Philippe Casado (1964-1995)

25 philippe casadoHet is vandaag al twintig jaar geleden dat de Franse profwielrenner Philippe Casado het leven liet terwijl hij een rugbywedstrijd bijwoonde.

In Duitsland stierven tussen 1981 en 1994 meer dan 2.000 mensen een plotse dood bij het beoefenen van hun sport. 628 daarvan waren voetballers, 151 tennissers en 124 wielrenners. Ook in België vallen er jaarlijks tussen 4 en 20 sportdoden te betreuren per miljoen inwoners per jaar. In ons land is voetbal evenwel een minder grote risicosport. “In België stellen we een hoger sterftecijfer vast in het wielrennen,” zegt Michel Rousseaux in “De Morgen” van 30 augustus 1996.
Zelfs voor onze maatschappij die eerder in kwantitatieve dan in kwalitatieve termen denkt, vielen er dus “genoeg” doden om zich vragen te beginnen stellen. Toenmalig Gemeenschapsminister van Volksgezondheid Hugo Weckx heeft in die periode het parket gevraagd een onderzoek in te stellen en zowel de Belgische Wielrijdersbond (B.W.B.) als de rennersvakbond Sporta reageerden met een communiqué. Maar, zoals Jan Wauters heel terecht op de radio stelde, “met een paar communiqué’s komen jullie er niet vanaf…”
In zo’n geval wordt er natuurlijk onmiddellijk aan doping gedacht. De controles zijn daar immers minder scherp dan in de beroepswielersport en anderzijds zou men ook te maken kunnen hebben met nawerkingen van langdurig dopinggebruik tijdens de voorbije wielercarrière.
In 1992 stopten ook twee ex-wereldkampioenen voortijdig met de wielersport omwille van hartklachten: de Pool Joachim Halupczok en “onze” Rudy Dhaenens. Volgens deze laatste heeft Greg Lemond EPO in het peloton gebracht. EPO is namelijk een geneesmiddel voor nierpatiënten en Lemonds nier was geraakt bij de hagel die zijn schoonbroer per ongeluk op hem had afgevuurd (*). Opmerkelijk: zowel Dhaenens, Lemond, Draaijer als Oosterbosch (deze laatste als amateur) hebben nog deel uitgemaakt van de ploeg van Jan Gisbers, de ploeg die in de Tour ’91 compleet uitviel na de zogenaamde Intralipid-affaire (een product dat met baxters werd toegediend, maar door een gebrekkige hygiëne werd iedereen ziek). Intralipid is een product om het bloed te verdunnen, typisch dus iets dat wordt toegediend om de bijwerking van EPO (het bloed wordt bijna zo dik als stroop) tegen te gaan. Natuurlijk zorgt dat soms voor weer andere kwaaltjes zoals diarree. Ge moet altijd oppassen wat ge zegt, maar we kennen toch genoeg gevallen van “voedselvergiftiging” in ploegen zoals Wiel’s-Groene Leeuw in de jaren zestig of O.N.C.E. in de Ronde van Spanje 1996.
Ook Miel Kerstens en Hans Daams van P.D.M. werden voor verdere beoefening van hun vak afgekeurd op basis van gezondheidsproblemen, terwijl Gert Jacobs toegaf dat hij werd “geprepareerd” met testosteron, het bekende hormoon, waarmee Gertjan Theunisse zogezegd van nature zozeer zou “begiftigd” zijn. Zijn vriendje Steven Rooks heeft nochtans toegegeven dat ze beiden, toen ze voor de ploeg Gisbers reden, testosteron kregen toegediend. UCI-voorzitter Hein Verbruggen noemde Gisbers off the record dan ook “de grootste gifmenger van het peloton”.
Voor Joachim Halupczok mocht het niet meer baten: hij overleed op 5 februari 1994 aan een hartaanval tijdens de opwarming voor een partijtje zaalvoetbal. Ook voor Rudy Dhaenens is het dramatisch afgelopen, maar dat had dan weer een andere oorzaak, zoals iedereen weet.
Halupczok reed in 1991 voor Del Tongo. Volgens ploegdokter Van Mol moet dat zijn: hij had dat jaar een contract bij Del Tongo. Want toen al werden hartstoornissen vastgesteld en dat jaar zou hij geen enkele wedstrijd hebben gereden. Het jaar daarop (bij MG-GB) begon na de Vuelta de miserie opnieuw en stapte hij uit de wielersport. Van Mol zelf doet het verhaal dan ook af als roddel van Dr.Alessandri (ook genoemd door Alessandro Donati van het CONI, het Italiaans Olympisch Comité, als EPO-dokter), die heel even zijn assistent is geweest, namelijk het jaar dat Franco Chioccioli bij GB-MG heeft gereden. Volgens Van Mol was het ook Alessandrini die Chioccioli begeleidde bij zijn “miraculeuze” zege in de Giro ’91, toen hij bij Del Tongo reed. Anderzijds dient gezegd dat Van Mol in juni 2007 door dopingzondaar Pierre Herinne (ex-Lotto) werd aangewezen als diegene die hem met het spul in contact bracht. Het merkwaardige aan deze beschuldiging is enerzijds dat ze zeer precies is (Herinne kan naam en prijs van de producten noemen en de “gunstige” werking ervan wordt bevestigd door specialisten, die er tevens op wijzen dat in die tijd – Van Mol werkte toen bij GB-MG – het zeer “vooruitstrevend” was om die middelen te gebruiken) en anderzijds dat er juridisch niks mee aan te vangen valt (de feiten zijn verjaard). Men kan zich dus afvragen waarom Herinne dan alsnog met die beschuldigingen voor de dag zou komen.
Een paar maanden later, komt Herinne in Humo van 11/9/2007 echter met een andere versie voor de pinnen: “In mijn laatste jaar (als prof bedoelt hij, dus dat is in 1996, RDS) heeft een verzorger van Brescialat me dan in contact gebracht met een Italiaanse dokter. Hij zou me met epogebruik begeleiden, in ruil voor tweehonderdvijftigduizend frank – alleen voor het einde van het seizoen. Maar ik heb het niet gedaan. Indertijd had je al die plotse hartdoden in het peloton: zestien, als ik me niet vergis. Patrice Bar, Gert Reynaert, Bert Oosterbosch – heel wat renners zijn in hun slaap gestorven. Ik beweer niet dat het allemaal aan epo te wijten was – ik ben geen dokter – maar toen vermoedden heel wat insiders dat het met het onoordeelkundig gebruik van epo te maken had. J’avais trop peur: ik ben er afgebleven.”
Misschien heeft Herinne het hier over Dr.Conconi, die wel vaker wordt genoemd als “EPO-dokter”. Hij zou het spul hebben leren kennen in het langlaufen (hij werkte toen voor de skifederatie), waar Scandinaven het hadden geïntroduceerd. Daarna zou hij het via de prestaties van Francesco Moser (vooral diens uurrecords) hebben gepromoot. Het toppunt is dat precies Conconi door het I.O.C. werd aangeduid om in 1997 de strijd tegen EPO aan te pakken via de door Gianni Bugno geëiste bloedcontroles. (Later zou hij zelf tegen de dopinglamp aanlopen met een te hoge dosis cafeïne, volgens Bugno gewoon het gevolg van te veel sterke koffie te drinken.)
Erytropoëtine (merknaam Eprex), zoals EPO voluit heet, is een geneesmiddel dat krachtversterkend werkt, maar ook een hartstilstand kan veroorzaken omdat het bloed “verdikt”. Door die bloedcontroles zou men dus kunnen nagaan of dit het geval was.
Dr.Rogge in “De Morgen” van 28/1/1997: “Laten we wel wezen: bloedcontroles zijn niet het middel om EPO te bestrijden. De hematokrietgrens ligt hoog (50, RDS), bovendien haal je zo’n hoge grens niet met EPO alleen (de Colombianen zitten er bijna allemaal boven wegens hun verblijf op grote hoogte en ook onze eigen Glenn D’Hollander zit er van nature boven, RDS). Hooguit worden nu de excessen weggesneden.”
“Erytropoëtine heeft hetzelfde effect als bloeddoping,” aldus cardioloog Kenny De Meirleir van de V.U.B., die hiermee refereert aan nog niet verboden, want niet op te sporen methodes die o.a. de Finse fondloper Lasse Viren en de Amerikaanse wielrenners in Los Angeles aan klinkende successen hebben geholpen. In 2006 dook de methode opnieuw op in de zaak rond de Spaanse dokter Fuentes. Deze methode is in de praktijk onopspoorbaar, maar is niet zonder gevaar. In ons land overleed bijvoorbeeld een voetballer door een onvoorzichtigheid bij het “vernieuwen” van zijn bloed.
Ondertussen was Conconi echter al de loef afgestoken door zijn vroegere medewerker Dr.Ferrari, die van de universiteit van Ferrara een draaischijf heeft gemaakt. Tony Rominger en Moreno Argentin zouden hem zelfs contractueel een deel van hun inkomen moeten afstaan. Hij werd in die tijd “de duurst betaalde renner na Miguel Indurain” genoemd (wat uiteraard insinueert dat de dokter van Indurain ook in de slag zit: toen hij door Banesto werd ontslagen, nam Miguel hem zelfs persoonlijk in dienst).
Dr.Van Mol insinueert in Humo (31/12/96) ook dat het vertrek van Rominger en Olano uit de Mapei-GB-ploeg te maken heeft met het feit dat ze tegen de afspraken in toch Dr.Ferrari bleven consulteren. Op die manier werd Mapei-GB meer dan ooit een ploeg voor ééndagswedstrijden, want “hét probleem zijn de grote rondes: EPO laat ook de recuperatie vlotter verlopen. In grote rondes komt een Museeuw er niet meer aan te pas. Dat was vroeger wel het geval. Er wordt inderdaad harder bergop gereden. Dat hoef je niet te loochenen. Dat is het gevolg van de betere voorbereiding en de medicamenteuze begeleiding.”
In Parijs-Nice ’97 werden dan de eerste “overtreders” gesnapt: Erwan Menthéour, Luca Colombo en Mauro Santaromita. “Klein grut”, jawel, maar ook Laurent Jalabert en Johan Museeuw werden gecontroleerd en goed bevonden voor de dienst. ’s Anderendaags was de hematokrietgrens van Menthéour gedaald tot 46. Met zo’n verschillen dacht men niet te worden geconfronteerd. Meteen werd het onderzoek weer opgeschort en alle straffen teniet gedaan. Nochtans had Menthéour juist het hoogste gehalte (56), terwijl de anderen “slechts” 51 hadden (**). Anderzijds wil dit ook weer niets zeggen. Menthéour kan immers een bloedverdunnend middel hebben genomen. Volgens prof.Nijs volstaat zelfs een eenvoudig aspirientje daarvoor: “Het zijn echt dus alleen nog de onnozelaars die zich bij de meting van hun bloeddikte laten vangen.” (HLN, 26/3/97)
Als men bij jonge renners aan het gebruik van verboden producten denkt, dan gebeurt dat vooral in relatie tot dat oppervlakkig geneeskundig onderzoek. Men moet immers niet alleen de vraag stellen: kan het hart zo’n zware belasting aan? Eén van de voornaamste effecten van doping is precies dat de alarmfunctie wanneer men een bepaalde drempel overschrijdt, wordt uitgeschakeld. Een merkwaardig voorbeeld hiervan wordt b.v. gegeven door de Nederlandse operazangeres Charlotte Margiono, die voor de opname van “Cosi fan tutte” eigenlijk ziek was, maar die opname moest toch doorgaan: “Ik kon niks. Het was dan ook de eerste keer dat ik cortisone heb genomen. De volgende ochtend kon ik een hoge C zingen. Dat is gewoon niet normaal. Angstaanjagend. En nadien ben je kapot. Ik heb zelfs een tournee moeten afzeggen. Je gebruikt zoveel verkeerde energie. Je hebt dan een opname achter de rug en dan kom je ’s avonds thuis en dan ga je nog eventjes de vloer dweilen of zo. Je hypert gewoon maar door met die rotzooi.”
Toch klinkt het niet overal even negatief. Zo schrijft Staf De Wilde in zijn autobiografische roman “Mottebol” (2012) over een leerlinge: “Ze was aangesloten bij een club van wielertoeristen en had nog aan competitie gedaan, doping inbegrepen. Haar coach bezorgde haar druppeltjes: ‘Daar word je ferm agressief van,’ zei ze, ‘je gaat voor niemand uit de weg. En het bevordert de concentratie…’ Ze had het flesje doorgegeven aan de zwakste van de klas, met succes blijkbaar.” (p.21)
Deze nevenverschijnselen zijn vooral bekend uit de “amfetamine”-periode in het wielrennen. Hier gebeurde de opsporing door middel van urinetesten en er werd natuurlijk gefraudeerd tegen de sterren op, denk aan de peer van Pollentier, het condoom van Danny De Bie of de Nederlander Piet Rentmeester, die na dopingcontrole zwanger bleek te zijn… Hij had immers urine van zijn zwangere vrouw ingeleverd.
KNUD ENEMARK JENSEN
Als eerste “officiële” doping-dode wordt vaak de Deen Knud Enemark Jensen vermeld die na het overschrijden van de aankomst op de Olympische Spelen van Rome (1960) overleed. Alhoewel men oorspronkelijk aan amfetamines dacht, bleek het uiteindelijk om Roniacol te gaan, een middel dat de bloedvaten openzet. Men mag aannemen dat de hitte hier de grootste rol heeft gespeeld. Een ploegmaat ontsnapte trouwens ternauwernood aan de dood. Nochtans zou het nog tot zeven jaar later aanslepen vooraleer de dood van een wielrenner aanleiding zou geven tot een doorgedreven onderzoek naar het gebruik van stimulantia. “Gelukkig” was Tom Simpson veel bekender dan de jonge Deen, anders moesten er misschien nog meer anonieme doden vallen vooraleer men in actie wou treden (***). In 1966 b.v. was er nog een stakingsactie in de Tour en weigerden de eerste vijf van het W.K. op de Nürburgring (met o.a. Altig en Anquetil) een dopingtest te ondergaan. De U.C.I. durfde niet te bougeren…
De Spelen van Mexico 1968 waren de eerste, waarbij de atleten op het gebruik van doping werden gecontroleerd. De Zweed Hans Gunnar Lijenvall valt de twijfelachtige eer te beurt om als eerste betrapt te zijn geworden.
Vaak wordt in zo’n geval met argwaan in de richting van de begeleiding van de renners gekeken. De mysterieuze “soigneur”, half gangster, half medicijnman, mag dan nog grotendeels uit het peloton zijn verdwenen, naast het opzwepende kabaal van familie en zogenaamde supportersclubs, die steeds het volle pond eisen van de jonge renners, blijven er toch nog steeds figuren rondlopen die met de natte vinger aan rennersbegeleiding doen. Ook hier komt in de eerste plaats weer het gebruik van verboden producten op de proppen, maar ook andere omstandigheden, zoals verkeerde trainingschema’s of slechte voedingsgewoonten zijn minder onschuldig dan men op het eerste gezicht zou denken.
Nogmaals Dr.De Meirleir in “De Morgen”: “Het verschil tussen wielrenners en atleten ligt in de aard van de training en de verzorging. Dertig kilometer rond de kerktoren is onzinnig. Daar kweek je geen goede atleten mee. Ik heb al dikwijls in de adviescommissie aan de minister het advies gegeven om de kilometers van de koersen voor jongeren op te drijven. In hun eigen belang, want wetenschappelijk steunt een afstandsbeperking nergens op. Jonge wielrenners kunnen zich kapot rijden op 30 kilometer. Dat is veel erger dan 100 kilometer rijden in uithouding. In de jeugd moet uithouding worden getraind. Eén keer ze volwassen zijn, kan aan de weerstand gewerkt worden.”
Op dezelfde dag van het overlijden van Halupczok werd bekend dat de 23-jarige Danny Nelissen (nu commentator bij Eurosport, maar tijdens zijn wielerloopbaan ook alweer een lid van P.D.M.) een punt moest zetten achter zijn profcarrière omwille van een hartafwijking. Later werd dit wel herroepen en werd Nelissen zelfs nog wereldkampioen bij de “amateurs”. Dat was dan bovendien op grote hoogte in Colombia, het fameuze wereldkampioenschap waarvoor tal van toprenners bedankten. Hans Vandeweghe insinueert in “De Morgen” van 25/1/1997 dat dit ook te wijten was aan EPO-gebruik: “EPO in combinatie met hoogtetraining kan dodelijk zijn. Daarom wilden bijna geen toppers naar het WK wielrennen in Colombia. Daarom worden de werelduurrecords niet meer op hoogte aangevallen.”
Toen Nelissen in 1997 door een Nederlands blad van dopinggebruik werd beschuldigd omdat hij voorkwam in de dagboeken van Dr.Sanders van P.D.M., stapte hij naar de rechter en werd de beerput nog eens helemaal opengegooid. Zo konden we leren dat manager Manfred Krikke de opdracht had gegeven aan Wim Sanders om met doping te experimenteren: “Toen we met PDM begonnen, spraken we met elkaar af dat we niet de meest ethische ploeg van het peloton zouden worden, wel de beste. Uitgangspunt voor de PDM-directie was geen dopingaffaires en niet geen dopinggebruik. Binnen die grens konden we experimenteren met producten die op en over het randje waren.” (GVA, 29/11/1997) En zo kwam het dat Dr.Sanders na de Tour-affaire niet met de ezelsstamp aan de deur vloog, maar wel met 2,25 miljoen zwijggeld!
De reden waarom deze affaire opnieuw in de belangstelling kwam, had trouwens te maken met het indijken van het voorschrijfgedrag van artsen. Op die manier bleek Dr.Sanders tussen 1990 en 1995 tenminste 178 ampullen Eprex te hebben besteld bij diverse apotheken, terwijl hij geen enkele nierpatiënt had… Buiten Danny Nelissen werden ook Smeets, Akkermans, Van Orsouw en Vaessen als afnemers vernoemd.
De assistent van Dr.Sanders was Dr.Eric Ryckaert uit Merelbeke. Toen de PDM-ploeg werd opgedoekt, ging deze over naar de Festina-ploeg, terwijl uit R.M.O. Richard Virenque met Bruno Roussel en zijn persoonlijke verzorger Willy Voet overkwam. Het dient echter gezegd dat (volgens Eric Van Lancker) Roussel zich juist tegen “de clan Gisbers” (Van Lancker zelf, maar ook Van Poppel en Rooks b.v.) verzette. Anderzijds is het evenzeer zo dat de Ier Paul Kimmage uit de R.M.O.-ploeg stapte om meteen een boekje open te doen over de doping in de wielersport. Zoals gewoonlijk deed men het af als het verhaal van een gefrustreerd renner die het niet kon waarmaken. Gemakshalve stapte men dan maar over het feit dat Kimmage als amateur ongeveer even goed was als Maurizio Fondriest.
GROTE VERANTWOORDELIJKHEID
Het wordt je hoe dan ook koud om het… hart als je al deze namen van dode jonge mensen op één pagina bij elkaar ziet. Al wie verantwoordelijk is voor de sportbeoefening in ons land, weze het van de bond of van de bevoegde overheid, is dan ook aan een dringend gewetensonderzoek toe. Het ligt voor de hand dat men in eerste instantie met een beschuldigende vinger in de richting van de medische commissie van de B.W.B. wijst. Ondanks het feit dat het wielrennen immers een uiterst zware sport is (samen met marathon en squash vallen er hier het meeste doden door hartstilstand; de inspanning tijdens een zware bergetappe bedraagt zo’n 9.000 kilokalorieën, wat overeenkomt met een voetballer die drie volledige wedstrijden na elkaar zou spelen of een atleet die een dubbele marathon loopt), verloopt de keuring van de wielrenners routineus. Op tien minuten tijd heb je reeds je doktersattest in de hand. Of zoals Marc Sergeant het stelt: “Vaak is zo’n onderzoek niet meer dan driemaal door de knieën buigen en even naar de hartslag luisteren.”
Met andere woorden, of het hart van al die jonge mensen wel voor honderd procent geschikt was om deze sport in competitieverband te beoefenen, is wellicht nooit echt grondig getest. Bovendien stopt de verplichting om je medisch te laten keuren op 21-jarige leeftijd.
Dan gaat het er in Italië b.v. heel wat strenger aan toe. Daar werd een ploegmaat van Gianni Bugno, Roberto Amadio, op basis van dergelijke tests verdere uitoefening van zijn beroep ontzegd. Ook op het schiereiland beschouwt men dus renners met hartafwijkingen zoals Franco Bitossi, de Italiaanse kampioen uit de jaren zestig en zeventig, amateurwereldkampioen Alex Pedersen of de meervoudig wereldkampioen veldrijden Radomir Simunek als uitzonderingen. Francesco Conconi in “De Morgen” van 25/1/1997: “De doden in Nederland en België zijn niet het gevolg van EPO, maar van slecht of onbestaand medisch onderzoek. Hoe komt het dat weinig of geen Italiaanse renners doodgaan? Omdat de controle veel strenger is. Hoe komt het dat Kanu mocht voetballen bij Ajax, maar niet bij Inter Milaan? Omdat bij ons het hart van een sportman grondig onderzocht wordt. Die doden zijn het gevolg van hartafwijkingen, al of niet aangeboren of veroorzaakt door trainen met koorts. Die mensen hadden nooit sport mogen doen. Dat precies zoveel wielrenners dood gaan heeft te maken met de zware belastingen in die sport.”
Dat zijn natuurlijk allemaal mooie betrachtingen. Ik weet niet of men dat zal kunnen uitschakelen, doping zeker niet als men b.v. ziet dat voor het onderzoek naar het groeihormoononderzoek anderhalf miljoen dollar werd uitgetrokken door het IOC, terwijl het congres van Parijs in 1994 alleen al 15 miljoen dollar kostte en het Olympisch Museum op 80 miljoen is begroot. De prioriteiten liggen dus duidelijk elders, terwijl de dodenlijst steeds maar aangroeit…

Ronny De Schepper
(met dank aan Stephen Flockhart en Willy Bladt)

(*) Volgens Hans Vandeweghe (“Wie gelooft die renners nog?” p.34) deed dit gerucht inderdaad de ronde, maar zou dit onmogelijk zijn omdat het voorval met Lemond zich voordeed, twee jaar vooraleer epo op de markt zou komen. Anderzijds werd epo wel gebruikt tijdens de kankerbehandeling van Lance Armstrong (p.29). Het valt bovendien niet te ontkennen dat Armstrong na zijn behandeling “een ander mens” was geworden. Daarvóór had hij de fysionomie van een typische eendagsrenner, nadien werd hij – op papier – de grootste ronderenner aller tijden. Op zijn minst toch een merkwaardige vaststelling voor iemand die zo’n zware ziekte heeft doorgemaakt.
(**) Het “record” van Menthéour zou later worden gebroken door Bjarne Riis, “mister 60%”.
(***) De gegevens over Jensen komen eveneens uit het boek van Vandeweghe (p.261). Toch spant hij zich in om, ook in het geval van Simpson, de mogelijkheid van doping als doodsoorzaak weg te nemen. Dat begrijp ik niet. Akkoord, men moet zich aan de wetenschappelijke bevindingen houden, maar men mag toch ook niet in het andere uiterste vervallen en het gevaar van doping minimaliseren?

Referentie
Ronny De Schepper, Hoe sterk is het hart van de jonge fietser? Graffiti november 1990

7 gedachtes over “Philippe Casado (1964-1995)

  1. Ronny,

    Een zeer interessant artikel, maar toch enkele opmerkingen. Ten eerste over Intralipid. je schrijft dat dit kan gebruikt worden om bloed te verdunnen. Dit zou mij verwonderen gezien het een vetemulsie is. Het mag trouwens volgens de bijsluiter niet gebruikt worden bij een aantal aandoeningen waar je eerder zou verwachten dat het bloed moet verdund worden:
    Wanneer mag u dit middel niet gebruiken ?
    – Verstoringen van de afbraak van vetten in het lichaam
    – Sterke bloedingsneiging
    – Allergie voor kippeneiwit
    – Alle acute (plotselinge) en levensbedreigende situaties zoals:
    – Acute leverontstekingen, en matige tot ernstige leveraandoeningen
    – Afwijkingen in de bepaalde cellen in de milt en het lymfesysteem die in staat zijn om deeltjes, cellen of indringers te omvloeien (“op te eten”) en zo uit te schakelen
    – Shock, in dit geval is het bloedvaatstelsel niet voldoende gevuld
    – Recent doorgemaakt hartinfarct (“hartaanval”)
    – Herseninfarct of hersenbloeding (“beroerte”)
    – Embolie, problemen veroorzaakt doordat bloedproppen in de longen, hersenen of andere belangrijke organen terecht komen
    – Trombose, de vorming van bloedproppen in aders

    Eigenaardig dat een ploeg als MG-GB een renner (Halupczok) binnen haalde die het jaar ervoor zo goed als niet reed omwille van hartstoornissen.

    Glenn D’Hollander zat van nature boven de 50 hematocriet en toch was hij geen topper. Dus EPO alleen doet het niet. Trouwens ook Roger De Vlaeminck zat er indertijd boven.

    Overal worden er namen vermeld, maar de gestorven voetballer, daar wordt weer over gezwegen.

    Het verhaal over Piet Rentmeester is een kwakkel. Dat wordt overal rondverteld maar ik heb ooit ergens gelezen (jammer dat ik niet meer weet waar) dat dit eigenlijk geen waar is maar dat Rentmeester er hartelijk kon om lachen.

    Je schrijft dat in het WK in Colombia omwille van de mogelijke dodelijke combinatie van EPO en grote hoogte er bijna geen toppers meededen. Nochtans heb ik een rijtje van deelnemers die (achteraf) wel gecombineerd werden met EPO en niet van de minsten waren: Tonkov, Konyshev, Gianetti, Richard, Aldag, Bolts, Bugno, Casagrande, Chiappucci, Gotti, Pantani, Sorensen, Holm, Indurain, Escartin, Olano, Jiminez, Virenque, Brochard, Hervé, …

    Maar ik ga natuurlijk akkoord met de grote lijn in je tekst.

    Liked by 1 persoon

    1. Hartelijk dank voor je uitvoerige reactie, Jan, ik hoop dat Hans Vandeweghe daarmee zijn voordeel kan doen, als hij toevallig het artikel nog eens zou herlezen.
      Daarmee bedoel ik dat dit artikel toch al een twintigtal jaren oud is (misschien zijn er wel recentere correcties of toevoegingen in terug te vinden, maar het kerngedeelte is al heel oud), waardoor ik zelfs niet eens meer weet wie die voetballer dan wel mag geweest zijn. Misschien wist ik het zelfs niet meer op het moment van het schrijven :-) want ik ben uiteraard net zoals jij een tegenstander van het feit dat andere sporters meestal niet worden vernoemd (een recent voorbeeld: de zaak Meeusen).
      Ik weet eigenlijk ook helemaal niets af van de medicinale informatie die ik geef. Die heb ik gewoon overgenomen uit kranten of weekbladen, helaas zonder bronvermelding, mijn grote zwakke punt, ik kan er niet genoeg op hameren!
      Maar nogmaals, ik ben vooral verbaasd (maar wel heel erg blij) dat je het nu pas hebt ontdekt. Ik sleur dit artikel reeds jaren mee, telkens er een renner wordt herdacht die bij de zogenaamde “hartdoden” wordt gerekend. Ik zal het nu bij Casado laten zitten (als ik het binnen x aantal jaren alweer niet vergeten ben natuurlijk), opdat het dan een eenheid zou vormen met je reactie. En misschien, wie weet, komen er nu nog wel reacties?
      P.S. Ik hoop dat je het erbij horende artikel over de 100km ploegentijdrit (vroeger vormde dat één geheel, ik heb het uit elkaar gehaald omdat ik dit punt toch expliciet onder de aandacht wou brengen; Hans Vandeweghe verschilt daarover met mij van mening, maar hij heeft mij niet kunnen overtuigen) wél reeds hebt gelezen?

      Like

      1. Ronny,

        Ik denk wel dat ik dat artikel gelezen heb. maar voor alle zekerheid heb ik het nog eens afgeprint (ik lees niet graag op scherm). Een dezer dagen lees ik het weer en misschien heb ik nog wel een paar opmerkingen.

        Jan

        Liked by 1 persoon

  2. Nog dit. Hans Vandeweghe zijn commentaren zijn zeker nog beter onderlegd dan die van mij. In elk geval is zijn kennis van de dopingproblematiek veel beter dan die van mij. Ik heb zijn boek dan ook met veel interesse gelezen en daar waar ik soms zwaar van mening verschil met zijn standpunten moest ik hier toegeven dat hij een zeer genuanceerd en overzichtelijk beeld gaf van de dopingproblematiek binnen het wielrennen.
    Ik heb zijn boek dan ook al een aantal keer aanbevolen tijdens discussies over doping op o.a. Wielerarchieven en ik ben zelfs geneigd niet meer in discussie te gaan met mensen die het boek niet gelezen hebben. Of HVDW iets zal hebben aan mijn commentaren betwijfel ik. Het (statistisch) cijfermateriaal bij de 100 km mag hij natuurlijk altijd gebruiken.

    Liked by 1 persoon

  3. Hans Vandeweghe gaf mij de toestemming de volgende reactie te plaatsen:
    “Ik denk meer en meer dat onze hartdoden het gevolg zijn van een overaanbod corticosteroïden en dat is wel een fenomeen dat vooral in Nederland en België opgang maakte omdat het de eerste medicatie was tegen inspanningsastma. In combinatie met bijzonder zware inspanningen en weinig duurtraining, leidt dat tot hartschade, al zijn cortico’s daarbij niet eens nodig. Als je Johan Van Lierde cardioloog cum laude mag geloven, is de inspanning op zich al genoeg.
    gr,
    Hans”

    Liked by 1 persoon

  4. Beste Meneer de Schepper. Een heel goed stukje inderdaad. Dank.
    Ik wilde u vragen of u ook een bron heeft voor het gerucht van Rudy Dhaenens over Lemond? Ik heb op internet een beetje nagezocht, maar kan niets vinden. Ik zou graag meer leren over de introductie van EPO in het peloton

    Liked by 1 persoon

    1. Bedankt, Erik. Dit artikel (of althans die passage) is eigenlijk al vrij oud en die referentie naar de introductie van EPO in het peloton via het jachtongeval van Greg LeMond heb ik ook niet meer terug kunnen vinden. En destijds heb ik dus (alweer!) nagelaten mijn bron hiervoor te vermelden. En Rudy is ondertussen overleden, dus die kunnen we het ook niet meer vragen. Sorry.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.