Jeroen Brouwers wordt 75…

Pas in 2008 heb ik voor het eerst een boek van Jeroen Brouwers gelezen. Waarom dat zo lang heeft geduurd, kunt u hieronder lezen, maar het lezen van het boek zelf, met name “Geheime kamers”, toch een boek van bijna vijfhonderd pagina’s, is verbazend snel gegaan. Vooral in vergelijking met die knoert van een “Salammbô”, waar ik me juist had door geploegd (nu gebruik ikzelf eens een tangconstructie, voor meer uitleg, zie alweer hieronder). Zoals gewoonlijk vertrek ik van Wikipedia, waarin ik dan mijn eigen bedenksels verweef, gevolgd door een recensie van Johan de Belie uit 1987.

Jeroen Godfried Maria Brouwers (Batavia, 30 april 1940) is een Nederlands journalist, schrijver en essayist. Hij was het vierde kind van Jacques Theodorus Maria Brouwers (1903-1964) en Henriëtte Elisabeth Maria van Maaren (1908-1981). Later werd nog een broertje geboren. Zijn vader werkte als boekhouder bij een architectenbureau.
Na de Japanse invasie begin 1942 werd zijn vader overgebracht naar een krijgsgevangenkamp in de buurt van Tokio. Jeroen belandde met zijn grootmoeder Elisabeth Henrica Pos (1885-1945), zijn moeder en zus eerst in het Japanse interneringskamp Kramat. Na een paar maanden werden ze overgeplaatst naar het kamp Tjideng, in een buitenwijk van Batavia. Zijn grootouders hebben de kampen niet overleefd. Hij schreef in 1981 over deze Japanse bezetting van Indonesië een boek “Bezonken Rood”, vertaald in 1988 in het Engels als “Sunken Red” (voor de titel: zie p.68 in de editie van De Morgen).
Na de oorlog werd het gezin herenigd en verhuisde naar Balikpapan (Borneo, nu Kalimantan). Mevrouw Brouwers repatrieerde in 1947 met haar kinderen per schip naar Nederland. In 1948 kwam ook vader Brouwers naar Nederland.
Tot 1950 woonde Jeroen thuis bij zijn ouders. Toen hij tien jaar oud was werd hij in diverse rooms-katholieke pensionaten ondergebracht. De reden was dat hij een onhandelbaar kind zou zijn dat na de vrijheid van Indië niet kon wennen aan het Hollandse keurslijf.
Zijn ouders verhuisden naar Delft. Daar haalde hij in 1955 zijn MULO-diploma.
Van 1958-1961 is Brouwers in militaire dienst geweest. Hij zwaaide af als kwartiermeester der Speciale Diensten: Marine Inlichtingen Dienst (MARID). Na zijn dienstplicht ging hij in 1961 in Nijmegen als leerling-journalist werken bij het krantenconcern De Gelderlander. Hij maakte deel uit van de redactie van het soldatenblad Salvo.
In 1962 werd hij aangenomen bij de Geïllustreerde Pers in Amsterdam. Hij werd lid van de redactie van het blad Romance (later Avenue). Van 1964-1976 werkte Brouwers in Brussel als redactie-secretaris en later als (hoofd)redacteur van Uitgeverij Manteau. Van 1968-1971 woonde hij met zijn gezin in Vossem en later in Huize Krekelbos te Rijmenam (Bonheiden). Er werden twee zonen geboren: Daan Leonard (1965-2006) en Pepijn (1968).
Na onenigheid met directeur Julien Weverbergh neemt Brouwers ontslag bij Uitgeverij Manteau. Hij gaat zich geheel aan het schrijven wijden. Na een periode in Warnsveld (bij Zutphen) betrekt hij huize Louwhoek in Exel, in de buurt van Lochem. In 1980 wordt zijn dochter Anne geboren. Een jaar later verschijnt de verhalenbundel “Et in Arcadia ego” (*).
DE LITERAIRE ANARCHIE VAN JEROEN BROUWERS«Brieven schrijven is literaire anarchie» leert ons Jeroen Brouwers in de inleiding op zijn brievenboek «Kroniek van een karakter; deel 1 De Achterhoek, 1976-1981». «Hoe bevrijdend dus om zich eraan over te geven: de schrijver schrijft en tegelijkertijd ervaart hij niets van de hem weerbarstig makende angst die hem bij het schrijven van zijn èchte literaire werk zo tobberig en chagrijnig maakt, zijn hoogernstige opvattingen inzake Literatuur, die Kunst moet zijn, bij de vervaardiging waarvan hij Moeite moet doen, enzovoort, vergeet hij zodra hij een brief onder handen heeft» (pag. 8).
Denk niet dat deze brieven die Brouwers vanuit zijn isolement (in tijd en/of ruimte t.o.v. de brieflezer) schrijft over zijn thema « Liefde, literatuur en dood », een willekeurige collectie vormen. Het is geen brief-wisseling ook, het zijn monologen die de auteur voert en die hij hier bewerkt, herschreven (weze het niet, aldus hijzelf, stilistisch herzien) en soms samengevoegd aan de lezer van deze «montage in briefvorm» (pag. 10) presenteert. «Straks moet dit alles op papier of ik zal niet hebben geleefd», schreef Brouwers anno 1969 in «Groetjes uit Brussel», deel uitmakend van de 5de meridiaan-auteurs. Wat zich niet in tekst laat omzetten, zal wel geen leven zijn (**), zodat de chronologische bundeling van wetenswaardigheden en emoties, deze «kroniek», bijna het bestaansrecht van zijn auteur bepaalt.
Het woord als alibi voor het leven, de tekststructuur als ruggegraat van het (zinloze? absurde? overbodige? irreële?) bestaan zelf. « Ik ben heel mild jegens het mensdom, maar overigens haat ik het als het als het leven zelf >>, leest Johan Polak in mei ’77 en enkele dagen later krijgt Tom van Deel in zijn brievenbus: «Ik zou wel willen schrijven, maar ik zou niet willen leven. Het leven wordt mij een steeds groter kwelling». Juli ’78 brengt een Jaap Goedgebuur de boodschap: «Als het in de dood een even grote rotzooi is als hier, hoef ik niet eens meer dood ook».
POPPETJES EN DROEDELS
Het is evenwel idioot de auteur vast te pinnen op alle hier voorhanden zijnde citaten, waarmee, sterker dan in een literair geconcipieerd werk, eens te meer alles kan worden bewezen. «Ik wil niet dat mijn brieven ooit zouden worden gebundeld, zo heb ik per testament bepaald» (276). In het algemeen boezemen dagboeken en brievenbundelingen hem trouwens afkeer in wegens hun ongestileerdheid. « Aan briefschrijfkunst heb ik mij nooit overgegeven, het is een onschuldige hobby van me: het tekenen van poppetjes en droedels in de marge van mijn “officiële” geschriften ». (381).
«Kroniek van een karakter» is dan ook geen bundeling geworden. Jeroen Brouwers ordent en herschept zijn leven, zijn relaties, zijn emoties. En ordenend wordt de lezer deelgenoot gemaakt van de chaos, wordt hij aangesproken en opgenomen in hun gevoelsleven, in eerlijkheid, in de literaire oprechtheid van de briefschrijver, zodat je deze turf (waarvan deel 2 onder de titel «De oude Faust», behandelend de jaren ’82 tot ’86, in het najaar zal verschijnen) als een gestructureerde roman leest.
Brouwers heeft ordenend en verzamelend de verbanden gelegd, zijn thema’s omcirkeld in die talloze brieven aan Angèle Manteau, Van Oorschot, Corine Spoor, Maarten ’t Hart, Walter van den Broeck, Julien Weverbergh… Gedreven, soms relativerend, soms zeer humoristisch, grappig eigenlijk met een wrange nasmaak — maar elke zin verder weg van kleffe Mona-toetjes. De echtheid blijft frapperen. «De waarheid is: het kunstwerk zelf» verduidelijkt Brouwers. De literaire tekst moet niet verzonnen of ook niet reëel zijn, het gaat om de woorden en de compositie. «Je moet hooghartig met woorden omgaan : niet moeten woorden regeren over jou, maar jij moet regeren over de woorden. Het moet voor ieder woord dat je neerschrijft een eer zijn dat het in je proza mag fungeren» (189).
JACOB ISRAEL
Naast alle waardevols dat Brouwers neerschrijft over leven en literatuur, over liefde en over dood, zal ook de zoeker naar het literaire schandaal en de literaire faits divers (zoals Brouwers die dankzij zijn talloze polemieken ook in het kielzog meesleept) aan zijn trekken komen. Tenslotte start de bundeling in Rijmenam, wanneer de auteur zich losrukt van broodheer uitgeverij Manteau en van zijn hele Vlaanderenperiode, om zich in Exel te gaan vestigen. Mooie in memoriams krijg je ook te lezen, weg van de officiële: pijnlijke, ontroerende anekdotes over literair Vlaanderen, over zijn afkeer daarvan, over de afkeer van nuffig Nederland ook, over critici, over andermans boeken, over zijn hanen Cyriel en Jacob Israël, over zijn kippen Rosalie en Virginie (Loveling), over de relatie met zijn vriendin Josefien die de rode draad vormt, over de geboorte van zijn dochter. Uiteraard ook over het worstelen met de eigen creativiteit, over het ontstaan van b.v. «Zonsopgangen boven zee», over het zelfmoordenboek «De laatste deur», over de verhouding tot het verleden en tot zijn moeder. Wat dus allemaal verhelderend, soms versluierend, maar altijd diepgaander werkt voor de lezer van het Brouwers-oeuvre.
En natuurlijk laat Brouwers, de polemist, ook heel wat ideeën los over de literatuur, enerzijds zijn passie, anderzijds zijn afkeer van de schone letteren die behoudens Mulisch en Hermans uit hobbyisten, doe-het-zelvers, amateurs bestaat (88). <Al dat schrijven van mij, wat betekent dat nou ? Niets anders dan dat ik bezig ben in mijn eigen tuintje van begoochelingen» (64). Ook het conflict tussen vorm (estheticisme) en vent (persoonlijk, eerlijk), zoals dat in Brouwers een nieuwe ontwikkeling vond, wat hem o.m. de vergelijking met Du Perron opleverde, komt boeiend aan bod in talrijke brieven.
Brouwers, zijn taalverfijning en zijn ventschap: vorm en techniek, culminerend in een doorgedreven schoonheid vormen een ideaal, maar worden als vanzelfsprekend prompt terzijde geschoven : «Men wordt niet in de eerste plaats schrijver door “de techniek van het schrijven” te beheersen (want die is bij te brengen aan een kind van acht!), maar door te durven schrijven: datgene te schrijven wat men eigenlijk niet zou durven te schrijven. Kunst is: te ver gaan. Pas later moet daar een “meestervorm” bij komen, zodat die kunst tweeledig wordt: èn naar inhoud, en naar vorm» (385).
En even verder schrijft hij dan weer aan ’t Hart : «… en ik kan nooit één verhaal vertellen, maar altijd twee of drie door elkaar heen: altijd meer bezig met vorm dan met inhoud» (360). Zodat je alles in dit boek voor waar moet aannemen, maar zoals elke waarheid relatief is. «Er is geen hoop, je hoeft op niets te wachten want er komt niks en geluk bestaat niet. Niettemin, dit is een opgewekte brief» (181-182)…
KRITISCHE MOTIEVEN
Voor wie Jeroen Brouwers via een omweg wenst te leren kennen bundelde Hans Dütting 24 commentaren van 17 critici, een oogst (selectie) uit 23 jaar Brouwerskritiek. Een unieke gelegenheid biedt de samensteller via zijn keuze, om de zo verscheiden facetten van Brouwers’ auteurschap aan bod te laten komen en meteen zijn werken voor te stellen. De belangrijkste Brouwers-commentatoren staan hier bij elkaar (Jaap Goedgebuure, Ton Van Deel, Corine Spoor), naast meer toevallige kritieken. Stuk voor stuk interessant als kennismaking, of verdieping van de kennis.
Waaruit blijkt dat er toch mensen in de literaire wereld hun gedachten parallel kunnen brengen met deze van Jeroen Brouwers. Niet helemaal waar dus wat Brouwers op 1 december 1977 over de meeste kritici schrijft: «Meneer, u kunt mijn zak opblazen. Waarna ik dan geheel mismoedigd in een hoekje ga zitten: pruilend, mij veronachtzaamd voelend, veel te briljant voor deze wereld en gekweld door wroegingen “Onbegrepen ging hij zijn weg!” Handdruk» (p.123). De ware boutades van Jeroen Brouwers. Dàt kan ooit een postume bestseller worden.
GEHEIME KAMERS
In 1991 vestigt Brouwers zich op een woonboot in Uitgeest. In augustus 1993 verhuist hij naar Zutendaal in Belgisch-Limburg.
Brouwers is sinds 1992 opgenomen in de Orde van de Vlaamse Leeuw en in 1993 Ridder in de Belgische Kroonorde.
Hij is geobsedeerd door zelfmoord en dubbelzelfmoord, zo verschijnt in 1995 “Adolf & Eva & de Dood”. Adolf Hitler en Eva Braun hebben overigens exact op de vijfde verjaardag van de kleine Jeroen zelfmoord gepleegd.
In 2000 verschijnt de roman “Geheime kamers”. Het is het eerste boek dat ik van hem lees. Tot mijn verbazing leest het erg vlot. Dat komt omdat het eigenlijk tamelijk rechtlijnig een eenvoudig liefdesverhaal vertelt tussen een klassieke zangeres en een neuroot, een angsthaas, een “broekschijter”, zoals men in het dialect zegt en wat hier helaas maar al te letterlijk op te vatten is. Toegegeven, de diva gebruikt de verliefde ik-persoon om het wantrouwen van haar echtgenoot (een jeugdvriend van de ik-persoon) af te leiden van een ander, veel belangrijker liefdeshistorie, maar toch is het verhaal hoegenaamd niet “gelaagd”, zoals de modeterm dan luidt. Men ziet de “plotpoints” al van verre aankomen. Ook de titel mag hiervan een goed voorbeeld zijn. Alhoewel het reeds op het eerste gezicht (zelfs zonder het lezen van de roman) duidelijk is wat hij wel zou kunnen betekenen, wordt dit toch nog eens omstandig uitgelegd op p.87.
In recensies wordt er nogal eens met “Madame Bovary” van Gustave Flaubert geschermd, maar dat is helemààl ten onrechte. Toevallig had ik vóór “Geheime kamers” net een werk van Flaubert gelezen (“Salammbô”) en dàt was dan weer naar aanleiding van het feit dat ik dààrvoor “Flaubert’s parrot” van Julian Barnes had gelezen (aangezien ik “Madame Bovary” jaren geleden al eens gelezen had, gaf ik de voorkeur aan een ander meesterwerk van Flaubert). Welnu, de tegenstelling met deze twee auteurs kan niet groter zijn. Het overmatig tentoonspreiden van eruditie die ik bij Brouwers meende te vinden, is inderdaad veeleer bij Barnes aanwezig, en de wijdlopige stijl van Flaubert staat helemaal haaks op het vlotte proza van Brouwers. Nee, als er één naam is die mij te binnen schiet als vergelijking, dan is het die van… Tim Krabbé, al wordt die in kringen van Brouwersfanaten (“Jeroen Brouwers schrijft een boek”…) wellicht als “ontspanningsliteratuur” afgedaan.
Het ziet er dus naar uit dat ik om totaal verkeerde redenen Brouwers al die tijd links heb laten liggen. Waaraan kan dat gelegen hebben buiten het feit dat Brouwers in bepaalde kringen zozeer werd opgehemeld dat ik mij van de wederomstuit van hem heb afgekeerd? Het heeft ongetwijfeld ook te maken met zijn werkzaamheden bij Manteau. Ik herinner me denigrerende opmerkingen over haast alle Vlaamse auteurs, die Brouwers naar eigen zeggen voor het grootste gedeelte zou hebben herschreven vooraleer men tot publicatie kon overgaan. Het spreekt dus vanzelf dat ik vooral aandacht had voor het taalgebruik van Brouwers. Maar ik moet toegeven: dat was uitstekend. Een beetje overdreven zelfs. Soms leek hij wel met een woordenboek naast zich te schrijven (***), maar over het algemeen moet ik stellen: het is wellicht de beste stilist uit het Nederlandse taalgebied.
Ik heb uiteindelijk slechts enkele opmerkingen. Zo gebruikt Brouwers regelmatig (namelijk altijd) het bijwoord “regelmatig” als hij “geregeld” bedoelt. Slechts één voorbeeld uit de velen: “zoals ik dat in onze studentenjaren ook regelmatig had gedacht” (p.195).
Daarnaast gebruikt hij ook voortdurend tangconstructies. Hier heb ik enkele voorbeelden bij elkaar gebracht, maar ook deze reeks is quasi eindeloos: “Ik weet echt niet waar je het over hebt.” (p.163) “Ik bleef bedremmeld staan bij de deur van deze paleiszaal, waar Daphne zich in rond bewoog…” (p.230) “een soapserie, waar Paula zo verslaafd aan was…” (p.231)
In de loop der tijden heb ik echter al lang afgeleerd zowel het eerste als het tweede als een “fout” te benoemen. Nee, de enige échte fout waarop ik Brouwers tenslotte heb kunnen betrappen, is merkwaardig genoeg de titel van de opera van Gaetano Donizetti “Lucia di Lammermoor”, wat Brouwers als “Lammermore” schrijft (p.108). Aangezien hij aangehaald wordt in een context van snikken en huilen, dacht ik eerst nog dat het een woordspeling was: “to lammer more”, naar analogie met ons dialectwoord “laméren”. Maar dat “laméren” is in het Engels “to lament”, dus dat zou wat vergezocht zijn…
In 2007 kent de Taalunie aan Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren toe. Hij accepteerde eerst de prijs, maar weigerde deze later, omdat het bijbehorende geldbedrag van 16.000 euro volgens hem te laag is.
Jeroen Brouwers heeft ook 21 jaar in een zonevreemd huis gewoond, midden in de Zutendaalse bossen. “Toen hij het kocht, wist hij dat het zonder rechtsgeldige vergunning was gebouwd. ‘Hij mag al blij zijn dat hij er zolang is mogen blijven,’ knarsen talrijke Vlaamse principeruiters waarvan de meesten wellicht nooit een boek van Brouwers hebben gelezen. Pas in 2011 werd het misdrijf officieel aan de kaak gesteld. Brouwers, die het huis niet alleen bewoonde maar er ook al die jaren ongestoord in kon werken en er een waardevol archief in bewaarde, ging uiteraard in beroep en kon zo zijn verjaging nog een paar jaar uitstellen. In 2014 werd het vonnis bekrachtigd. In 2016 verliet Brouwers, op dat moment 76 jaar oud, kennende ademhalingsproblemen en niet meer goed ter been, zijn geliefde woonst.” (Pascal Cornet op Facebook, vetjes is van mij)

Ronny De Schepper

Referenties
Johan de Belie, De literaire anarchie van Jeroen Brouwers, De Rode Vaan, 25 juni 1987
Jeroen Brouwers. Kroniek van een karakter. Deel 1, 1976-1981; de Achterhoek. Uitg. H. Schoten, 1986. 400 blz. 990 fr. Hans Dütting (samenstelling). Kritische motieven: beschouwingen over het werk van Jeroen Brouwers. De Prom, Baarn, 1987. 288 blz. 700 fr.

(*) Ik heb de bundel nog niet gelezen, dus ik weet niet in hoeverre deze titel iets te maken heeft met het fameuze schilderij dat zo belangrijk is voor de speurders naar de graal. Merkwaardig is alleszins dat in “The Quincunx” van Charles Palliser een (fictieve?) beeldengroep voorkomt die de naam draagt “Et Nemo in Arcadia” (p.132).
(**) Vetjes van mij. Het kon immers het adagium van deze blog zijn.
(***) Eigenlijk is dit een allusie op een stupiditeit die ikzelf eens heb uitgehaald bij het schrijven van “Twice upon a time”. Zoals ik daar heb uitgelegd, is dit boek oorspronkelijk tot stand gekomen uit een briefwisseling tussen Johan de Belie en mij. Toen het op een bepaald moment “mijn beurt” was en ik zonder inspiratie zat, nam ik letterlijk een woordenboek, sloeg dat open en dwong mijzelf om het eerste woord dat ik niet kende in een zin te gebruiken. Dat heb ik zo ongeveer een pagina lang volgehouden. Alhoewel de tekst later nog herhaalde malen is bewerkt, kan een aandachtig lezer de resultaten van dit onzinnige experiment nog steeds terugvinden in de roman.

7 gedachtes over “Jeroen Brouwers wordt 75…

  1. Zeker ook de rest van zijn oeuvre lezen : Brouwers is niet alleen de beste stilist, maar – althans volgens mij – de grootste Nederlandstalige schrijver tout court van de laatste 30 jaar. Overigens, niet zozeer de schrijver van boeken, maar van een ‘oeuvre’ (ik vrees dat ik zo’n ‘ophemelaar’ ben). Al is nu uitgerekend ‘Geheime kamers’ ongeveer de minst ‘typische’ Brouwers …

    Laat u helemaal gaan, zou ik zeggen.

    Een prettige avond !

    Like

  2. Ja, dat mag u. Al moet ik diep in mijn geheugen graven, want ik heb het boek reeds in 2001 gelezen (en sedertdien niet herlezen). Bovendien ben ik alleen maar een lezer, en ook wel een fan, maar niet echt een ‘kenner’ (lees daarvoor : Jeroen Brouwers. Het verhaal van een oeuvre, van Johan Vandenbroucke !), laat staan een ‘criticus’.

    Wat ik me herinner, is dat ik na het uitlezen van het boek dacht : ‘dit is misschien het beste Nederlandstalige boek van dit jaar, maar niet het beste boek van Brouwers’. Dat eerste werd toen overigens ook in de media min of meer bevestigd, en dat laatste had te maken met mijn ervaringen met nogal wat ander werk van hem.

    Waarom (volgens mij) minder typisch (liever dan a-typisch) ? Omdat het van al zijn boeken het meest ‘traditioneel’ is (misschien samen met “Zomervlucht”, maar dat is nog langer geleden, dat ik het heb gelezen, dus eigenlijk …). Weliswaar meesterlijk geschreven, maar toch bevattende : een nogal ‘gewoon’, vrij ‘lineair’ verhaal, dat bovendien domweg ‘vlot’ leest (wat misschien gedeeltelijk de ruimere populariteit verklaart). Wie weet had het ook wel met context te maken, maar alvast mij blies het minder van mijn sokken dan de andere hierboven genoemde boeken deden.

    Ik heb vorige maand toevallig “Winterlicht” en “De zondvloed” herlezen. Vooral dat laatste – in alle betekenissen van het woord een magnum opus – liet mij opnieuw ervaren wat Brouwers werkelijk doet : hij schrijft geen boeken, hij componeert ze. Hij is veel meer een taalkunstenaar dan een schrijver. En veel belangrijker dan het eigenlijke verhaal, dat slechts een aanleiding vormt om literatuur (kunst) te maken, is wat hij met die taal doet; eerder dan ze (instrumenteel) te gebruiken boetseert hij ze. En soms is het een worsteling. Het zijn boeken die je echt woord voor woord, zin per zin, paragraaf na paragraaf kunt lezen, zwelgend in thema’s en symbolen, duimen en vingers aflikkend – en geen enkel woord, geen enkele zin, geen enkele paragraaf kàn worden weggelaten. Eigenlijk wil je het helemaal overschrijven om het ‘bij te houden’, en nog eens –

    Er is een blog (http://perenblog.blogspot.com/) die ‘literaire bliksems’ verzamelt, en waaraan ik soms zinnen bezorg waarin deze bliksems staan. Welnu, feitelijk moet ik telkens opnieuw vaststellen dat àlle zinnen van Brouwers schitterend zijn, ook als je ze volgens een arbitrair criterium – het voorkomen van een bliksem – selecteert.

    Als ik mensen Brouwers wil leren kennen, raad ik ze meestal “Bezonken rood” aan. Het is een relatief dun boekje (‘om te beginnen’), maar heel erg goed en héél erg Brouwers – zowel qua stijl, als qua thematiek. Als ze dit ‘goed’ vinden, zijn ze toe aan de rest van het oeuvre en worden ze niet zelden ook ‘fan’. Maar vinden ze dit ‘maar niks’, dan moeten ze zeker niet beginnen aan “De zondvloed” (een erg omvangrijk boek) of “Zonsopgangen boven zee” (een erg ‘zwaar’ boek – een paar honderd bladzijden over twee mensen die in een lift vastzitten). Soms heeft dat overigens ook met de thematiek en zelfs de formuleringen te maken, want Brouwers’ (literaire) misantropie en misogynie kàn sommigen tegen de borst stuiten (al lezen ze in dat geval toch maar beter ‘verder’). Nà “Verborgen kamers” is zijn recentste roman, “Datumloze dagen”, om al diezelfde redenen, opnieuw overigens een boek dat in die zin kan ‘leiden’ naar de oudere romans. En, op een slechts ‘zeer goed’ stuk in het midden na, opnieuw een ‘fantastisch’ sterk werk (dat alvast mijzelf in tranen ‘achterliet’).

    “Over ‘stijl’. Het ontwikkelen daarvan duurt jaren en kan alleen ontstaan in rust. Ieder woord moet worden bekeken, gewikt, geproefd, gestreeld, geslagen, geneukt, verworpen, – juist als ware het woord een hoer. Je moet hooghartig met woorden omgaan: niet moeten woorden regeren over jou, maar jij moet regeren over de woorden. Het moet voor ieder woord dat je neerschrijft een eer zijn dat het in je proza mag fungeren. Alleen wie zo schrijft, geeft flonker aan iedere zin die hij schrijft.” (Jeroen Brouwers, in “Kroniek van een karakter. Deel 1: De achterhoek”, p. 189)

    Tenslotte : het hele ‘oeuvre’ bevat véél meer dan alleen maar de romans, en – eerlijk gezegd – een roman en een essay van de Meester hebben veel meer met elkaar gemeen – “er is niets dat niet iets anders aanraakt” – dan twee romans van twee andere willekeurige schrijvers. Maar ik vrees dat ik intussen allang niet meer neutraal, laat staan objectief, ben …

    Like

  3. Geachte heer Artman, ik merk dat ik nagelaten heb u expliciet te bedanken voor uw zeer verhelderende bijdrage. Ik wil dit alsnog proberen goedmaken en u tevens mijn welgemeende excuses overmaken.
    Zelf zou ik het liefst “Et in Arcadia ego” lezen, zij het wellicht om totaal verkeerde redenen (zie mijn eerste voetnoot die ik pas onlangs heb toegevoegd). Misschien kunt u wat dat betreft mij al een eindje op weg helpen?

    Like

  4. Alhoewel mijnheer Artman elders op mijn blog nog opduikt, heeft hij deze laatste reactie blijkbaar jammer genoeg nog niet gelezen. Ik hoop dat dit alsnog gebeurt…
    Wat mijzelf betreft, mijn tweede boek van Brouwers werd – door allerlei toevallige omstandigheden – “Adolf & Eva & de Dood”. Helaas niet zo’n beste keuze. Ik ben totaal niet geïnteresseerd in het liefdesleven van de heer Hitler (*) en in dubbelzelfmoord heb ik me ooit wél verdiept, maar dat was dan in mijn studententijd (begin jaren zeventig) toen iedereen het gelijknamige werk van prof.Ghijsbrecht wilde lezen.
    Wat echter wél pleit voor Brouwers: al na het eerste hoofdstuk had ik door dat dit een vergissing was, maar ik heb het boek(je) toch uitgelezen. Omwille van de impeccabele stijl, jawel.
    (*) Waarom ik het dan heb gekocht? Omdat ik bij de zoveelste uitverkoop van één of andere bibliotheek zo’n groot aantal boeken had gekocht, dat – mits ik er nog één aan toevoegde – ik in een lagere prijsklasse terechtkwam. En toevallig lag dit boekje het dichtst bij de hand. Ja, zo kan het dus ook soms gaan in het leven…

    Like

    1. Dat vorige antwoord had ik inderdaad nooit gelezen, maar dit dan weer wel. Over “Et in Arcadia Ego” kan ik helaas niets melden: misschien heb ik het ooit wel gelezen, maar het is mij alvast niet in het bijzonder bijgebleven (al heb ik ineens wel goesting om het te (her-)lezen). En “Adolf & Eva & de Dood” (dat ik las in 2009) heeft mij ook een beetje ontgoocheld. Maar zoals ik al schreef in een vorige reactie: “De laatste deur” van hem (waarvan boekjes als “Adolf…” eigenlijk een soort ‘flauwe’ spin-offs lijken te zijn) is alvast wat mij betreft een soort van ‘standaardwerk’ – weliswaar eerder in literaire zin – over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren. Geen vrolijke lectuur, maar toch wel èrg de moeite. Althans voor een ‘liefhebber’ als ikzelf ;-)

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s