Giacomo Puccini (1858-1924)

Giacomo PucciniHet is vandaag negentig jaar geleden dat de Italiaanse operacomponist Giacomo Puccini hier bij ons in Brussel is overleden aan keelkanker.

Giacomo Puccini stamde uit een oud componistengeslacht dat altijd met de stad Lucca is verbonden geweest. Vijf generaties voor hem was er reeds een andere Giacomo Puccini (1712-1781), koorleider, organist, componist van kerkmuziek en kapelmeester bij de Capella Palatina. Ook diens zoon Antonio (1747-1831) componeerde vooral kerkmuziek, maar die had toch ook al belangstelling voor de opera, zij het vooral op theoretisch vlak. Domenico Puccini (1771-1815) van zijn kant werd met de opera “Quinto Fabio” begroet als de opvolger van Cimarosa. Ook zijn zoon Michele (1813-1864) componeerde zowel opera’s als kerkmuziek, maar hij was toch vooral bekend als pedagoog. Van die gave maakte zijn vijfde kind (op acht) Giacomo gebruik om uit te groeien tot de bekendste telg van de hele familie.
Tijdens zijn studies aan het conservatorium van Milaan maakt Puccini kennis met Ponchielli, die hem op zijn beurt in contact brengt met de uitgever Giulio Ricordi (die op uitzondering van “La Rondine” alle opera’s van Puccini zal uitgeven) en vooral met de librettist Ferdinando Fontana, die hem aan de tekst helpt voor “Le Villi”, de eenakter, waarmee hij deelneemt aan de wedstrijd van de muziekuitgeverij van Edoardo Senzogno. Bij de bekendmaking van het resultaat komt zijn naam echter niet eens voor, wellicht omdat hij zijn kladversie had ingestuurd en zijn handschrift zelfs in normale omstandigheden al zo goed als onleesbaar was. De winnaar Guglielmo Luelli zal pas na Puccini’s dood toegeven dat diens inzending eigenlijk beter was dan de zijne.
Dankzij vrienden komt er toch een opvoering van in Milaan, met groot succes bij publiek en kritiek. Toch is de opera nadien in de vergetelheid geraakt, zodat dit verhaal over de Wilis, jonge bruidjes gestorven voor hun huwelijksdag, die ’s nachts nog altijd willen dansen, ons eerder bekend is van de balletmuziek van Adolphe Adam voor “Giselle”. Deze “nachtelijke bacchanten”, zoals Heinrich Heine ze noemt, verplichten mannen die hun nabijheid komen mee te dansen tot ze er dood bij neervallen. Toen de dichter Théophile Gautier dit las, schreef hij in 1841 samen met de toneelschrijver Jules Vernoy de Saint Georges een scenario over een boerenmeisje dat door een jonge graaf wordt bedrogen zodat ze sterft “van een gebroken hart”.
De opvolger, “Edgar”, kende minder succes, vooral omwille van het zwakke libretto en daaruit trok Puccini de les van nog slechts met de beste librettisten te willen werken. Via Ricordi werden Giuseppe Giacosa en Luigi Illica aangetrokken, die zouden tekenen voor de vier bekendste werken van Puccini: “Manon Lescaut”, “La Bohème”, “Tosca” en “Madama Butterfly“.
Maar eerst was er dus “Manon Lescaut” (*). In navolging van Mascagni (“Cavalleria Rusticana”) laste Puccini een muzikaal intermezzo in (wat Verdi een gruwel vond) en ook dat droeg bij tot het onmiddellijke succes bij de première op 1 februari 1893. Nochtans opperen sommigen dat het oorspronkelijke libretto dat toneelschrijver Marco Praga hem had bezorgd (nadat Puccini reeds een libretto van Leoncavallo had afgewezen, omdat die te dicht bij de versie van Massenet uit 1884 was gebleven), zeker vanuit een theatraal standpunt ontoereikend was. De eigenlijke idylle tussen Manon en Des Grieux komt immers – op de ontmoeting na – niet aan bod en waarom ze in het derde bedrijf in de woestijn rondzwerven wordt in de opera zelf niet duidelijk (omdat Des Grieux dacht dat hij de neef van de gouverneur van Louisiana had gedood namelijk, nadat deze te zeer geïnteresseerd was in Manon).
Op 1 februari 1896 wordt in het Teatro Regio van Turijn o.l.v. Arturo Toscanini één van de beroemdste opera’s aller tijden gecreëerd: “La Bohème” van Giacomo Puccini. Het was ironisch genoeg Leoncavallo die Puccini de stof voor deze opera had aangebracht, maar oorspronkelijk zag hij er niks in. Toen echter Leoncavallo er dan zelf maar was beginnen aan werken, bedacht Puccini zich en uiteindelijk zou zijn compositie die van Leoncavallo helemaal in de schaduw zetten! Nochtans dient toegegeven dat het eerder merkwaardig is dat Puccini niet onmiddellijk op die “Scènes de la vie de bohème” van Henry Murger (1845-1848) was gevallen. In zijn jeugd in Milaan had hij immers ook zowel armoede gekend als de bloemetjes buitengezet, als er dan toch eens geld binnenkwam. Hij vormde met een paar vrienden zelfs een clubje dat bewust marginaal en artistiek contestatair wilde zijn. De première van “La Bohème” was onmiddellijk een publiek succes, zij het dat de pers vernietigend was. De échte erkenning kwam er dan ook pas in 1897 bij de opvoering in de Scala van Milaan.
In 1900 volgde “Tosca”. In tegenstelling tot « La Bohème » en « Manon Lescaut », die bewerkingen zijn van romans, is « Tosca » in oorsprong een toneelstuk. Giacosa en lllica klaarden het karwei van de omwerking tot een bruikbaar operalibretto, met de zegen van de bemoeizieke Victorien Sardou, de auteur van het oorspronkelijke toneelstuk. Puccini speelde reeds lang met de idee om Sardou’s Tosca te gebruiken als verhaalstof voor een opera en een toneelopvoering in 1895 in Firenze met Sarah Bernhardt deed hem ertoe besluiten ermee van wal te steken. Hij slaagde erin volledig te breken met de onderwerpen en het muzikale karakter van de « tragedies larmoyantes » die La Bohème en Manon Lescaut nog waren. Tegelijk verruwde hij de orkestratie met meer slagwerk en schuwde hij de dissonanten en plotse transities minder dan tevoren, terwijl hij van Wagner de leitmotivtechniek overnam om personages en toestanden te suggereren: het belangrijkste motief is dat van Scarpia, maar daarnaast zijn er nog tal van andere.
Velen vergissen zich overigens vaak in de politieke interpretatie van ‘Tosca’. Men heeft een bel horen luiden die ‘Napoleon’ zegt, zodat men onmiddellijk Scarpia daarmee gaat vereenzelvigen. Terwijl wie de klepel weet hangen, meteen ook weet dat het precies omgekeerd is. Het mag dan al raar zijn dat een Italiaan een vreemde indringer als bevrijder begroet, maar vergeet dus niet dat het eigenlijk op een Frans toneelstuk is gebaseerd! Bovendien waren op het moment van de Napoleontische inval de Oostenrijkers baas in Italië en die voerden wel degelijk een rechts bewind, terwijl Napoleon (denken we maar aan Beethoven b.v.) oorspronkelijk als een verlicht despoot werd begroet. Bovendien is Puccini volgens regisseur Robert Carsen (en ook volgens mij) helemaal niet geïnteresseerd in het politieke aspect. Het is b.v. bekend dat ook Verdi geïnteresseerd was in het stuk van Sardou en die zou er helemaal iets anders mee gedaan hebben. Voor Puccini was de politieke tegenstelling gewoon van belang omdat het noodlot van Tosca is bemind te worden door twee politieke tegenstanders. Want ook Scarpia is eigenlijk in haar ban.
Het verhaal speelt zich af in Rome, waar het werk werd gecreëerd in het Teatro Constanzu op 14 januari 1900 o.l.v.Leopoldo Mugnone. Op 4 februari volgde een opvoering in de New Yorkse Metropolitan en in België genoot de Munt in 1904 de eer, terwijl de KVO in 1933 voor de eerste keer o.l.v. Renaat Veremans uitpakte met een Nederlandse versie van de hand van A.L.Baeyens.
“Tosca” werd in 1973 verfilmd door Luigi Magni. Het werd echter geen opera-verfilming, maar een parodie met Monica Vitta als Tosca, Luigi Proietti als Cavaradossi en Vittorio Gassman als Scarpia. Een andere, meer ernstige “Spielerei” rond Tosca is het boek van Paola Capriolo, dat in 1994 in het Nederlands (uitgeverij Meulenhoff, 135 blz.) werd vertaald als “Voor de liefde heb ik geleefd”, zodat we mogen aannemen dat de originele titel “Vissi d’arte” is. Buiten het feit dat het hier nog eens een magisch-realistisch werk betreft, waarbij de opera en de realiteit voortdurend door elkaar lopen, is ook het sadomasochistische thema van de verhouding tussen de dominante Scarpia en de geketende Tosca van belang.
Rond de eeuwwisseling was Japan erg populair hier in Europa, met name de Engelse musical “The geisha” kende een groot succes in Italië. Puccini van zijn kant was op dat moment in Londen voor een opvoering van “Tosca” en hij nam de gelegenheid te baat om een voorstelling bij te wonen van het toneelstuk “Madam Butterfly” van de Amerikaan David Belasco (1853-1931), iemand die samen met de legendarische acteur Charles Kean (1811-1868) de grondslagen legde voor het Amerikaanse toneel. Hij regisseerde niet minder dan 374 stukken en schreef de klassieker “The theatre through its stage door” (1919).
Belasco baseerde zijn stuk op een verhaal uit 1897 van de Amerikaanse Japanoloog John Luther Long dat op zijn beurt terugging enerzijds op een waar verhaal dat zijn zus uit Nagasaki hem vertelde en anderzijds op de autobiografische roman “Madame Chrysanthème” van Pierre Loti uit 1887. In 1892 schreef Messager een opera rechtstreeks gebaseerd op deze roman. Puccini was toen bij hem op bezoek en dàt lijkt de eerste aanleiding te zijn geweest voor “Butterfly”, of laten we zeggen dat hij bij het bijwonen van het stuk van Belasco misschien terugdacht aan wat Messager met hetzelfde thema had uitgericht.
Pierre Loti, of eigenlijk Louis Marie Julien Viaud (1850-1923), was een zeeman. Zijn pseudoniem is overigens afkomstig van één van de dienaressen van de jonge koningin Pomaré op Tahiti (loti is de naam van een plaatselijke bloem). Met dit kindvrouwtje, Rarahu, dat Loti ontmoet op een manier die te vergelijken valt met Odysseus en Nausikaä (maar dan omgekeerd), wordt hij in een inheems huwelijk verbonden, maar na een tijd keert hij terug naar Frankrijk. Rarahu blijft op hem wachten, maar als hij dan eindelijk toch terugkeert, is ze van ontbering gestorven. Loti vindt enkel nog een graf met als opschrift: “Ici repose Rarahu, épouse de Loti”. Dit verhaal vertoont dus een sterke overeenkomst met Butterfly, buiten de locatie, die nù wel tot de verbeelding spreekt (zeker na films als “Tabu” of “Mutiny of the Bounty”), maar toen hoegenaamd niet. En hoe dan ook, het verhaal was een illustratie was van het fameuze vers van Kipling: “East is east and west is west and never the twain shall meet”.
Omdat men tevens ook de economische opbloei in de Verenigde Staten bewonderde, kwam ook Puccini op de idee om beide fascinaties te koppelen in een liefdeshistorie. Hij gaf zijn librettisten Giuseppe Giacosa en Luigi Illica de opdracht zich over de tekst van Belasco te buigen.
Eigenlijk is deze opera een illustratie van de Amerikaanse oppervlakkigheid tegenover de stricte morele code van de Japanners. Rond 1900 zoekt Luitenant Pinkerton van de Amerikaanse kruiser Lincoln een Japans meisje om de tijd gezellig door te brengen. Om de uiterlijke schijn te redden is hij zelfs bereid met haar te huwen op Japanse wijze. Daarvoor schakelt hij de koppelaar Goro in die hem de geisha Cio Cio San bezorgt, door Pinkerton Butterfly genoemd (terwijl hijzelf door Frans Van den Broeck terecht een “Flutter-by” wordt genoemd). Sharpless tracht Pinkerton hiervan nog te weerhouden omdat hij zich als Amerikaans consul wel realiseert dat het jonge meisje (15) dit huwelijk wel als echt zal beschouwen.
Als zijn schip weer afvaart, is Pinkerton Butterfly al lang vergeten. Zij blijft echter op hem wachten met haar trouwe dienstmeid Suzuki, zeker omdat zij na zijn vertrek een zoontje ter wereld brengt. Toch duurt het drie jaar vooraleer de Lincoln nog eens Nagasaki aandoet. Ondertussen heeft Goro voor haar een oudere Japanse echtgenoot, Yamadori, gevonden, maar zij weigert omdat zij blijft geloven in Pinkerton. Als deze uiteindelijk opdaagt, blijkt hij echter een Amerikaanse vrouw te hebben (Kate). Als hij hoort dat hij een zoon heeft bij Butterfly wil hij dit kind met zich meenemen naar Amerika. Butterfly, op die manier van al haar illusies beroofd, pleegt ritueel zelfmoord met het zwaard van haar vader. In de laatste scène schijnt Puccini nog te suggereren dat Pinkerton tot inkeer is gekomen, maar zijn schrijnende kreet “Butterfly!” komt te laat.
Giacomo Puccini wordt de laatste tijd tot het impressionisme gerekend, daar waar hij vroeger als het boegbeeld van het verisme gold! En “Madama Butterfly” is misschien de meest “impressionistische” opera van Puccini. Met klankschildering wil hij de Japanse sfeer oproepen, die hij zich had eigen gemaakt via originele Japanse muziek. Hij had daarvoor een beroep gedaan op de vrouw van de Japanse ambassadeur, maar die had hem wel belazerd, zodat hij voor de religieuze ceremonie een variatie maakte op een loflied op de kweek van aubergines en augurken!
Nochtans had Puccini voor het schrijven alle tijd, want door een auto-ongeluk kon hij acht maanden niet werken. Het Italiaanse première publiek, volop in de sfeer van het naturalistische verisme, zag dit op 19 februari 1904 niet zitten en de opera werd een flop. Puccini had oorspronkelijk twee bedrijven voorzien: één met en één zonder Pinkerton (tenzij dan helemaal op het eind). Maar het publiek pikte dit tweede bedrijf niet: te lang en te weinig actie, vond men. Daarom schrapte Puccini de scène met de dronken oom, breidde de tenorpartij uit met de aria “Addio Fiorito” (waarmee hij tegelijk Pinkerton wat sympathieker maakte door hem berouw te laten tonen) en hij laste een extra pauze in vlak voor de terugkomst van Pinkerton zodat men een drieluik krijgt: met, zonder en opnieuw met Pinkerton.
Deze versie kende op 28 mei wél succes, maar bijna alle moderne operahuizen brengen nu opnieuw de “authentieke” versie van “Madama Butterfly”, waarbij het zoemkoor de nacht voor de komst van Pinkerton suggereert. De petite histoire wil ook nog dat de aanwezigheid van het kind op het einde de gemoederen beroerde van het publiek omdat het de zangeres van de titelrol, Rosina Storchio, kwalijk nam dat zij niet naar haar eigen onwettig kind omkeek.
Na het oosten keerde Puccini zich doelbewust naar “Twilde Westen” met “La fanciulla del West”, opnieuw op basis van een stuk van David Belasco, “The girl of the golden west”. De opera ging in 1910 in première in de Metropolitan van New York met Enrico Caruso in de hoofdrol, waarna Puccini rond 1911-1912 in de Scala van Milaan Mata Hari ontmoette, die daar danste in een opera van Massenet (die trouwens zelf ook tot over zijn oren verliefd op haar was).
In 1917 schreef Puccini “La Rondine”. Omdat hij van Franz Lehar had vernomen dat er met operettes schrijven heel wat geld te verdienen viel, wilde Puccini dat ook wel eens proberen. Hij moest echter vaststellen dat hij voor het komische genre niet zo geschikt is. Eigenlijk heeft hij van de operette enkel het gegeven overgehouden dat de tribulaties van het hoofdpaar (Magda/Ruggero) een min of meer komisch spiegelbeeld krijgt in de vorm van de meid van mevrouw die zich hier met een dichter in het avontuur stort. Dat Puccini niet vies was van “populair” werk, wordt ook bewezen door het feit dat hij zich ook op de kersverse tangorage stortte met een “piccolo tango”.
“La Rondine” werd gevolgd door het fameuze drieluik, “Il trittico”. Puccini had namelijk uit dit avontuur geleerd dat het moeilijker en moeilijker werd om nog libretti te vinden die de mensen een hele avond lang konden boeien. Daarom wilde hij drie korte stukken met juist een heel erg verschillende problematiek. Hij vertrok van “Il tabarro”, een melodrama naar een Frans toneelstuk dat hij in Parijs had gezien, “La Houppelande” van Didier Gold. Daarna bracht librettist Giovacchino Forzano “Gianni Schicchi” aan, een klucht gebaseerd op Dante, waarna Puccini hem verzocht om iets te maken rond kloosterzusters, wellicht omdat zijn oudere zus Iginia non was. Dat werd dan “Suor Angelica”.
Er is geen enkele rode draad tussen de stukken, tenzij misschien dat het telkens de dood is die de actie op gang brengt. In “Suor Angelica” kan het hoofdpersonage de dood van haar kind niet verwerken, dat geldt ook voor het koppel Michele en Giorgetta in “Il tabarro” en de klucht “Gianni Schicchi” vertrekt natuurlijk van de dood van de rijke Buoso Donati.
American moviemaker James Gray told that he was watching ‘Il Trittico’ [directed by William Friedkin in 2008] and crying, and said to his wife: ‘You know, they don’t make movies about women anymore, like the old ones with Barbara Stanwyck and Greer Garson.’ And she said: ‘Why don’t you make one?’. So Gray wrote “The immigrant” with a role for Marion Cotillard similar to Puccini’s sin-haunted nun Sister Angelica, coupled with his own family’s history, told by his grandfather who was a Russian immigrant, whose parents’ heads were chopped off by Cossacks and who came through Ellis Island in 1923.
“Gianni Schicchi” is overigens de enige komische opera die Puccini heeft geschreven en (wellicht niet toevallig) ook de enige waarin geen vrouw centraal staat. Dat alle Puccini-heldinnen op de scène moeten lijden, wordt overigens doorgaans verklaard als een “wraak” voor het complexe liefdesleven van Puccini zelf, die omwille van een te grote moederbinding nooit tot een goede relatie kwam en ook door zijn vrouw op dezelfde manier werd gedomineerd.
In 1922 komt dirigent Arturo Toscanini bij de verkiezingen nog op voor de fascistische partij. Later zou hij echter het land verlaten als Mussolini aan de macht kwam. Men kan zich afvragen wat Puccini zou hebben gedaan als hij langer had geleefd, want ook hij was in aanleg een fascist (aldus Frans Van den Broeck). Maar in 1924 was Puccini reeds ver gevorderd met “Turandot” toen hij in Brussel overleed aan keelkanker. Franco Alfano (1873-1954) maakte de opera uitvoeringsklaar tegen 1926.

Ronny De Schepper

(*) Er bestaat ook een “Manon Lescaut” van Daniël François Esprit Auber. In het begin van de jaren negentig werd deze uitgevoerd door La Sinfonietta (het orkest van het departement Picardië) o.l.v. Pierre Jourdan. De regie was in handen van David Freeman (schreef ook additionele dialogen) en Elisabeth Vidal zong Manon en Alan Gabriel Des Grieux. Muzikaal is deze opera veel ‘luchtiger’ dan die van Giacomo Puccini, wat misschien niet helemaal gepast is bij het onderwerp, maar op zich is de muziek best genietbaar. De plot wijkt ook enigszins af van de meest bekende versie, vooral in het derde bedrijf waarin plotseling nevenfiguren opduiken (Monsieur de Saint-Gervais en zijn kersverse bruid en een zwarte slavin – alhoewel dat “zwarte” ook aan de regisseur kan te wijten zijn, want het was een soort black-and-white-minstrel zwartje), die de dramatische hoofdlijn een beetje gaat overschaduwen. De regisseur aarzelt ook een beetje te veel tussen een naturalistische (wat het acteren betreft) en een symbolische (dat fameuze laatste bedrijf speelt zich af achter vijf koorden die blijkbaar prikkeldraad voorstellen, maar ook reminiscenties aan een notenbalk oproepen en vooral na verloop van tijd geweldig op de zenuwen gaan werken) aanpak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s