Anton Tsjechov (1860-1904)

Het is vandaag 110 jaar geleden dat de Russische (toneel)auteur Anton Tsjechov is gestorven.

Geboren in Taganrog (zijn grootvader was nog lijfeigene geweest), gaat Antons vader (een kruidenier) failliet als Anton 16 jaar is. Hij trekt met zijn vrouw en vijf kinderen naar Moskou om aan de schuldeisers te ontsnappen, terwijl Anton alleen achterblijft en zelf aan de kost moet zien te komen om zijn studies te kunnen verder zetten. Drie jaar later trekt hij ook naar Moskou om er geneeskunde te gaan studeren. Om in zijn levensonderhoud te voorzien schrijft hij onder een schuilnaam in humoristische blaadjes van laag allooi. Hij heeft zoveel succes dat hij niet alleen vijf jaar later afstudeert, maar dat hij ook zijn ouders financieel kan onderhouden. Hij lijdt wel aan TBC. Nog twee jaar later begint hij onder invloed van de schrijver Gregorovitsj “echt” te publiceren (niet meer onder pseudoniem). In een brief uit 1888 schrijft hij: “De mensen die publiceren, en vooral de kunstenaars, moeten toch eindelijk eens beseffen dat je er inderdaad niets van begrijpt op deze wereld, zoals Socrates dat eens heeft ingezien en zoals ook Voltaire erkende. De grote massa denkt dat zij alles weet en alles begrijpt; en hoe dommer zij is, hoe wijder haar blik schijnt te zijn. Wanneer nu de kunstenaar, in wie de massa vertrouwen heeft, er eens toe zou komen te verklaren dat hij niets begrijpt van datgene wat hij ziet, dan zou dat al een belangrijke geestelijke verrijking en een grote stap vooruit betekenen…”
Niet dat Tsjechov ondertussen bij de pakken blijft zitten: na een (vrijwillig) verblijf op het gevangeniseiland Sakhaline publiceert hij hierover een boek, waardoor de overheid zo onder druk komt te staan dat ze een onderzoekscommissie moeten sturen. Vandaar misschien zijn bittere brief uit 1895: “Het doel van de roman is de bourgeoisie in slaap te wiegen in haar gouden dromen. Wees je vrouw trouw, bid samen met haar uit het gebedenboek, verdien geld, hou van sport – en je zaak is gezond, zowel in deze als in de andere wereld. De bourgeoisie is dol op zogenaamde ‘positieve’ types en romans met een gelukkig slot, omdat die haar de rustige gedachte geven dat je tegelijkertijd een kapitaal bijeen kunt garen en onschuld betrachten, een beest en tegelijkertijd gelukkig kunt zijn…”
Anton Tsjechov wordt dan ook aanzien als de schepper van het “statische drama”. Mensen als Ibsen, Hauptmann, Maeterlinck of Strindberg effenden reeds het pad, maar hun stukken vertonen toch nog het traditionele patroon van “verandering”. Als navolgers van Tsjechov kunnen we Herman Heijermans, Thornton Wilder, Jean-Paul Sartre en zelfs Bertolt Brecht (toch in het geval van “Mutter Courage” b.v.) citeren.
In 1897 schrijft Tsjechov aan L.Avilova: “U klaagt dat mijn personages somber zijn. Maar dat is niet mijn schuld! Dat worden ze onwillekeurig: als ik schrijf heb ik niet de indruk dat ik somber schrijf; in elk geval ben ik als ik werk altijd in een goede stemming. Er is wel eens opgemerkt dat zwartgallige mensen, melancholici, altijd opgewekt schrijven, terwijl levensblije naturen de lezer met hun geschrijf zwaarmoedig maken.” Zijn eigen gezondheid verzwakt zienderogen en daarom installeert hij zich in 1899 op Jalta en raakt er bevriend met Maxim Gorki, aan wie hij de volgende raad geeft: “Als je de drukproeven doorleest, schrap er dan waar mogelijk de bepalingen bij zelfstandige naamwoorden en werkwoorden uit. Er staan bij jou zoveel bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden dat de lezer het moeilijk kan volgen en hij vermoeid raakt. Het is begrijpelijk als ik schrijf: ‘De man ging op het gras zitten’; dat is begrijpelijk omdat het duidelijk is en de aandacht niet vasthoudt. Omgekeerd is het moeilijk te begrijpen en wat zwaar om te verwerken voor het brein wanneer ik schrijf: ‘Een lange man van middelbare leeftijd met smalle borst en een rossige baard ging zitten op het groene, reeds door wandelaars platgetrapte gras, hij ging zachtjes zitten, verlegen en angstig om zich heen kijkend.’ Dat kunnen de hersenen niet zo ineens verwerken, en als het literatuur is moet het dadelijk, in één seconde verwerkt worden.”
De eerste première van een Tsjechov-stuk vond plaats in 1887; dat stuk was “Ivanov”. Ivanov is een echte Tsjechovfiguur met zijn dubieuze verlangen naar de roes van de liefde, zijn neiging tot verveling en wereldvlucht en zijn onverbloemd egoïsme. Ivanov is een anti‑held die zijn dromen en de eisen van de realiteit niet met elkaar in overeenstemming wil brengen. Hij kan zich niet interesseren voor zijn landgoed, noch voor zijn zwaar zieke vrouw. De dochter van de buurman wordt verliefd op Ivanov wat zijn schuldgevoel en zijn twijfels nog groter maakt. Na de dood van zijn vrouw, besluit hij het jonge buurmeisje te huwen. Op het laatste ogenblik ziet hij echter van zijn voornemen af en schiet hij zichzelf door het hoofd. Hoe zoudt ge zelf zijn!
De bekendste stukken van Tsjechov zijn echter “De kersentuin”, “De meeuw”, “De drie zusters” en “Oom Wanja” (1898). Het is ongemeen boeiend om de vier meest bekende toneelstukken van Tsjechov onmiddellijk na elkaar te lezen. Pas dan word je echt geconfronteerd (meer dan wanneer je een stuk apart in een enscenering ziet – en ik zag hen in meerdere voorstellingen, beroeps en liefhebbers) met de vraag of en welk etiket er op gekleefd kan worden. Psychologisch realisme, maar steeds stuit je ook op symbolen. En die zwartgalligheid, dat troosteloze… toch overstijgt Tsjechov de verwachte pijn. Heel bizar. Er rest telkens iets als een loutering. En zo wenste hij blijkbaar ook zijn voorstellingen te zien; dat blijkt af en toe uit de briefwisseling tussen hem en zijn bewonderaar (wederzijds overigens) Maxim Gorki. Uiteraard is naast de realiteit die hij zijn personages meegeeft, het minutieuze daarvan, idem wat decor en regieaanduidingen betreft, ook en vooral de weemoedige sfeerschepping van belang. Dit conglomeraat heeft hem tot een vernieuwer gemaakt en zijn stukken tot nog steeds meer dan genietbare werken, te beginnen met de genoemde volavondstukken, maar ook eenakters als ‘De beer’ en ‘Het huwelijksaanzoek’. (Johan de Belie)
“De drie zusters” werd als opening van het seizoen 1989-90 opgevoerd door het NTG. “Ik wilde (…) tegen de mensen zeggen: kijk naar uzelf, kijk hoe uw leven vervelend en slecht is.” Dit schreef Tsjechov over zijn bedoeling met dit stuk. Dan zou hij misschien wel erg tevreden geweest zijn over deze enscenering door de ex-DDR-regisseur Alexander Lang. Het stuk wordt immers erg nadrukkelijk, erg langdradig, ja erg vervelend gebracht. Zodanig zelfs dat het uiterst moeilijk is om zich op het spel te blijven concentreren. Zijn medewerkster Caroline Neven Du Mont heeft immers een prachtig scènebeeld ontworpen, zo wijds en groots dat je aandacht vaak afgeleid wordt naar picturale taferelen die zich hier of daar in de immense sporthal aftekenen. Gewild of niet roepen ze vaak reminiscenties op aan schilderijen van Magritte of Delvaux. Tegelijk is het echter ook deze uitgestrekte speelvlakte die bijdraagt tot het extreem trage tempo. Om van “cour” naar “jardin” te gaan heeft een acteur haast een half uur nodig. Gelukkig is er toch één die de fiets neemt! De titelrollen worden vrij onevenwichtig vertolkt door Els Magerman, Karen De Visscher en Tine Van Den Brande, terwijl de aanwezigheid van Raf Troch, Eddy Spruyt en Karin Tanghe in de andere rollen soms toch even wat meer vaart brengt.
Frank Van Laecke van zijn kant mag dan vooral gekend zijn van grote massaspektakels, af en toe grijpt hij toch nog eens terug naar een kleinschalige productie om zijn affiniteiten met het pure theater beter tot hun recht te laten komen. Zo regisseerde hij in 2008 Karen De Visscher en Jef Demedts in “Jouw hand in mijn hand”, een stuk van Carol Rocamora over de laatste levensdagen van Tsjechov. Toen hij 39 was, wist Tsjechov reeds dat hij niet lang meer te leven had. Op dat moment ontmoet hij de tien jaar jongere actrice Olga Knipper, een actrice van het Kunsttheater van Moskou (dat bijna al zijn stukken creëerde). Drie jaar later trouwen ze, nog eens drie jaar later sterft Tsjechov. In 1904 sterft hij aan TBC op een hotelkamer in Badenweiler met een glas champagne in de hand. Zijn vrouw Olga Knipperis bij hem. Aan de hand van de ongeveer 400 brieven die ze naar elkaar schreven (zij werkte in Moskou, terwijl hij voor zijn gezondheid meestal in Jalta verbleef), schetst Carol Rocamora een prachtig theatraal huwelijksportret.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s