dat hij een wees was, maar toen zijn vader (eerst dokwerker, nadien klusjesman in een fabriek) jong stierf, werd hij door zijn moeder, die zelf ook op een pantoffelfabriek werkte, daar naartoe gestuurd.
MUZIEKBARBAREN
Maar terug naar de poëzie…
Zoals men kan veronderstellen bij een bundel die “Gekke gedachten, stille gepeinzen” heet, valt hij uiteen in verschillende delen. Maar het zijn er meer dan twee…
Eerst zijn er wel de “gekke gedachten”: over hoe hij bij de fanfare pas derde bugel was en hoe hij zich nu nog altijd zo klein voelt in de fanfare van het leven. Al droomt hij in een volgend vers (naar aanleiding van een schilderij in de winterzon) al meteen dat “de mooiste vrouw” aan zijn voeten knielt om “haar zoetste zonden” te biechten. Het slotvers van alweer het daaropvolgende gedicht vat deze tegenstelling netjes samen: “grootse plannen smeden: ik ga het al verslaan! – en ’s avonds is er niets gedaan”.
Prosper De Smet heeft nog altijd het naïeve engagement van de eerste socialisten (“Gebed”), al zijn daar soms vreemde wensen bijgekomen: “geen voetbal meer spelen” bijvoorbeeld! (Ook in “Aan de waterkant”, waaruit het fragment boven dit stuk komt, komt het voor naast “dolgedrugde dronken scharen” die “muziekbarbaren bejubelen”.)
Soms komt er uit die naïviteit wel een mooi beeld voort. Verwijzend naar het tweespalt tussen mensen die zo zorg dragen voor hun huisdier, maar amper mensen met een andere huidskleur kunnen velen, merkt hij op dat het toch veel beter zou gaan als deze ook “braafjes aan de leiband (zouden) lopen” en “als ’t gevraagd wordt pootjes geven”.
Anderzijds kan de vermenging van beeldspraak soms tot minder geslaagde wendingen aanleiding zijn. Hoe zou hij anders kunnen treuren: “wit-zwart was in mijn tijd de cinema en nu is ’t allemaal in kleuren”? (een echo van het jeugdgedicht “Western”).
Prosper: “Maar dat is helemaal niet symbolisch bedoeld, je moet daar allemaal niet zoveel achter zoeken!”
Of moeten we dan toch veronderstellen dat hij het meent als hij schrijft: “Eens was ik een rebel, nu ben ik conservatief”?
Prosper: “Dat is toch de realiteit? Denk ook aan dat andere gedicht: “als slaven kinderen in een mijn. / gekeelde mensen als een zwijn. / En ik zit hier gelukkig te zijn.” (“Wat gaat er mis?”)
Het nogal verhitte “Rondeau Capriccioso” vormt de overgang naar het tweede deel dat “liefdes leertijd” meekreeg (“Na één jaar leertijd als je slaaf, liefste, wil ik je heer en meester zijn.”) en dat verlangens bevat, waarvan men zou vermoeden dat ze uit een vitaler tijd stammen. “Je moet daar allemaal niet zo zwaar aan tillen. Die ‘heer en meester’ bijvoorbeeld, dat vond ik in een boekje in Oostenrijk. En ‘opstand en berusting’ gaat terug op een brief naar een Nederlandse vrouw, die nogal enthousiast op een voordracht van mij had gereageerd. Ik gebruikte daarin het zinnetje ‘mijn hart slaat buiten koers’. In het gedicht werd dat dan ‘zijn zinnen buiten koers’. En dan dacht ik: wat rijmt er op ‘koers’? En zo kwam ik op ‘jaloers’. Meer moet je daar niet achter zoeken.”
DOODSGEDACHTE
Pas daarna volgen de “stille gepeinzen”. De eerste twee gedichten draaien al onmiddellijk rond de vraag: “Is ’t waar dat schrijven mij doet blijven / heel lang nadat ‘k hier ben geweest?”, waaruit men gemakkelijk kan afleiden dat dit recente gedichten zijn. De doodsgedachte is hier immers prominent aanwezig (“Reizigers zijn we in de tijd… En waar de laatste stopplaats is dat weten we, dat zien we niet” of “Dan is ’t jaar alweer voorbij! / Hoeveel nog resten er voor mij?” of nog “dat al die pracht niet blijft bestaan / en dat ik ook die weg zal gaan” en “’t Gaat zodanig snel, / straks trekt vriend Hein hier aan de bel”). Die doodsgedachte is overigens de aanleiding geweest om na al die jaren opnieuw te beginnen dichten: “Toen ik op een morgen naar mijn boeken zat te kijken en ik melancholisch werd omdat ik besefte dat ik ze niet allemaal meer zou kunnen herlezen, begon ik dit gevoel spontaan te verwoorden in een gedicht. En dan zat ik daar met dat ene gedicht. Ik dacht: ik kan er net zo goed een bundel van maken. En van dan af heb ik zo’n vier à vijf gedichten per maand geschreven, sommige op één uur tijd, aan andere heb ik wel veertien dagen gewerkt. Dan zijn ze blijven liggen tot mijn tachtigste verjaardag, waarna ik ze heb meegegeven met prof.Musschoot van het Cyriel Buysse Genootschap, omdat ik ze op dezelfde manier wou uitgeven als het Jaarboek van dat Genootschap.” (Namelijk bij drukkerij Sanderus in Oudenaarde.)
Prosper de Smet is inderdaad ook een actief lid van het Buysse-genootschap. Zo vertelt hij dat hij de bestseller “A heart-breaking work of staggering genius” van de jonge Amerikaan Dave Eggers ter hand had genomen en “las honderd bladzijden en had al tweehonderd keer het woord Fuck ontmoet. (…) Opeens had ik er genoeg van, genoeg van al die fucks in lange dialogen van drie woorden per regel. Mijn hart werd plotseling overspoeld door een vloed van literair heimwee naar Vlaanderen.” En Prosper dook opnieuw in het werk van Cyriel Buysse en gaf zijn indrukken weer in een lang opstel.
Wat nu opnieuw zijn gedichten betreft, ontwapenend is dat hij dat afschrijven van die angst via de literatuur met de nodige zelfrelativering laat gepaard gaan: “Zal ‘k mij met de oude Grieken meten / of Shakespeare steken naar de kroon?” (Ook nog: “Ik werd hier ongevraagd geworpen / en onwetend zal ik gaan” of “Ik kan het niet verbergen / dat ik wat achterlijk ben.”)
De conclusie is dan ook eerder: “was ik tot tellen onbekwaam / dan draaide ik zorgloos door ’t heelal. Dan was de tijd oneindig groot, en onvermoed – misschien – de dood.”
Al klinkt het in een vierde deel, “Zelfportret met rimpels”, weer positiever: “Ach dat ik z’n gezond gelukkig baasje ben, en ik ’t genot van spelen en van minnen ken!” Alhoewel: “Dat minnen heb ik er zo maar bijgezet, hoor…”
Zelfs reeds van bij zijn jeugd blijkt hij “een uitverkorene” te zijn (“hij staat naast de juffrouw!”). Maar ook hier komt de dood onvermijdelijk om de hoek gluren, wat nog pregnanter wordt door het lot van “de atheïst”: “Het bedroeft mij zeer / dat ik hier gaan moet en ik nooit zal weten / wie ik, voor al wat hier zo mooi is en zo goed, / – danken moet.” Al dient gezegd dat hij af en toe wel een Schepper opvoert, toch dankt hij Voltaire: “Zonder Voltaire, die met god ging in duel, was ik misschien nog bang voor ’t branden in de hel.”
De eigenlijke dichtbundel eindigt dan met “Vijf maal democratie”, waarin voorspelbaar vijf geëngageerde gedichten staan, die echter wat naïever zijn dan het engagement dat (soms onrechtstreeks) uit gedichten in andere secties naar voren komt (“God werft aan” b.v.): “vrouwen in zwart kanten ondergoed, slapen op weelderige fortuinen wijl hun miljoenenvolk hongert”.
DE DISSONANTIE ZIT VANBINNEN
Daarna komen nog enkele gedichten uit de bundels “Van den Os op den Ezel” en “Verzen met Voeten” en andere gedichten uit de periode 1935-45, die eerlijk gezegd weinig verschillen van de nieuwste. Dat is uiteraard eigenlijk een angstaanjagende gedachte, want dan blijkt De Smet niet erg geëvolueerd te zijn. Anderzijds moet hij toen misschien wel “beloftevol” geweest zijn. Een gedicht als “Verkeken kans” geeft toch die indruk. Maar misschien was de titel een omen…
“Ach, je moet weten, dat is maar een heel kleine selectie. Het grootste deel van mijn gedichten is verloren gegaan tijdens de oorlog. Maar meer ga ik daarover niet zeggen, want anders kopen de mensen mijn Mémoires niet meer.”
Ook op die jeugdige leeftijd voelt De Smet zich reeds onaangepast:
“ik kwam ter wereld als Gentenaar
in een land waar de hemel, laag en zwaar,
grijze stenen kweekt en een stug volk.
Ik vond hier weinigen mij verwant,
ik was heel lang een dissonant.”
Die verleden tijd in het laatste vers is blijkbaar eerder “wishful thinking”, want als hij even later stelt: “Misschien word ‘k eens zo hard als ijzer / dat mijn hart om al die versjes bloost”, dan blijkt dit (deze publicatie bewijst het) toch niet waar te zijn.
“Luister, dat ik zo’n goed contact had met mijn lezers en ook met de rest van de redactie en mijn makkers op het atelier, dat alles bewijst dat ik mij goed kan aanpassen, dat ik dus juist géén dissonant ben. Ik kan met iedereen overeenkomen. Maar tegelijk bleef ik onder alle omstandigheden, zelfs onder de meest vulgaire, bijvoorbeeld bij ‘den troep’ (het leger), gedichten schrijven. De dissonantie zit dus vanbinnen.”
Het hoort uiteraard bij De Smets gedachtenwereld dat hij het rijm sterk beklemtoont. Zodanig zelfs dat de zinsbouw daaraan ondergeschikt wordt, zodat de taal een oubollig karakter krijgt (“al de mannen die maakten of ontdekten iets”). Maar ook dat zal wel gewild zijn. Soms maakt hij echter gewoonweg leuke fouten: zo rijmt “idylle” helemaal niet op “quadrille” (“Aan de waterkant”) of “verloren” op “Café de Flore” (“Reisverdriet”). En tenslotte zijn er ook de “onvermijdelijke” zetfouten. Alhoewel zo’n woord als “strotregens” (“Duif op dak”)… het heeft wel iets!
Het gedicht dat als “nawoord” werd afgedrukt, vat inderdaad het geheel goed samen. Toch vraag ik me af of De Smet daarover wel tevreden is als niet hijzelf, maar een buitenstaander deze opmerking maakt… “Ja, die ‘op grootvaders wijze’ is een beetje minimaliserend, nietwaar. Daarom ook dat ik het achteraan heb geplaatst in plaats van vooraan, zoals ik eerst van plan was. Tenslotte heeft iemand als Christine D’Haen toch reeds met lof over mij gesproken! Maar zichzelf relativeren is beter dan een dikke nek hebben.”
Binnenkort verschijnt van Prosper De Smet reeds een nieuw boek. In “Home Sint-Jozef” heeft hij een twintigtal gedichten “over de oude dag” gebundeld. In het tijdschrift “Kreatief” verschijnen bovendien zijn herinneringen aan Louis Paul Boon. Deze herinneringen zouden ongetwijfeld ook weerkeren in zijn mémoires, waaraan hij op dat moment nog volop aan het werken was.

“Zo hoop ik, als ik hier
mijn hoofd kom neer te leggen
dat men van mij zal zeggen:
hij was niemand tot last,
hij had zijn rare kanten
maar ’t was een goede gast.”
(Zelfportret met rimpels)

Referenties
Ronny DE SCHEPPER, Prosper De Smet: “Zichzelf relativeren is beter dan een dikke nek hebben”, Het Laatste Nieuws
“Gekke gedachten, stille gepeinzen” werd in eigen beheer uitgegeven (er werden er slechts 250 gedrukt!), maar moet in principe in de betere boekhandel te verkrijgen zijn.

Een gedachte over “Prosper De Smet (1919-2005)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s