Gisteren wees ik er nog op dat ik “enkele dagen na de dood van Bert Oosterbosch” zijn vroegere ploegmaat Eddy Planckaert ging interviewen. Wel uiteindelijk blijkt het zelfs gewoon de dag erna geweest te zijn. Dat interview (waarbij ook mijn kinderen aanwezig waren, zoals men op de foto kan zien) vond plaats n.a.v. het boek dat toen uitkwam en dat Ivan Heylen over hem had geschreven. Enerzijds vond het artikel zijn weg naar The Bulletin, anderzijds was dit het eerste artikel van mij dat opnieuw in De Rode Vaan werd opgenomen sinds ik de redactie had verlaten, een goed half jaar eerder.

« Ik zal U eerlijk alles over mijn familie vertellen. Over goed en kwaad. De Planckaerts hebben grootse momenten meegemaakt, maar ook heel slechte — ik heb jarenlang gedacht dat onze familie verdoemd was. Ik wil zeker niks verzwijgen en ik zal dus ook over onze slechte kanten spreken. »
AAN het woord is Eddy Planckaert. Zij het dan in de literaire vorm waarin Ivan Heylen, toch ook ooit een werkmens geweest, verliefd op een wilde boerendochter, zijn woorden heeft gegoten, eerst voor het weekblad Panorama nu ook in boekvorm uitgegeven bij Kritak, onder de titel « Het geslacht Planckaert ».
Literair, jawel, want bovenstaande tekst die op zich reeds iets Multatuliaans heeft is niet de opening van het boek, nee hij komt na een soort ‘proloog’ waarin Ivan Heylen, of Eddy Planckaert zoals je wil, het dramatisch auto-ongeluk beschrijft, dat van zo’n doorslaggevend belang zal zijn voor het toen nog erg jonge knaapje en zijn hele familie. Een literaire constructie dus en een procédé dat nog een aantal malen zal herhaald worden. Al zit er met andere woorden uiteraard een chronologie in het boek, dankzij deze techniek leest het als een soort van roman en vermijdt het de valkuilen waarin de vervelende opsommingen op de loer liggen.
Knap dus van Heylen en ongegeneerd pet af! Toch moet ons reeds van bij de aanvang van het hart dat wij ons wel gestoord hebben aan tal van slordigheden, b.v. in datering en in de schrijfwijze van eigennamen, vooral omdat ze door een eenvoudig checken konden vermeden worden. Zo reed Eddy Merckx in zijn laatste seizoen niet meer de Ronde van Vlaanderen en renners als Jos Vandenberghe, Jef Geysemans of Willem van den Eynde bestaan evenmin als de merken Aerenhout of Plum Vinqueur. Verder was Willy De Geest reeds renner af toen hij in de Ronde van Vlaanderen 1986, knoeide met het achterwiel van Planckaert en vooral : het zal best waar zijn dat Dancelli, Aimar, Altig en Anquetil gedopeerd waren in de Ardeense klassiekers van ’66, maar het is niet waar dat ze uit de uitslag geschrapt zijn. Dat is iets wat je in elk wielerjaarboek heel gemakkelijk kunt controleren, maar dat was blijkbaar teveel gevergd, net zoals men op een bepaald moment spreekt over ‘afleveringen’ (cfr. Panorama uiteraard) i.p.v. ‘hoofdstukken’. Het spreekt vanzelf dat hier ook de uitgever schuld treft; wat zeker het geval is bij het verkeerde onderschrift bij de foto op p.87.
Pietluttigheden, zegt U? Jazeker, dat vinden wij ook, maar juist daarom winden we er ons zo over op, omdat het gemakkelijk weg te nemen smetten zijn op een boek dat anders het gebruikelijke niveau van dit soort literatuur moeiteloos overstijgt. Alleszins achtten wij het boek belangrijk genoeg om zelf op de fiets te springen en de richting Meigem in te slaan. Omdat het vakantie is, gaan de kinderen mee. Een van hun idolen eens in levende lijve en dan nog van zo dichtbij meemaken, deze kans willen ze zich echt niet laten ontglippen.
69 filip van voorenNochtans was het bijna wel gebeurd… Planckaert had de telefonische afspraak uiteraard niet genoteerd en was het hele interview al compleet vergeten. Gelukkig kwam zijn trainingsmaat Filip Van Vooren te laat opdagen, zodat we nog de tijd vonden om even een en ander door te praten. Uit pure dankbaarheid hebben wij ons aangesloten bij de Filip Van Vooren supportersclub die deze zomer door de Panorama-ploeg (die van de B.R.T. dan) werd opgericht.
Een populaire woordspeling is dat je met Eddy Planckaert enkel maar over koetjes en kalfjes kan praten, omdat hij meer begaan is met de boerenstiel dan met het wielrennen. Dat mag dan na het mislukken van zijn boerderij in Forge-Philippe (net over de taalgrens) minder het geval zijn, toch zijn… paarden ons eerste gespreksonderwerp. Eddy moet namelijk eerst nog een paard afvoeren dat aan een poot werd gekwetst en dat een eventuele carrière in de jumpingsport of de draf-rennen ingeruild ziet voor een weinig rooskleurige toekomst als biefstuk ! Nog een geluk dat dit met renners niet het geval is…
De luchthartigheid waarmee we dit verhalen staat natuurlijk haaks op de echte gevoelens die ons bij een dergelijk verhaal overvallen. Dit is trouwens typisch voor Planckaert : net zoals op dit moment heeft hij tijdens het interview soms moeite om zijn tranen te bedwingen, maar die worden een ogenblik daarna alweer weggelachen. Meer dan ooit is Eddy Planckaert een levende illustratie van het gezegde van de Franse auteur Beaumarchais (je weet wel : die van Figaro) : « Je ris de peur d’étre obligé d’en pleurer », ik lach, want anders vrees ik dat ik er nog zal moeten om huilen…
Die tegenstrijdigheid, die dualiteit is ook op een ander vlak kenmerkend voor Eddy Planckaert. Tot tweemaal toe laat hij Heylen in het boek optekenen: « Wielrenners zijn zwijgers. Wie zijn mond niet kan houden, moet een ander beroep kiezen. » Of anders: « Iemand die niet kan zwijgen, moet geen coureur worden. » En toch is er nu dit boek. Het doet me allemaal een beetje denken aan het fameuze boek van Lucien Berghmans « Driessens zegt alles », waarin de legendarische sportbestuurder Guillaume Driessens juist niets zegt…
Eddy Planckaert (lacht) : Kijk, als je dat boek leest, moet je een beetje je verstand laten werken, hé. Zoals in alle andere beroepen is er ook in de wielersport een soort clan. En uit de clan wordt niet gesproken, want als je daarmee begint, dan word je gewoon niet langer in het gezelschap aanvaard.
01 william tackaert— Een beetje zoals Harald Schumacher en zijn boek over de voetbalsport in Duitsland?
E.P.:
Dat heb ik niet gevolgd, maar William Tackaert heeft zo eens ’t een en ’t ander verteld en dat was natuurlijk heel dom van die jongen. Trouwens, je ziet wel : hij heeft amper één jaar nog gekoerst. Ik zal nu niet zeggen dat dit uitsluitend daaraan te wijten is, maar hij had toch geen enkele vriend meer in het peloton… Als renners onder elkaar afspraken maken, dan dient de buitenwereld dat niet te weten, ’t is zo al erg genoeg. Versta me overigens niet verkeerd: het is zeker niet zo dat dit altijd of zelfs meestal het geval is. Maar het kan al eens gebeuren natuurlijk…
— Een ander citaat maant de lezer evenzeer tot voorzichtigheid aan: « Mijn grootste talent is liegen » staat er p.114…
E.P.:
Jaja, maar mijn grootste talent is ook lachen, hé ! (voegt de daad bij het woord) Met andere woorden, je moet dat allemaal niet zo ernstig nemen. Kijk, ik heb dat gezegd helemaal op het einde om zeker toch niemand te kwetsen. Ik denk overigens niet dat ik iemand gekwetst héb, maar je kan nooit weten… En dan wordt dat toch allemaal door zo’n zinnetje gerelativeerd, of niet soms?
— Je hebt niemand gekwetst, zeg je. Nochtans is je wereld heel duidelijk opgedeeld in « goeden » en « slechten ». Soms kan al eens iemand van de ene categorie naar de andere overlopen, zoals Roger De Vlaeminck, maar over het algemeen kan men toch stellen dat je de wereld en dan vooral de wielerwereld nogal wit-zwart ziet… Toevallig ben ik op dit moment ook een biografie van de opera-diva Maria Callas aan het lezen en die doet precies hetzelfde…
E.P.:
Ja maar, het is nu niet omdat ik al eens durf drummen op een plaatje van Ivan Heylen dat je mij met Callas moet beginnen te vergelijken, hé! Hoe dan ook, zoals ik al heb gezegd, ik heb geen enkele negatieve reactie gehad op mijn boek, alleen maar positieve. Het kan natuurlijk zijn dat wie wél slecht reageert, mij dat niet durft te zeggen. En het geval De Vlaeminck dat je aanhaalt, dat is echt gebeurd. Ik ben een heel goede persoonlijke vriend van Roger De Vlaeminck, maar wat er toen met mijn broer is gebeurd, is de waarheid en mag dus worden verteld (voor de BRT-micro’s had De Vlaeminck verklaard dat het een schande was dat een « knecht » als Walter Planckaert
op de erelijst van de Ronde van Vlaanderen kwam te staan, red.).
Dat hij dat dan later goed maakt, dat zal er wel op wijzen dat hij wist dat hij wat misdaan had, zeker?
— De grappen en grollen die Eddy Planckaert steeds weer uithaalt, die kent iedereen, maar daaronder schuilt volgens mij een heel andere, veel ernstiger Planckaert. Als je naar buiten komt, zoals in het programma « Klasgenoten » op VTM, dan vertel je bij voorkeur dat soort zaken, terwijl je in het boek veel rancuneuzer overkomt t.o.v. je vroegere school. Er viel helemaal niet te lachen…
E.P.:
Ten eerste, ik was toen niet alleen, hé. Het was voor het eerst sinds lange tijd dat ik mijn klasgenoten nog eens terugzag en wat doe je dan? Anekdoten boven halen natuurlijk. In het boek echter… Luister, ik zwijg liever over mijn school, want ik heb daar zo’n slechte herinneringen aan, dat ik liever niks zeg dan er zo maar eventjes vlug over te spreken. Trouwens, ook in het boek heb ik er niet veel over gezegd. Eigenlijk wil ik dat alles zo snel mogelijk vergeten.
— Het is ook niet mijn bedoeling om je daarover aan het praten te zetten, maar ik wil daarmee enkel aangeven dat er ook nog een andere Planckaert is dan die lachebek. Toen je dit jaar moest opgeven in de Tour zat je te huilen en moest Greg Lemond je een gele trui geven om je te troosten. Dat is heel wat anders dan de Planckaert van een paar jaar terug die zelfs aankondigde waar en wanneer hij zou opgeven ! (*)
E.P.:
Ja, maar dat is ook slechts één keer gebeurd, al wil ik wel toegeven dat zoiets blijft hangen in het geheugen natuurlijk… Maar om op je vraag te antwoorden : ik probeer het leven zoveel mogelijk te combineren met een lach. De dag van vandaag lukt dat tamelijk goed, ook al moet je natuurlijk niet gaan denken dat ik iedere dag het zonnetje in huis ben. Maar over het algemeen tracht ik alles te relativeren, te minimaliseren met een grap en een grol. Natuurlijk moet je af en toe serieus zijn in je beroep, dat geldt trouwens voor alle beroepen.
— Maar dat is precies wat je bazen je soms verwijten. Ik denk b.v. aan dat drummen bij Ivan Heylen, dat valt niet altijd in goede aarde…
E.P.:
Zolang mijn conditie daar niet onder lijdt, zal ik daar zeker niet mee ophouden. Deze winter zijn we zelfs van plan om op te treden ! We hebben nu reeds een aantal optredens moeten afzeggen, omdat ik nog in volle seizoen zit, maar deze winter gaan we er vollen bak tegenaan. Ik doe dat heel graag en niemand zal me dat verbieden. Als een sponsor dat zou proberen, dan kijk ik wel naar een andere ploeg uit.
— Nochtans schijnt het op dit ogenblik vast te staan dat je bij A.D.R. blijft nadat er eerst sprake van was dat je zou terugkeren naar Peter Post, m.a.w. naar je broer Walter en je vriend Alan Peiper. Post heeft misschien geen geld meer, nu hij Rooks en Theunisse heeft aangetrokken ?
E.P.:
Neenee, ik kan weg als ik wil. Maar ik zit goed. Waarom zou ik veranderen ? A.D.R. moet mij alleen de zekerheid geven dat ze ermee doorgaan en dat zal heel binnenkort in orde komen voor een contract van drie jaar.
– Drie jaar? Dat betekent wellicht dan ook je laatste contract?
E.P.:
Vast en zeker. Eigenlijk was ik zelfs van plan van slechts twee jaar meer te koersen. Nee, ik ben zeker niet van plan Zoetemelk achterna te gaan…
— Heeft het mislukken van je boerderij daar ook niets mee te maken? Dat je nu tot de overtuiging bent gekomen dat het boerenleven eigenlijk ook niet zo simpel is…
E.P.:
’t Is inderdaad zeker niet zo simpel en ik heb daar veel uit geleerd. ’t Is niet omdat je wat geld kan investeren dat het ook lukt. Je moet de stiel kennen. In de toekomst zal ik er zeker niet meer zo onbesuisd aan beginnen. En dan met bekwame mensen en niet op eigen houtje met een kameraad. Eigenlijk is het in ieder vak hetzelfde, nietwaar: je moet er alles voor doen. Vroeger ging ik uit werken en dat was ook heel hard. Daarom ben ik zo blij dat ik dat talent voor het koersen heb meegekregen. Ik moet er weinig voor doen om toch goeie resulaten te behalen, dus wat wil je nog meer? Anders moest ik iedere dag gaan werken voor heel wat minder geld dan ik nu verdien.
— Over talent gesproken: als amateur won je zoveel dat je verliezen eigenlijk leuker vond, laat je optekenen in het boek. Maar verliezen tegen Carlo Bomans in het Kampioenschap van België, dat is wellicht toch iets anders?
E.P.:
En of! Maar nu win ik heel wat minder dan vroeger, hé (lacht toch alweer)! Destijds heb ik het nog meegemaakt dat ik op een heel jaar slechts vijf koersen verloor, ja dan wordt winnen een doodnormale zaak natuurlijk. Vervelend zelfs eigenlijk. Tot ik dan eens geklopt werd, dan ging ik opnieuw wat harder trainen.
— Nu, winnen kan ook wel plezant zijn. Bij de Ronde van Vlaanderen van vorig jaar vond je het zelfs zo plezant dat er iets gebeurde waarover we het nu in de aanwezigheid van kinderen niet kunnen hebben (« Ik vind het een beetje genant om te vertellen, maar ik kwam klaar » p. 110-111). Diezelfde avond ben ik toevallig verliezer Phil Anderson en zijn vriendin Shelley Verses tegen het lijf gelopen in het Gentse uitgaanskwartier aan de Decascoop. Hij scheen mij niet erg onder de indruk van zijn nederlaag…
E.P.:
Hij zal zijn verdriet gaan verdrinken zijn, zeker! Nee, zoiets zou ik zeker niet kunnen. En dan nog geklopt worden in zo’n wedstrijd!
— En de tweede plaats is nog altijd de ondankbaarste. Naar verluidt zat jij na afloop van Milaan-San Remo van dit jaar te huilen. En je was zelfs niet in beeld geweest!
E.P.:
Maar dat was het ‘m juist! Ik had er alles voor gedaan ! Er zat heel wat meer in. Ik zeg nu niet dat ik zou gewonnen hebben … alhoewel: eigenlijk weet je ’t nooit op voorhand wat er gaat gebeuren als je mee vooraan zit. Verder moet je er ook rekening mee houden dat ik ook in de Omloop Het Volk en Parijs-Nice niet in het stuk voorkwam. Ik had er nochtans alles voor gedaan, want als kopman ben je verplicht je te tonen. En dan kan het soms allemaal te veel worden, nietwaar…
93 bert oosterbosch— Nog meer kommer en kwel: als renner die de meeste indruk op je gemaakt heeft, vernoem je Bert Oosterbosch. Ik wou je daar sowieso al een vraag over stellen, omdat ik het een merkwaardige keuze vond, maar het noodlot wil dat Bert gisteren is overleden aan een hartstilstand. Daarmee voegt hij zich bij Louis Verreydt, Ludo Van der Linden en Sture Petterson, allemaal renners die de l00 km ploegentijdrit ooit hebben gewonnen, maar vroegtijdig zijn gestorven. Zou dat er iets mee te maken kunnen hebben?
E.P.:
Daar heb ik nog niet over nagedacht. Maar gezond kan 100km tijdrijden per ploeg zeker niet zijn. Anderzijds, de Ronde van Frankrijk rijden is ook niet gezond, neem dat maar van mij aan. Nu, wat Oosterbosch betreft, ik zeg niet dat hij de sterkste renner was, maar wel diegene die het rapste kon rijden. Rapper dan Hinault zelfs. Bert kon b.v. tien kilometer op kop rijden tegen een moordend tempo. Ooit heeft hij voor mij de sprint eens zodanig aangetrokken dat er nog slechts een tiental renners in mijn wiel konden blijven. De rest was er allemaal afgereden. Nu, ik verzeker je, dan moet je kunnen rijden, hoor.
— Je eigen familie werd overigens ook niet door het noodlot gespaard. Ik ga hier niet in detail treden, de mensen moeten het boek maar lezen. Ik wou enkel maar weten: is je legendarische vliegangst hier nog een gevolg van ? (**)
E.P.:
Onrechtstreeks wel. In het boek kun je immers lezen dat ik aan die ongevallen op jeugdige leeftijd hallucinaties heb overgehouden en ik denk inderdaad dat die vliegangst daar nog een overblijfsel van is. Hetzelfde geldt mijn angst dat de lift zou blokkeren. De renners die met mij in een lift stappen doen dan ook niets liever natuurlijk. En na een vijftal minuten begin ik het dan weer te krijgen. Een verschikkelijk gevoel is dat.
— Een laatste vraagje dan maar: je zegt altijd dat je last hebt om het einde van het seizoen te halen. Wel, we zijn nu op het einde van het seizoen hoe voel je je?
E.P.:
Valt mee. Dat is de eerste keer. Maar let op, hé, ’t is nog anderhalve maand. Gewoonlijk moeten ze mij vanaf september gerust laten.
— Nochtans zouden klassiekers als Parijs-Tours en Parijs-Brussel iets voor jou kunnen zijn?
E.P.:
Inderdaad. En zoals ik me nu voel, denk ik wel dat ik er nog wat voor zou kunnen doen. Ik moet trouwens nog iets goed maken, want ik ben in het geheel niet tevreden over mijn seizoen. Kijk, ik ga nu zo dadelijk trainen (***), dat is iets wat ik normaal nooit doe, als ik de dag ervoor gekoerst heb. Misschien is dat door ouder te worden. Het gevoel dat het bijna gedaan is. Eigenlijk besef ik nu pas hoe mooi de wielersport is. En ik ben dan ook van plan er nog wat van te profiteren, terwijl het nog gaat.
45 eddy planckaertOok Ivan Heylen zelf ging rond die tijd Planckaert nog eens opzoeken voor het weekblad Panorama en toen ook diens toenmalige sportdirecteur José De Cauwer binnen stuikte, ontspon er zich een hilarische dialoog die ik jullie toch niet wil onthouden…
Eddy: Ah! Mijn ploegleider Jose de Cauwer is er. Kom binnen, José en ga naast mijn vrouw zitten, dan kunt ge niet onder haar rokken kijken.
De Cauwer: Dat is al lang gebeurd.
Eddy: ‘k Heb een borrel gedronken.
De Cauwer: Heb ik al gezien, ja.
Eddy: Ik heb vandaag tegen mijn vrouw gezegd dat als ik niet naar de Tour kan door die keest op mijn zitvlak, het me zal spijten.
De Cauwer: Ha ja?
Eddy: Echt waar!
De Cauwer: We vinden wel een oplossing.
Eddy: Ze hebben Merckx ook een keer met zo’n wonde aan het zitvlak naar de Tour gestuurd en het is slecht afgelopen.
De Cauwer: We vinden wel een oplossing.
Eddy: Mijn volle gewicht rust precies op die éne vierkante centimeter waar het zo’n pijn doet.
De Cauwer: Het is een gevaarlijke plaats om een cyste te hebben. Verschueren is zo moeten stoppen, Post is zo moeten stoppen, Kuiper blijft ermee sukkelen… Maar wij hebben een oplossing.
Eddy: Er is een nieuwe keest en als die gaat zweren, kan ik onmogelijk rijden.
De Cauwer: Weet je wat het probleem is als jij niet rijdt? Als jij niet rijdt, zeggen ze: Planckaert is een plantrekker. Die heeft niks aan zijn gat!
Eddy: Ja, mijn ‘ol! Ik zit er toch maar mee.
De Cauwer: Leg dát maar uit aan de mensen.
Eddy: Ik prepareer mijn zadel. Mijn eerste werk vanavond is mijn zadel prepareren. Ik zal rijden, maar ik zal afzien!
De Cauwer: Een coureur moét afzien!
Eddy: Ik kán afzien. Van afzien ben ik niet bang. Pijn is veel erger. Met pijn kun je niet rijden. In Holland heb ik ooit mijn rug bijna gebroken door scheef op mijn zadel te zitten.
De Cauwer: Wij hebben een oplossing.
Eddy: De specialist zei dat ik moet oppassen, dat het veel en véél erger kan worden. Hij heeft me een spuitje gegeven, precies in de wonde. ’t Zal een beetje zeer doen, zei hij. O, o, o! Als ze dát zeggen! ’t Was wreed, hé Christa?
Christa: Ja, we hebben nogal gelachen, ja.

Referentie
Ronny De Schepper, “Eigenlijk besef ik nu pas hoe mooi de wielersport is”, De Rode Vaan nr.39 van 29 september 1989
Ronny De Schepper, Eddy Planckaert: the last of the Flandriens, The Bulletin 24 april 1992

(*) Toen ben ik Eddy tegen gekomen op de Gentse Feesten en hij liep er toen overigens niet bepaald droevig bij moet ik zeggen…
(**) Eddy Planckaert heeft het wereldkampioenschap van 1986 in Colorado “gemist” omdat hij zijn vliegangst niet kon overwinnen…
(***) Buiten Filip Van Vooren nam ook nog Jo Planckaert, zoon van oudere broer Willy en op dat moment nog amateur, deel aan die training. Mijn kinderen en ikzelf trachtten nog even aan te pikken, maar onnodig te zeggen dat we er op de kortste keren werden afgereden!

Een gedachte over “Op bezoek bij Eddy Planckaert…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s