Op wandel in de schatkamer van het Temsese dialect

06 luc de ryckBurgemeester Luc De Ryck (rechts op de foto) houdt van zijn Temse, maar ook van zijn Temsese dialect. En terecht, zoals de kleine anekdote die mij is overkomen bewijst. Toen ik aan de Germaanse begon, moesten wij bij professor Willem Pée opgeven welk dialect we spraken. Ik dacht: Temse is misschien toch wel een te kleine entiteit om het een eigen dialect toe te bedelen. Daarom schreef ik op: het Wase dialect. Ik kreeg mijn papier terug met een dikke rode streep er overheen. En aangezien zowel mijn geboorteplaats als toenmalige woonplaats Temse was, had Pée (of één van zijn assistenten, misschien wel Johan Taeldeman of Magda De Vos) er zelf bij geschreven: Temses! Daarom, van bombaard en eigenrechtsweirs over mochelen en tenennijper tot varkensluis en ziep, het woord is aan Luc De Ryck!

De dialecten vervagen. Overal. Het Algemeen Nederlands is steeds meer in opmars door de eenheid van gebruik in onderwijs en media, wat natuurlijk toe te juichen is. Maar tegelijk betreur ik de achteruitgang van het dialect. Het heeft immers een eigen gezicht, klank en kleur, een eigen rijkdom. Een schatkamer met specifieke kwaliteiten. Een aantal termen en zegswijzen zijn zelfs niet te vertalen. Heb jij ooit tegen je partner gezegd: ik hou van jou of ik bemin je of ik zie je graag? Neen, dus! Ik zien ou gère is de enige-echte juiste uitdrukking!
Vele dialectwoorden zijn opgeslagen in de kerkers van mijn geheugen, nooit vergleden in de vergeetputten. In de natuur kenden we menig levend wezen: stekelbag, oekedoeleke, pielewuiter, murezeker, varkensluis, tenennijper, duvel, bombaard, ronkaart, bombie, stekelvarken, meirlon, hannewuiten, kozzekiep…
Met familieleden – eigenrechtsweirs – speelden we aan ’t schipmes en de kanduit. Tegen ’t geleint van het speelplein stond ’n bijs. De gatritser was maar ene van kerskeschiet. ’t Liep er vol einzies. Mijn va stuurde mij naar de jummenas. Ik kon goed bossen en als ik in form was, was ’t er altijd bal op. De meisjes deden mee voor kiekebil. Een buurjongen, ’n echte schriëlip, smeet ne marrebol eens staal in mijn wezen: het bloed strietste eruit. Ik gaf hem ’n vloa (of ’n mot of ’n peir) rond z’n oren en mijn hand singelde. Ik heb mij eens lelijk getingeld. Mijn kameraad – ne geive – had tegelijk ’n piepoog, ne nijnagel, de vijt en ’n gabbe in zijn hand. Het was nen ascheranterik: hij spuchelde in ’t publiek. Hij was slordig: zijn spriet stond dikkels open. Zijn vader was ne fottereir, maar ’t was vooral ne knosseleir: hij deed alles half-zijn-gat. We kochten koersbloed (of tuttifrut) en aten pomkoek, ne papkoek en nen toep, of dronken kalisjesap. In de zomer, vooral bij doef weer, zaten we aan de troskesbezen. Gallienoten waren niet om op te eten. Mijn moe maakte koffie met pardaf. Mijn grootmoe sprak over de tijd toen er nog veel krabbekesteur in ’t Schel zat. Ik hield van gestampte petetten met appelspijs of ’n peirdenoog. Ik moest van mijn moe zelf mijn boterhammen briën en mijn petetten dedderen. Ik voeierde de kiekens met sponsetarrie.
De Jef was nogal ne miezere, zijn zuster ’n seut. Als we een kont uitstaken – en dat gebeurde ammets wel eens – zaten we met de poepers, want dan kregen we ’n smeiring (of ’n poefeling of ’n kotering). Dan stesselden we rap weg. Mijn nestelingen en de lets van mijn ziep kasten soms af. Mijn grootvader kon goed flosterkes vertellen. Tot op zijn laatste dagen zat hij te mochelen.
Op mijn kamer lag er van alles te rijen. ‘Het is daar weer ne messing’, zei mijn moe dan. In onze buurt woonden ’n pieketijn (of tang) en ’n schetkoont, die op een lamijnige manier kon greiven. Haar dochter was ’n franke tiek, haar man nen brave joebe, haar broer nen badde. Hoekene gebuur was dat weer die geopereerd was aan z’n eekenissen en z’n nagelbuik? Waffereen was zijn vrouw? Een babbiel, die altijd stond te tetteren, te gremelen en te gidderen! Haar kat was dood, dat moest nog verbomen.
‘G’hebt dat vandeeg goed gedaan’, zei mijn overbuur veelbelovend, ‘ik zal ou eens wat pree geven’. Maar hij gaf me een aufel franken. ’t Was ne nodde…
Spijtig! A zo’n woorden hoorde bekan nie miër sirreworrig!

P.S. Ken je de betekenis niet van sommige woorden? Heb je suggesties of een eigen lijstje? Geef mij een seintje!

2 gedachtes over “Op wandel in de schatkamer van het Temsese dialect

  1. Het verliezen van ons dialect zal wellicht ooit als een van de grootste culturele stappen achteruit worden betiteld. En gelijk zullen ze hebben.
    In Aalst (Oilsjt) worden jaarlijks zo’n 200 carnavalskrakers op Cd uitgebracht in het dialect. Het valt telkens weer op dat de humor in die teksten onvertaalbaar is naar het AN. Om te beginnen is de rijm meestal zoek. Gelukkig blijven op die manier nog heel wat woorden in gebruik, die anders stilaan zouden verdwijnen.
    We moeten opnieuw meer terug naar het dialect en weg van de ‘hebdegij, doedegij en wreed ambetant” taal, zoals ooit iemand al jaren geleden in den ‘umo schreef.
    .

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.