Vandaag is het 75 jaar geleden dat de Duitse wielrenner Albert Richter, gewezen wereldkampioen sprint bij de amateurs, door de nazi’s van een trein werd geplukt die hem naar Zwitserland zou brengen. Een paar dagen later was hij dood. Het hoe en het waarom is nog altijd niet helemaal opgehelderd. (Op de foto staat Albert Richter uiterst rechts. Hij wenst de winnaar, onze landgenoot Poeske Scherens, geluk. Let op het feit dat Richter een trui draagt met de Duitse adelaar en niet met het op dat moment alomtegenwoordige hakenkruis.)

De dagjestoeristen aan zee zitten op elkaar gepakt als sardientjes. Telkens iemand vraagt of men nu bijna gaat vertrekken, zeggen de NMVB-beambten “dadelijk, dadelijk”, maar het blijft duren. Schokstaking. “Denk je dat de regering daar nu één zier om geeft?” vraagt een Antwerpenaar retorisch. Het gemor wordt steeds erger. Vooral oude frankofone taartjesvreetsters uit Brussel doen aan stemmingmakerij. De sfeer is nu een volle honderd procent tégen. Dat kan toch nooit de bedoeling van een vakbondsactie zijn?
Als de tram na twee uur zich dan toch in beweging zet, stijgt een ironisch applaus op. Twee jonge beambten treden onmiddellijk in actie om het geld te incasseren. Geen staking wat dat betreft. Toch even zeggen: een betaalstaking zou veel efficiënter zijn, zo krijg je de gebruikers op je hand, de mensen voor een symbolische frank laten rijden, het openbaar vervoer zou eigenlijk gratis moeten zijn. De beambte geeft me gelijk. “’t Is twintig frank”, zegt hij ook nog (we zitten nog in de jaren tachtig).
Een oude man valt me plotseling bij. Vroeger heeft hij ook nog bij het openbaar vervoer gewerkt, zegt hij, nog délégé geweest. Je mag je niet laten doen, je hebt gelijk, actie voeren, maar niet ten koste van de gebruikers. Een betaalstaking, ja, een uitstekend idee.
Alhoewel ikzelf ook geen twintig meer ben, kan hij eerder mijn grootvader dan mijn vader zijn. En toch is er nu een band. We knipogen naar elkaar en glimlachen. “Mijnheer”, zegt hij en het valt me op dat hij niet “kameraad” zegt. Ik neem me voor ook “mijnheer” te zeggen.
“Mijnheer, over welke wielrenner gaat dat boek dat je aan het lezen bent? Van Springel, zeker?”
“Albert Richter,”
zeg ik, “het boek gaat over Albert Richter.”
“Richter dedju!”
vloekt opa, “die heb ik destijds nog in Brugge weten rijden. Goede sprinter. Vormde samen met Poeske Scherens en de Fransman Gérardin een onafscheidelijk trio. Of eigenlijk waren ze met vier. Er was nog een Hollander bij ook.”
“Van Vliet”,
help ik, “maar die is wat jonger.”
“Ha, zo,”
mompelt hij. “Richter… Wat zou er daarvan geworden zijn?”
“Wist je dat dan niet? Die is in 1940 door de Gestapo neergeschoten.”
“Ha, zo,”
echoot mijn gesprekspartner zichzelve na, terwijl de halte waar ik er af moet in zicht komt. Er valt een stilte. Hij staart een beetje dromerig voor zich uit.
“Vanwaar was die Richter eigenlijk?”
“Van Keulen,”
zeg ik.
“Zo dichtbij,” mompelt hij en weer kijkt hij onbestemd in het verleden.
Zo veraf en toch zo dichtbij, inderdaad…
EEN JONGETJE UIT KEULEN
In 1927 werden de wereldkampioenschappen wielrennen op de baan betwist in Keulen. Ongetwijfeld had het stadsbestuur (geleid door Konrad Adenauer overigens) daartoe beslist omdat de stad beschikte over twee uitstekende amateur-sprinters, Matthias Engel en Peter Steffes. Ze losten ook de verwachtingen in door respectievelijk eerste en derde te worden.
Aan de kant van de piste stond een jongetje vol bewondering naar zijn idolen te kijken. Albert Richter zou dat jaar op 14 oktober vijftien worden en was reeds bezeten door de wielersport. Op de weg was hij eens drie wielrenners tegengekomen, Udo Schmidt, Hans Müller en Werner Modal, en ondanks het feit dat zij getrainde atleten waren en hij met een gewone fiets reed, klopte hij hen toch in de sprint. Vooral Modal zag wat in de knaap en samen “wrochten” ze een renfiets, want de ouders van Richter zagen dat wielrennen niet zitten. De vader was stukadoor, zijn twee oudere broers waren hem reeds in dat beroep gevolgd en nu was het ook de beurt aan de jonge Albert om in het bedrijf te stappen.
Die dreef echter zijn willetje door en boekte gelukkig tamelijk vlug succes, zodat zijn ouders zich bij zijn beslissing neerlegden. In 1932 versloeg Albert in Rome de lokale sprinter Nuno Mozzo en werd wereldkampioen bij de amateurs. Hij kreeg de bijnaam “Achtcilinder” en samen met zijn vriend Toni Merkens mocht hij op de voorpagina prijken van het tijdschrift uitgegeven door de Duitse wielerbond. Men “vergat” hem wel in te schrijven voor de Olympische Spelen in Los Angeles, zodat daar de veel zwakkere Nederlander Jaak Van Egmond Olympisch kampioen werd. Datzelfde jaar versloeg “onze” Jef Scherens de Fransman Michard en Matthias Engel bij de profs.
Ondertussen waren vader Richter en de enige broer die nog thuis was (de andere was ondertussen getrouwd) werkloos geworden en moest Albert instaan voor het hele gezin. Hij werd dan ook onmiddellijk prof (sponsor: Dürkopp) en alweer met succes: hij wordt meteen Duits kampioen (hij zal dit onafgebroken blijven tot zijn dood) en eindigt in 1933 derde op het WK in Parijs achter Scherens en Michard. Als manager heeft hij toen reeds een zekere Berliner aangetrokken, een joods zakenman die ook buiten de piste de zaken van de familie Richter zal behartigen. Er ontwikkelt zich een diepe vriendschap. Richter leert zelfs viool spelen op aandringen van Berliner!
Datzelfde jaar wordt de wielerbond echter onder nazi-toezicht geplaatst. De rennersvakbond “Solidarität” wordt opgeheven en joden kunnen geen licentie meer krijgen om de sport te beoefenen. In Duitsland kon Richter dus niet meer met Berliner werken, maar in het buitenland deed hij dat wel, ook al deden de Duitse bladen al het mogelijke om Berliner niet op de foto te moeten zetten. Dat kwam deze overigens goed uit, want hij wilde zelf ook niet Richter in opspraak brengen.
Matthias Engel, die met een joodse vrouw was getrouwd, werd aangemaand van haar te scheiden. Hij weigerde en zag daarmee zijn wielerloopbaan beëindigd. In 1937 zal hij naar de V.S. uitwijken.
Vanaf die tijd moesten de Duitse renners ook met een hakenkruis op de trui rond rijden. De meesten deden dit echter niet in het buitenland, omdat andere renners dan niet tegen hen wilden uitkomen. In de Ronde van Frankrijk echter wel! Bovendien slaagden in 1937 en 1938 twee Duitsers erin (resp.Bautz en Oberbeck) een rit te winnen en de gele trui te nemen. Of er dan ook een hakenkruis op de gele trui stond, weet ik niet, maar in een documentaire van de Duitse televisie over honderd jaar Tour de France werden de truien alvast opvallend buiten beeld gehouden…
Helemaal uitgesloten is het trouwens niet, want het is bekend dat tijdens de Tweede Wereldoorlog Tourdirecteur Jacques Goddet lustig collaboreerde met de Duitsers (editorialen waarin gefusilleerde weerstanders als misdadigers werden afgedaan, grote nazi-bijeenkomsten in de Vel’d’hiv die eigendom was van L’Auto, enz.), vandaar trouwens dat L’Auto in 1944 moest ophouden met te verschijnen, al zou het later als L’Equipe herrijzen. Wat Goddet echter niet wou doen (*), is een Ronde van Frankrijk organiseren onder Duitse auspiciën. Dan deed Jean Leuillot (de organisator van Parijs-Nice) het maar, onder de benaming “Circuit de France”!
BOETE
In 1934 hebben de wereldkampioenschappen plaats in Leipzig. Ook Richter moet de officiële trui met een hakenkruis dragen, maar hij rijdt bewust met de vroegere trui van de Duitse wielerbond. Jef Scherens verslaat er Richter en bij de huldiging wordt de massa opgeroepen “Sieg Heil” te roepen. Op een foto is te zien dat Richter als enige demonstratief weigert de Hitlergroet te brengen…
Een jaar later krijgen we in Brussel hetzelfde erepodium. De finale is overigens de enige filmopname die er van Richter bestaat en, aangezien het niet in Duitsland is, kan men ook duidelijk zien dat het Berliner is, die hem afduwt bij de start. Bij de liefhebbers wint Merkens voor Van Vliet. Iets wat ook het geval is op de Olympische Spelen van Berlijn, waar Van Vliet nochtans klacht neerlegt omdat hij door Merkens werd gehinderd. De jury neemt een merkwaardige beslissing: de uitslag wordt gehandhaafd, maar Merkens moet wel honderd goudfrank boete betalen. In het orgaan van de wielerbond bedankt Merkens Hitler omdat het dankzij hem is dat hij de wereldtitel heeft behaald.
In 1937 worden in Duitsland door Hitler de populaire “zesdagen” verboden omdat ze “mensonterend” (!) waren. De beste Duitse zesdagenrenners weken dan ook uit naar de V.S. waar Gustav Kilian (1907-2000), Heinz Vopel (1908-1959) en Werner Miethe (1906-1968) in 1934 reeds de zesdaagse van Cleveland hadden gewonnen. Kilian en Vopel bleven in Amerika en stapelden de overwinningen op. Hiervoor kregen ze van Goebbels de “Wilhelm Gustloff Preis” voor verdiensten in het buitenland, wat op het eerste gezicht merkwaardig is, zeker omdat Kilian zich op een buitenlandse bankrekening liet betalen in dollars, maar Vopel van zijn kant was een echte nazist die zijn bloemen zelfs naar de Führer stuurde.
Miethe daarentegen keerde in 1937 terug naar Duitsland om er als manager aan de slag te gaan. Ook Steffes was ondertussen wielrenner àf en hij nam contact op met Miethe: waarom bleef die verdomde Richter nu toch met die vuile jood van een Berliner werken? Als zij nu eens met hem konden werken, dan was hun broodje toch gebakken?
Richter houdt echter voet bij stuk en in de jaren vijftig zal Berliner van dit “complot” gewag maken in een brief. Als in 1990 scenarist Raimund Weber en cameraman Tillmann Scholl voor hun documentaire “Auf der Suche nach Albert Richter” Steffes naar een reactie vragen, antwoordt mevrouw Steffes in naam van haar man dat Berliner “ein Schweinehund” is.
“Maar als dat dan zo is, waarom hebben jullie dan geen juridische stappen ondernomen tegen hem?” vragen Weber en Scholl. “Och,” zegt mevrouw Steffes, “hij zat in Amerika, wat konden we doen?”
In 1939 wordt de grond stilaan te heet onder de voeten voor Albert Richter. Bovendien heeft hij, net als alle renners, schrik dat hij onder de wapens zal worden geroepen. Ene Alfred Schweizer, een zakenman uit Keulen die reeds naar Zwitserland is gevlucht, vraagt hem om 15.000 mark over de grens te smokkelen. Richter vertelt dit aan Steffes, maar deze raadt het hem af: “Geef dat geld liever terug aan de moeder van Schweizer, die nog in Keulen woont.” Richter aarzelt en Schweizer wordt ongeduldig.
In december van dat jaar krijgt Richter een contract aangeboden in Berlijn. Berliner bezweert hem op zijn hoede te zijn, maar Richter stelt hem gerust: “Dat zal mijn laatste wedstrijd zijn in Duitsland.”
Het bleek nog waar te zijn ook. Alleen wist Richter niet dat het zijn laatste wedstrijd eender waar zou worden…
Op het nieuwjaarsnummer van het tijdschrift van de wielerbond prijkt zijn foto nog op de voorpagina. Op oudejaarsavond wordt Richter echter aangehouden aan de Duits-Zwitserse grens. Bij een zogezegde routinecontrole doorzoeken de douane-beambten meteen de tubes (speciale fietsbandjes) van Richter. Daarin heeft hij immers geld verborgen. Of het nu zijn geld was, waarmee hij naar het buitenland wilde vluchten, of dat van Berliner of dat van Schweizer, dat is nooit opgehelderd, feit is dat de douaniers duidelijk getipt waren. Andere renners (b.v. de wegrenner Risiger) bevestigen dat wielermateriaal een gebruikelijke plaats was om geld te smokkelen, precies omdat daar nooit naar werd gekeken (enkele jaren geleden werden Colombiaanse wielrenners nog betrapt op cocaïnesmokkel, verborgen in het frame van hun fietsen).
SPIONAGE
Op 3 januari meldt de Duitse radio dat Albert Richter is overleden, zonder opgave van reden. Een paar dagen later verschijnt in de krant het bericht dat hij is overleden bij het skiën (hij had inderdaad ook ski’s meegenomen naar Zwitserland). Op 10 januari verschijnt er dan ondanks het verbod van de wielerbond toch een officieel doodsbericht in de lokale krant om de begrafenis aan te kondigen. Alleen familieleden en collega-wielrenners dagen op. Bij al de anderen zit de schrik er goed in.
Op 17 januari verschijnt het volgende bericht in het Engelse wielerblad Cycling Weekly: “Mystery surrounds the death of Albert Richter, the famous German professional sprinter, whose death was reported in Switzerland. News was given that Richter was killed in a skiing accident. Now we learn from a reliable source in Belgium that certain riders returning from Zurich via Germany into Holland were told by German customs officials that Richter had been detained as he was leaving Germany with 40.000 marks concealed in the tyres of his bicycle. In Paris there is a strong suspicion that Richter has been executed by the German authorities.”
Die “reliable source in Belgium” zou wel eens Jef Scherens kunnen zijn. In 1982 wist hij me nog te vertellen dat Richter “een meisje had in Zürich en dat hij zijn geld daarom uit Duitsland wilde weghalen en naar Zwitserland overbrengen. Dat geld was weggestopt in zijn tubes, maar hij was verraden en aan de grens hebben ze hem gepakt. Ik denk niet dat hij daar ging koersen, want anders was ik er zeker ook bij geweest. De waarheid heb ik pas later vernomen van zijn ouders, want daarmee ben ik nog lange tijd bevriend geweest. Ik ben ze verscheidene malen gaan opzoeken en ik heb ook met andere coureurs gesproken zoals Toni Merkens. Die heeft me in Berlijn eens in zijn cabine geroepen en in mijn oor gefluisterd – want ze durfden toen natuurlijk niets luidop zeggen – hoe hij doodgeschoten was, namelijk dat hij gepakt was op de grens in Bazel en daarna naar Keulen getransporteerd (in werkelijkheid was het Löhrer of zoiets, RDS). En daar hebben ze hem in de gevangenis gestopt. Dat is wat Merkens me heeft gezegd, hé! En de bewakers van ’t prison zouden toen aan Richter gezegd hebben: luister, daar is niks aan te doen, deviezensmokkel, dat betekent fusilleren, maar we geven u een kans, we zullen de poort openlaten en tracht te gaan lopen. En Richter heeft, ter goeder trouw zeker, gedacht dat ze het goed met hem meenden en toen hij ging lopen hebben ze hem neergeschoten (**). Zo heeft Toni Merkens mij verteld, maar die is nu ook dood, hé, hij is gesneuveld op ’t Russisch front. ’t Is dus wel een goede bron. Ik zie niet in waarom hij zou gelogen hebben.”
COR WALS
De versie over het ski-ongeval hield niet lang stand. Op diezelfde trein zaten immers ook twee Nederlandse wielrenners, Cor Wals en Kees Pellenaers, en die hadden gezien hoe Richter door de Gestapo werd opgebracht. Toen zij in het buitenland deze versie verspreidden, was de Gestapo wel verplicht met een nieuw verhaal uit te pakken. Dat werd dan dat Richter zich in zijn cel had verhangen. Maar toen zijn oudere broer diens kleren ging ophalen, waren er bloedvlekken op…
Het verhaal van de Nederlanders is een beetje cynisch, want tijdens de bezetting van Nederland door de nazi’s werd Cor Wals zelf lid van de SS en verloor zo het aanzien van de wielerliefhebbers. Toen hij in 1941 kampioen werd in een shirt van de SS, wilde niemand hem de bloemen overhandigen, zodat men een terreinknecht moest dwingen het te doen. Tijdens zijn ereronde werd hij bekogeld met zitkussentjes. Als reactie meldde Wals zich vrijwillig aan voor het Oostfront. Lange tijd werd het verhaal verspreid dat hij bekend stond als een bloeddorstige kampbewaker en zijn voornaamste slachtoffer in het concentratiekamp van Neuengamme Jan Van Hout zou zijn geweest, gewezen uurrecordhouder en toevallig ook uit Eindhoven. Van Hout overleefde de martelingen niet. Wals zelf kwam ervan af met enkele jaren gevangenisstraf en – ongelooflijk maar waar – huwde de weduwe van Van Hout. Hij is pas in 1994 overleden. Later werd dit verhaal echter tegengesproken door onderzoeksjournaliste Dominique Elshout van het blad Achilles.
Een andere Nederlandse uurrecorder, Frans Slaats, verbleef bij het uitbreken van de oorlog in Zuid-Amerika en kon niet meer terugkeren naar Nederland. Achteraf is gebleken dat het voor hem raadzaam was daar te blijven, want zijn vier broers werden wél door de nazi’s gefusilleerd.
Over het algemeen stimuleerde de Duitse bezetter de sportbeoefening echter als “uitlaatklep” en tevens als middel om zich geliefd te maken. Zo moesten profwielrenners niet naar Duitsland gaan werken. Men kan dus wel denken dat het aantal profs plotseling sterk toenam! Voor de oorlog waren er in België 64 en in 1943 was dat al opgelopen tot 145.
In wegwedstrijden viel het echter wel af en toe voor dat renners wegens het voedseltekort uitgeput van de fiets vielen.
Na de oorlog wordt Viktor Brack, de SS-voorzitter van de Duitse wielerbond, door het Nürnberg-tribunaal ter dood veroordeeld. Hij werd in 1946 opgehangen.
Berliner laat een onderzoek uitvoeren naar de ware doodsoorzaak van zijn poulain, maar in 1966 wordt het dossier gesloten met een bevestiging van de Gestapo-versie (“zelfmoorden waren in die tijd schering en inslag”). Volgens Weber en Scholl, die zélf voor hun film ook voortdurend werden tegengewerkt, was dit gewoon omdat de verrader op dat moment nog leefde. Tal van renners bevestigen dat het verraad door een andere renner is gepleegd, uit afgunst of om bij de nieuwe machthebbers op een goed blaadje te staan. De grootste verdenking ging uit naar Werner Miethe, maar dat kon niet, want die was in de herfst van 1939 hier in België als spion aangehouden en opgesloten. Hij was overigens ontmaskerd door een collega-zesdagenrenner, Maurits Dewolf, een Hammenaar die tijdens WOII in het verzet heeft gezeten. Hij bekampte de Duitse bezetter zelfs (als Frans soldaat) in Noord-Afrika. Aanleiding was juist zijn aangifte van de Duitse spion Miethe bij het gerecht. Daardoor moest Dewolf naar Engeland vluchten en kwam zo als vrijwilliger bij de Franse leger.
Na de Duitse inval in mei 1940 werd Miethe bevrijd en zou hij nog “carrière maken” bij de Gestapo. Toch zou hij na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog wedstrijdleider worden in zijn geboortestad Berlijn.
Weber en Scholl kwamen tot de conclusie dat enkel Peter Steffes de verrader kon zijn. Als ze hem onder het mom van een interview over zijn wielerloopbaan vragen enkele tijdgenoten op te noemen “vergeet” Steffes de naam van Richter. Als ze hem aan diens dood herinneren, wordt Steffes zenuwachtig en neemt zijn vrouw over. Plotseling kan ze het verhaal van de tubes zich nu zelfs tot in de détails herinneren! Maar neergeschoten? Nee, “das ist Quatsch! Richter had helemaal niets te vrezen, men zou hem terug hebben laten lopen, maar ja, hij is bang geworden en heeft zich opgehangen. ’t Is altijd al een naïeve jongen geweest,” besluit mevrouw Steffes…
Poeske Scherens: “Luister, Richters manager, hé, die heette Berliner en dat was een jood. En ik weet nog heel goed dat ik tegen Richter zei, als kameraad hé, ik zei: ge moet die mens niet laten vallen, maar ge weet dat ze tegen de joden zijn, laat dus zo niet zien dat ge het voor hem hebt. Maar ja, Richter die wou dat niet stoppen, hé, en dat is volgens mij zijn dood geweest. In Parijs waren we nochtans bij dezelfde manager, een genaamde Keizer. En die zorgde voor de affiches van de Grote Prijzen. D’r waren er ook nog andere bij, maar dat waren dan – hoe zal ik zeggen – minder importante coureurs zogezegd. En daardoor reden wij altijd samen. En zo wordt ge bevriend, hé. Ik ben nog dikwijls bij z’n ouders geweest, ik heb zelfs nog een foto op faïence laten maken, ge weet wel zoals ze op de kerkhoven zetten, en die zijn we op zijn graf gaan zetten. De politie had dat verboden, maar zijn vader zei: die foto komt er wél op en dan hebben ze hem maar laten staan. Maar nu weet ik van zijn ouders niets meer. Ge weet hoe dat gaat, hé. Eerst gaat ge daar naartoe, dan schrijft ge nog een kaartje met nieuwjaar en daarna…”
ZEVEN JAREN VAN EEN WIELRENNER
Het levensverhaal van Albert Richter werd te boek gesteld door de Keulse journaliste Renate Franz (“Der vergessene Weltmeister”, uitgeverij Emons, 1998, 192 blz.), maar twintig jaar eerder werd zijn leven door de DDR-auteur Herbert Friedrich in een geromantiseerde versie met gewijzigde namen beschreven in “Zeven jaren van een wielrenner” (uitgeverij Sjaloom, 366 blz.). Het is een boek dat speciaal bedoeld is voor de jeugd, maar dat zoals elk goed jeugdboek ook door volwassenen kan worden gelezen. Het is geen “echte” beschrijving van de carrière van een kampioen. Geen opsomming van z’n overwinningen, z’n valpartijen, z’n nederlagen. Maar anderzijds veel “echter” dan die lijstjesboeken. Want daar lijkt het wel of die renners in een vacuum hebben gereden. Hadden zij broers of zusters? Vrienden buiten het milieu? Kwam hun liefje zo maar uit de lucht vallen? Hadden zij dan echt geen enkele politieke opvatting?
Voor Herbert Friedrich ligt dit allemaal heel eenvoudig. Ja, een renner is ook maar een mens, zoals zelfs Eddy Merckx placht te zeggen. Natuurlijk, uitslagen kun je aflezen uit de krant, maar dat andere is veel moelijker. Vooral als de renner in kwestie reeds meer dan veertig jaar dood is. Omdat één en ander dan ook niet helemaal na te trekken valt, heeft Friedrich voor een geromantiseerde benadering geopteerd, compleet met gefingeerde namen en al.
Zoals gezegd gaat het boek dus eigenlijk over Albert Richter, die in die tijd samen met Poeske Scherens en de Fransman Gérardin een onafscheidelijk trio sprinters vormde. Later kwam daar ook nog de Hollander Arie Van Vliet bij. In het boek krijgen ze echter andere namen. Richter is Otto Pagler, Scherens heet Jeffe Stevens en Gérardin gewoon Gérard. Volgens de auteur waren Richters broer en zijn vrouw ook bij het communistische verzet tegen Hitler, maar daarvan heb ik verder geen bewijzen kunnen terugvinden. Het stond wel vast dat Richter zelf eigenlijk niets met politiek wilde te maken hebben, maar de politiek ging zich met hém bemoeien. Volgens de auteur werd hij (net als Miethe) gevraagd om in opdracht van de Führer te spioneren in het buitenland. Dat weigerde hij. Hij zag hoe z’n familie en vrienden opgejaagd werden en koos voor hén. Dat was meteen z’n doodvonnis.
Dat de broer en de vrouw van Richter bij het communistische verzet tegen Hitler zouden geweest zijn en dat anderzijds Richter door de nazi’s onder druk zou gezet zijn om te spioneren op zijn buitenlandse reizen, daarover spreken Weber en Scholl niet, ook al zijn ze zelf ook duidelijk “links” geïnspireerd. Ze spreken zelfs niet over het feit dat Richter zou getrouwd geweest zijn. Ze weten wel te melden dat zijn beide broers Karl en Jozef omgekomen zijn in de oorlog. Deze toevoegingen mogen we dus wellicht op rekening schrijven van het feit dat Friedrich de DDR-propagandamachine een dienst heeft willen bewijzen.
Dat neemt echter niets weg van de eigenlijke verdienste van het boek, namelijk tonen hoe apolitisme onmogelijk is onder druk van de omstandigheden. Als jij je niet met de politiek bemoeit, dan bemoeit de politiek zich wel met jou. Richter wou afzijdig blijven, maar de nazi’s hielden niet van het apolitisme van Richter. Hij moest een propaganda-instrument zijn voor hen. Dat wilde hij niet en “dus” was hij een vijand. “Wie niet met ons is, is tegen ons”.

Referentie
Ronny De Schepper, “Gevallen bij het skiën”, De Rode Vaan nr.26 van 1982
Ronny De Schepper, Albert Richter: de wielerkampioen die de Hitlergroet weigerde, Switch september 1994

(*) Naar aanleiding van de Olympische Spelen van Berlijn zou Jacques Goddet wel een editoriaal schrijven over “De misvormde Spelen”, maar als men dit dan leest (b.v. op p.100 van het boek “De Olympische Spelen van Athene tot Athene”, uitgeverij Lannoo, 2004) dan kan men vaststellen dat Goddet evenzeer, zo niet nog méér verontwaardigd was over de Spelen van Los Angeles, die eraan voorafgingen, omdat deze de Fransen wilde weglokken van “de onvergelijkelijke Côte d’Azur” naar “het altijd onbewolkte Californië”. “Wat zal ons in Tokio over vier jaar te wachten staan?” vraagt Goddet zich af. “De lofzang op een heel ras, het gele ras? De vooruitgang gaat door en is bedreigend. Ik stel voor om de Spelen van 1944 te laten plaatsvinden op de planeet Mars. En daarna? We zullen wel zien.”
(**) Dat zou dan op 2 januari gebeurd zijn.

4 gedachtes over “Albert Richter (1912-1940)

  1. Beste Ronny,

    ik lees steeds met veel interesse en bewondering je diepgaande stukken. Sport an sich interesseert me zo niet, maar deze combinatie met politiek vond ik erg interessant.
    Ik wou even reageren op een piepklein detail, maar het viel me op.
    Je schreef namelijk: “Datzelfde jaar wordt de wielerbond echter onder nazi-toezicht geplaatst en verschijnt het tijdschrift vanaf dan in Gotische letters.” Ik was verrast, want ik meende me te herinneren dat Hitler juist dit lettertype verboden had.
    Je weet allicht dat ik een grote interesse voor typografie heb. Het is opmerkelijk dat zo’n onschuldig ding, die kleine lettertjes waarmee we teksten en boeken maken, niet ontsnapt aan de dwaze bemoeienissen van de politiek.
    Ik ben wat gaan opzoeken en kwam terecht op de excellente site van ene Wolgang Beinert. In het hoofdstuk over “der Fraktur” (zo noemt de letter die wij gotisch noemen) geeft hij een omstandige geschiedenis.
    De letter wordt in 1507 gecreëerd door Leonhard Wagner, vanzelfsprekend op basis van het courante handschrift. In de volgende eeuwen wordt de letter hoofdzakelijk gebruikt in Duitstalige en ook Nederlandstalige gebieden, terwijl voor Latijnse en Franse teksten de romein gebruikt wordt (ook in Duitse drukkerijen). Zo kan je boeken tegenkomen die in de Fraktur gezet zijn, maar wanneer een Latijns citaat wordt afgedrukt, gebeurt dat in de heldere romein.
    In de 18de eeuw is er een tendens, zeker ook vanuit schrijvers, om de minder zware romein te gebruiken. Er zijn pogingen van verschillende typografen om een lichtere versie te creëren.
    De napoleontische oorlogen fnuiken echter deze pogingen? De romeinse letter wordt als te ‘französisch’ beschouwd en daarom grijpt men terug naar de vertrouwde Fraktur.
    Jakob Grimm pleit in 1854 terug voor de heldere Antiqua (gebaseerd op de romein) maar von Bismarck wil er niet van horen en in 1871 maakt hij van de Fraktuur de officiële Duitse letter.
    In het begin van de 20ste blijft het lettertype regelmatig een gespreksonderwerp in de Reichstag. In die eerste decennia worden nog heel wat moderne Frakturvarianten gemaakt. In het begin eigenen de Nazi’s zich ook de letter toe als oerduits, maar verrassenderwijs begint vanaf 1939 een racistische polemiek op gang te komen en in 1941 schaft Hitler via een woordvoerder het gebruik van de Fraktur af:
    Zu allgemeiner Beachtung teile ich im Auftrag des Führers mit: Die sogenannte gotische Schrift als eine deutsche Schrift anzusehen und zu bezeichnen ist falsch. In Wirklichkeit besteht die sogenannte gotische Schrift aus Schwabacher-Judenlettern. Genauso wie sie sich später in den Besitz der Zeitungen setzten, setzten sich die in Deutschland ansässigen Juden bei der Einführung des Buchdrucks in den Besitz der Buchdruckereien, und dadurch kam es in Deutschland zu der starken Einführung der Schwabacher-Judenlettern. Am heutigen Tage hat der Führer in einer Besprechung mit Herrn Reichsleiter Amann und Herrn Buchdruckereibesitzer Adolf Müller entschieden, dass die Antiqua-Schrift künftig als Normalschrift zu bezeichnen sei. Nach und nach sollen sämtliche Druckerzeugnisse auf diese Normalschrift umgestellt werden. Sobald dies schulbuchmäßig möglich ist wird in den Dorfschulen und Volksschulen nur mehr die Normalschrift gelehrt werden. Die Verwendung der Schwabacher-Judenlettern durch die Behörden wird künftig unterbleiben; Ernennungsurkunden für Beamte, Straßenschilder u. dergl. werden künftig nur mehr in Normalschrift gefertigt werden. Im Auftrage des Führers wird Herr Reichsleiter Amann zunächst jene Zeitungen und Zeitschriften, die bereits eine Auslandsverbreitung haben, oder deren Auslandsverbreitung erwünscht ist, auf Normalschrift umstellen.
    Plots is de Fraktur een Judenletter geworden. Gutenberg was dus al fout…
    Ook nu nog wordt de gotische letter regelmatig in verband gebracht met anti-semitisme, met neonazisme en met het derde rijk. Dit is (kunst)historisch gewoon je reinste onzin. Maar onzin is des mensen en zeker des politiekers hé.
    Groeten,
    Jan

    Like

  2. Als Nederlander die al jaren in Engeland woont, kwam ik vandaag dit artikel tegen, omdat ik mijn jeugdherinneringen over wielrenners van de vijftiger jaren weer wat op wilde poetsen.
    Daarbij komt natuurlijk ook de figuur van ploegleider Kees Pellenaers te pas, de voormalige wereldkampioen, die ook genoemd wordt in dit artikel.

    Ronny de Schepper’s verhaal is zo belangrijk omdat het de wielersport plaatst in het historisch gebeuren van de nazi-tijd. Ik hoop meer van z’n artikelen tegen te komen in de toekomst!

    Like

  3. Albert Richter un’aquila fra le svastiche

    Il ciclismo tedesco tra nazismo ed esoterismo (1919 -1939)

    di Fabrizio Ulivieri

    Possono le ombre condizionare lo Spirito di un popolo fino alla tragedia?

    Ombre che allungandosi attraverso la mente di ariosofi, esoteristi e maghi si incunearono nello spirito e nell’ideologia nazista e la modellarono secondo i loro principi, lo poterono.

    Nello Spirito di queste Ombre si svolse la breve e tragica vita di un grande gladiatore della pista, Albert Richter. Un gladiatore biondo, dagli occhi azzurri, semidivino, dal fisico possente ma dai colpi lievi e precisi, rapido e veloce come un fulmine di Odino.

    Albert Richter fu uno dei pochi figli di quella Germania martoriata dal Male delle Ombre che ebbe il coraggio di opporsi a quelle Ombre stesse pagando con la vita la colpa di essere un figlio “degenere” di quel medesimo spirito che l’aveva generato.

    ——————————————————————————–

    Fabrizio Ulivieri è nato a Montelupo Fiorentino il 10 febbraio 1956. E’ stato collaboratore di “Il ciclismo” per cui ha scritto racconti sul ciclismo e pezzi satirici. Ha smesso la sua collaborazione quando Matteo, il suo unico mentore, ha abbandonato la rivista online

    112 pagine – 10 € – Bradipolibri

    Like

  4. Mijn vader Frans Slaats kon gedurende de tweede oorlog tijdens zijn verblijf in Zuid Amerika
    niet terug keren naar Nederland, daarwas geen mogelijheid voor.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s