Emma Thompson wordt 55…

De Britse actrice Emma Thompson viert vandaag haar 55ste verjaardag.

Emma Thompson zag ik voor het eerst in “The Tall Guy”, het regiedebuut van Mel Smith (“Not the nine o’clock news”, “Alas Smith and Jones”) naar een scenario van Richard Curtis, die later “Four wedding and a funeral” zou schrijven. De muziek is van Peter Brewis, die o.m. voor een parodie op Andrew Lloyd Webber zorgt.
“The tall guy” is natuurlijk Jeff Goldblum alias Dexter King, een slungelachtige Amerikaanse acteur zonder veel ambitie die in Londen een baantje heeft als aangever in de show van de bekende komiek Ron Anderson (Rowan Atkinson). Daarbij bestaat zijn job er voornamelijk in, figuurlijk maar vaak ook letterlijk, klappen te incasseren van de “ster”. Bovendien heeft Dexter last van hooikoorts, waardoor de show wel eens in het honderd loopt.
Zijn medehuurster, de nymfomane Carmen (Geraldine James uit “The jewel of the crown”), raadt hem aan hiervoor een injectie te halen in de kliniek. Daar wordt hij prompt verliefd op de verpleegster Kate Lemmon, gespeeld door Emma Thompson. Zo maken we kennis met deze actrice die me daarna in “Dead again” me eigenlijk een beetje zou tegengevallen (niet als actrice maar wel omdat ze eigenlijk enkel in de ogen van regisseur en toenmalig echtgenoot Branagh een schoonheid is, terwijl ze hier nochtans een rol krijgt toegewezen die iedereen naar adem zou moeten doen snakken) maar in “Howard’s End” van James Ivory kwam ze zo goed uit de verf dat ze er zowel een oscar, als een Golden Globe en een BAFTA-award (de Engelse tegenhanger van de Oscars) aan overhield.
Met Ivory draaide ze daarna trouwens “Remains of the day”, want voortaan is zij het die de meeste aandacht trekt. Zo b.v. in Cannes waar ze dat jaar de jongste film van haar toenmalige echtgenoot Kenneth Branagh kwam voorstellen: “Much ado about nothing” (naar het stuk van Shakespeare uiteraard). Hierin speelt ze de rol van de mannenhaatster Beatrice naast de misogyne Benedick van Branagh, een koppel dat nog best te vergelijken valt met dat uit “De getemde feeks”. En dat was ook wel een beetje zo, want aangezien Emma op de set wat ging rotzooien met Denzel Washington, was Branagh in alle staten. Hij had nochtans beter moeten weten. In de talkshow van wijlen Paula Yates (de ex van Bob Geldof) op Channel 4 had Emma nog onomwonden verklaard: “I grew up in the pre-Aids era, so I had the great fortune to shag everyone before I got married.”
Nochtans speelde ze in “Peter’s Friends”, de derde film van Kenneth Branagh, een oude vrijster. Voor het eerst vormde ze daar geen paar met Branagh zelf, die de drinkebroer Andrew speelde. Andrew is een soapschrijver die zich met de Amerikaanse soapvedette Carol (Rita Rudner) heeft gelieerd, die met hetzelfde drankprobleem had te kampen. Ondanks het feit dat het scenario werd geschreven door Rita Rudner, samen met haar man Martin Bergman, is de film voor Emma Thompson gedeeltelijk autobiografisch, in die zin dat hij start met een optreden in 1982 van het satirische universiteitscabaret “The Footlights”.
Dat was het jaar dat Emma Thompson afstudeerde in de Engelse literatuur in Cambridge. Ook zij komt immers net als haar echtgenoot uit het “serieuze” theater. Dat is op zich niet te verwonderen, daar ze de dochter is van de theaterproducer Eric Thompson en actrice Phyllida Law, die in “Peter’s Friends” trouwens de rol speelt van de gouvernante en ook in “Much ado” meespeelt (*).
In haar studententijd had ze trouwens reeds een “One Woman Show”, een vorm die later min of meer terugkeert in haar tv-programma “The Emma Thompson Hour”. Onmiddellijk na haar studies sloot ze aan bij “The Renaissance Theatre Company” van Kenneth Branagh. Hun eerste gezamenlijk succes was een opvoering van “Look back in anger”, nadat zijzelf reeds succes had geoogst in “Me and my girl”.
Daarna kwamen “King Lear” en “A Midsummernight’s Dream” (telkens geregisseerd door Branagh) en de televisiereeksen “Tutti Frutti” en “Fortunes of war”. Voor dit laatste kreeg ze een BAFTA-award. In 1989 debuteerde Kenneth Branagh als filmregisseur met een Shakespeare-stuk, “Henry V”, met in de vrouwelijke hoofdrol Emma Thompson, die toen nog z’n vrouw niet was, maar even later trouwde ze wel met Branagh. Van dan af speelde ze in al zijn films, maar daarnaast was ze ook nog te zien in “Impromptu” en als de advocate Gareth Pierce in de film “In the name of the father” van Jim Sheridan.
Kenneth Branagh is in 1995 gescheiden van Emma Thompson, zoals te verwachten was omwille van haar oscar: “Zelfs in haar slaap praat ze over haar oscar,” aldus een gefrustreerde Branagh. Maar eerst had hij er toch nog voor gezorgd dat Emma de titelrol kreeg in “Carrington”. Voornamelijk door ervoor te zorgen dat de film eindelijk gedraaid werd, want eigenlijk liep scenarist Christopher Hampton er reeds een aantal jaren mee rond en was ooit Vanessa Redgrave (Emma Thompsons “role model”) reeds gecast als de schilderes Carrington die verliefd wordt op de homofiele schrijver Lytton Strachey. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Herbert Ross het scenario zou verfilmen. Toen dat maar bleef duren, werd uiteindelijk Mike Newell aangezocht, maar die wierp zich liever op “Four weddings and a funeral” en hij zal daar toch geen spijt van gehad hebben, denk ik.
De radeloze Hampton werd uitgenodigd op een etentje ten huize van Branagh-Thompson en daar overtuigde Kenneth hem om het ook eens als regisseur te wagen. Helemaal geslaagd vind ik dit debuut echter niet en merkwaardig genoeg omwille van een fout in het scenario, iets waar Hampton toch wel beslagen in mag heten! In het begin van de film wordt Strachey (de rol werd uiteindelijk gespeeld door Jonathan Pryce) voorgesteld als een ronduit onuitstaanbare vent. Kan men nu nog aannemen dat Carrington zelf door de aanblik van de vredig slapende auteur (op het moment dat ze als wraak voor een “gestolen” kus zijn baard wil afknippen) wordt vertederd, dan is dit voor de kijkers zelf niet het geval en toch evolueert Strachey “miraculeus” naar een haast “heilig” personage op het einde van de film. Dat zou dan de weldoende invloed van Dora Carrington kunnen zijn, maar ook zij wordt lange tijd onvoldoende getekend.
En dan zijn er de geliefden die één voor één de film komen binnensijpelen en blijven hangen. Meestal raken die totaal vergeten, eens ze zijn voorgesteld, of indien dat niet het geval is, hebben ze ook alweer een onverklaarbare ommekeer ondergaan. Zo was Ralph Partridge (rol van Steven Waddington), waarmee Dora enkel maar getrouwd was omdat Lytton verliefd op hem was, stilaan uitgegroeid tot een jaloerse overspelige zuiplap, maar op het einde van de film is hij de menselijkheid zelve. Op de koop toe is ook de muziek van Michael Nyman niet erg geïnspireerd en moet hij het bij mijlen afleggen tegen het strijkkwintet van Schubert dat herhaaldelijk in de film opduikt.
Maar toch is deze film uiteraard stukken beter als “Junior”, de volgende productie waarin we Emma Thompson terugvinden. Danny De Vito vertelt hierin het verhaal over een dokter die zichzelf bezwangert als experiment. Dat de dokter in kwestie Arnold Schwarzenegger is, maakt het allemaal nog veel onnozeler. Ook de aanwezigheid van Emma Thompson kan de boel niet opvrolijken. Emma legde na de première trouwens wel de gebruikelijke vriendelijke verklaringen af over Schwarzie, maar voegde er terloops toch aan toe dat hij politiek gezien aan het andere eind van het spectrum staat t.o.v. haar en zelfs t.o.v. zijn vrouw Maria Shiver, het nichtje van wijlen Jacqueline Onassis.
Daarna debuteerde Emma als scenariste voor “Sense and sensibility”, een romantische zedenschets van Ang Lee naar het beroemde boek van Jane Austen. Na de dood van haar man (Tom Wilkinson) blijft Mrs.Dashwood (Gemma Jones) met haar drie dochters in armoede achter, aangezien de erfenis naar diens zoon uit z’n eerste huwelijk gaat (James Fleet). Op aanstoken van zijn vrekkige echtgenote Fanny (Harriet Walter) komt hij immers zijn belofte niet na om voor zijn stiefzusters te zorgen. Bovendien doet Fanny alle moeite om haar broer Edward (Hugh Grant) bij de oudste dochter Elinor (Emma Thompson) vandaan te houden. Ook haar jongere zus Marianne (Kate Winslet) wordt door haar aanbidder, Willoughby (Greg Wise), in de steek wordt gelaten. Elinor legt zich daar rationeel (“sense”) bij neer, maar Marianne is verscheurd door passie (“sensibility”). Toch zullen zij beiden uiteindelijk hetzelfde parcours afleggen.
Het is niet echt duidelijk of de 19de eeuwse Engelse schrijfster Jane Austen hiermee eigenlijk wil zeggen dat of het geen enkel verschil maakt of je nu je verstand erbij houdt of niet, of je je gevoelens toont of niet. Austen leefde immers zelf in een claustrofobe wereld, waarin ze duidelijk verplicht werd om zich in te tomen (“sense”) en we kunnen dus enkel uit haar werk gissen dat ze toch over de nodige “sensibility” beschikte. Dit thema is de jongste jaren in een aantal films, vooral van James Ivory (“Howard’s end”, “The remains of the day”) reeds met succes behandeld en het is dus niet echt verwonderlijk dat scenariste Emma Thompson, die in deze films belangrijke rollen vertolkte, het er ook goed van afbrengt.
Aangezien ik het originele werk niet heb gelezen, weet ik niet of ze het verhaal meer naar haar eigen personage heeft toegetrokken, maar dat is onwaarschijnlijk, aangezien ze naar eigen beweringen oorspronkelijk niet als actrice voorzien was. Ze heeft wel een aantal filmische ingrepen gedaan die erg geslaagd zijn, zoals de manier waarop Hugh Grant (die toch maar over twee gelaatsuitdrukkingen blijkt te beschikken) en zijzelf in contact komen, namelijk via een absurde discussie of de Nijl nu in België ontspringt of is het dan toch de Wolga? Achteraf zou ze zelf de Belgische journalisten erop wijzen dat op het moment van de film (rond 1800) België nog niet eens bestond! Dezelfde fout werd twintig jaar eerder overigens in “Barry Lyndon” gemaakt. Daar situeert men (in 1773) Spa ook al “in the kingdom of Belgium”.
De vraag was echter of de Taiwanese regisseur Ang Lee zich in deze typisch Britse sfeer zou kunnen verplaatsen. En het antwoord is duidelijk positief. Vermoedelijk omdat men in de twintigste eeuw in het oosten minder veraf staat van deze problematiek dan wijzelf in onze jachtige, oppervlakkige maatschappij. Verder noteren we nog dat Alan Rickman (zoals altijd uitstekend) voor één keer eens niet de booswicht moet spelen en ook de jongste dochter wordt knap vertolkt door Emilie François. Opmerkelijk is trouwens de manier waarop de dochters worden aangesproken: de oudste is Miss Dashwood, de tweede is Miss Marianne en de derde gewoon Margaret.
Ondertussen draaide Branagh “Hamlet” met Kate Winslet als Ophelia. Op de vraag waarom niet Emma, reageerde Branagh: “Ze zou te veel kosten.” Maar Emma zou Emma niet zijn als ze zich zo maar liet doen. Op de vraag of ze het niet betreurde geen kind van Branagh te hebben, antwoordde ze dat dit toch wel een erg moeilijke affaire zou worden: “Ken is zo moe dat zelfs zijn spermatozoïden op krukken lopen.”
Maar in een Amerikaans homotijdschrift verklaarde Thompson nog iets anders: ze zei dat ze vaak lesbische fantasieën had, met dan vooral Michelle Pfeiffer als onderwerp… Nochtans weigerde ze de rol van de lesbische schrijfster Radclyffe en ook in “Primary Colors” liet ze een scène schrappen, waarin haar rol van Hillary Clinton een lesbische verhouding met een politieke medewerkster werd toegeschreven.
Van bij de eerste beelden van “Primary Colors” lijdt het immers geen twijfel wie we in de figuur van Jack Stanton, gespeeld door John Travolta, moeten herkennen. Het is een briljante Bill Clinton‑imitatie die de ster hier ten beste geeft, van het zilvergrijze haar tot de pruillip die plotseling overgaat in een gemaakte glimlach, van het handjes schudden tot het stevig vastgrijpen van de onderarm, van de raspende stem die op vermoeidheid of “oprechtheid” wijst, tot de wat logge maar toch ongegeneerde lichamelijkheid.
En voor wie het ondanks alle fysieke en vocale hints toch niet doorheeft, is er halverwege de film de scène waarin de jonge zwarte helper van de zuidelijke gouverneur en presidentskandidaat Jack Stanton, in de toiletten zijn baas confronteert met de bewering van een zwart tienermeisje dat Stanton haar zwanger maakte. Waarop Stanton op de muur begint te bonken en vol zelfmedelijden roept: “I just can’t catch a break, can I?”
Het toeval wil dat de verfilming van “Primary Colors”, de onthullende roman over de verkiezingscampagne van de democratische presidentskandidaat Bill Clinton in 1992, de Amerikaanse bioscoop haalde enkele weken nadat het Monica Lewinsky‑schandaal in alle hevigheid losbarstte, en de media in overdrive schakelde, alle zin voor verhoudingen verliezend.
Zelfs de meest gewiekste marketingstrateeg had geen betere synergie tussen actualiteit en entertainmentproduct kunnen bedenken. “Primary Colors” werd daardoor in nog veel grotere mate dan regisseur Mike Nichols het had bedoeld, geen film over Clinton, maar over “the Clinton thing”. De film gaat ook over de compromissen die kandidaten moeten sluiten bij hun greep naar het hoogste ambt. Over de verwoestende effecten van schandalen in een wereld gerund door de media. Over mensen aan de top die ook maar mensen zijn. Over wat er gebeurt als ze hun libido niet kunnen bedwingen, terwijl hun functie eist dat ze dit onder controle hebben. Het is eveneens een moderne fabel over het fascinerend huwelijk van een op macht belust echtpaar.
“Primary Colors” zorgde bij zijn verschijnen in 1996 voor de nodige consternatie in Washington. Wat veiligheidshalve voorgeschoteld werd als fictie, geleek in feite meer op een journalistieke klus. Insiders hadden er in ieder geval geen moeite mee om de echte figuren te herkennen in de pseudo‑verzonnen personages uit de entourage van presidentskandidaat Jack Stanton.
Een veel groter mysterie was wie nu de auteur was van de anoniem gepubliceerde roman. Een man die zo goed was geïnformeerd dat hij wel moest worden gezocht in het selecte groepje van de gezaghebbende politieke commentatoren uit Washington. De ontmaskering van “Anonymous” werd een triomf van cyberspeurders. De roman “Primary Colors” werd in de tekstverwerker gestopt om gecontroleerd te worden op terugkerende eigenaardigheden in spraakkunst, woordkeuze en stijlfiguren. Het resultaat werd getoetst aan het journalistieke proza van de zwaargewichten in de verslaggeving binnenlandse politiek. Uit de bus kwam politiek columnist van “Newsweek” Joe Klein, nu Washington correspondent bij de “New Yorker”.
Om ons door hun filmverhaal te loodsen, maken Nichols en zijn scenariste Elaine May dankbaar gebruik van een beproefd maar handig verhalend procédé: we krijgen alles te zien door de verbaasde ogen van een jonge verteller, de nieuwe campagnemanager van Stanton. Henry Burton (mooi gespeeld door de 27‑jarige Engelse toneelacteur Adrian Lester), de Afro‑Amerikaanse kleinzoon van een befaamde burgerrechtenactivist, is de Candide‑figuur van deze moderne zedenles. Burton wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen contradictorische gevoelens voor zijn baas: enerzijds bewondering voor de nobele inborst van de kandidaat, anderzijds verontwaardiging omdat de man zijn primaire lusten niet kan bedwingen.
Washington watchers hebben beslist een vette kluif aan het vergelijken van de acteurs met hun voorbeelden. Naast Travolta als Clinton, en een schitterende Emma Thompson als Hillary, is er Lester als de George Stephanopoulos‑achtige campagnemanager. Billy Bob Thornton speelt de op James Carville geïnspireerde strateeg Richard Jemmons. Die wordt dan wel opgezadeld met een provocatie die in werkelijkheid aan zijn baas wordt toegedicht: zo haalt hij aan het bureau van een campagnemedewerkster ongevraagd zijn penis uit zijn broek. Geen nood, de vrouw reageert in de fictie minder dramatisch dan Paula Jones in de realiteit: ze begroet de ontbloting met een oneliner en blijkt bovendien toch lesbisch te zijn. Voor de door Larry Hagman aandoenlijk gespeelde gewezen gouverneur van Florida met een niet smetteloos verleden, komen dan weer een reeks kandidaten in aanmerking.
Voor de door Kathy Bates gespeelde probleemoplosser Libby Holden die uit de vergetelheid wordt gehaald om Stanton uit de rats te helpen, zou Betsy Wright model hebben gestaan. Clintons stafchef uit Arkansas had tijdens de campagne in 1992 de handen vol met het afslaan van wat ze zelf zo mooi omschreef als “bimbo eruptions”. Hetzelfde fenomeen dat nu aan “Primary Colors” zijn actuele meerwaarde geeft.
Maar zoals de slippertjes van Stanton maar een onderdeel zijn van de plot van “Primary Colors” is ook het al dan niet herkennen van de “true‑life”‑figuren niet meer dan een insiderspretje. De kracht en de betekenis van de film liggen elders: in het inzicht dat de prent biedt in het Amerikaanse politieke proces. “Primary Colors” is in de eerste plaats een behoorlijk gesofistikeerde dramatische komedie over politieke zeden. Wie belust is op vernietigende parodie à la “Dr.Strangelove” is hier aan het verkeerde adres.
De nauwelijks bedekte satirische teneur van “Primary Colors” is zeker een kolfje naar de hand van Mike Nichols, de regisseur die zelf 1,5 miljoen dollar van zijn eigen geld veil had voor de filmrechten. De bioscoopcarrière van Nichols is op zijn zachtst gezegd onevenwichtig (“The Graduate”, maar ook “The Bird Cage”), maar zijn achtergrond maakt hem zeer geschikt voor de klus: in de jaren zestig vormde hij met Elaine May een cabaretier‑duo; de twee werden geloofd voor hun feilloze satirische observaties van het Amerikaanse voelen en denken tijdens de Eisenhower‑Kennedy‑jaren.
“Primary Colors” is misschien de eerste Hollywoodfilm die radicaal breekt met de traditie van de populistische politieke fabels van Frank Capra. Films als “Mr.Deed Goes to Town” (1937), “Mr.Smith Goes to Washington” (1939) en “Meet John Doe” (1941) waren bij het publiek zeer geliefd, maar volgens hun critici oefenden ze een nefaste invloed uit op eenieder die in Hollywood een politieke film probeerde te maken. Hendrik Hertzberg begroette (in “The New Yorker”) “Primary Colors” als het lang gezochte vaccin tegen wat hij het Smith‑syndroom noemt. Als symptomen van het syndroom citeert hij onder andere sentimentaliteit, onwetendheid, opzichtig patriottisme, populistische demagogie, cynisme vermomd als naief idealisme en een afkeer voor politiek, weggemoffeld achter een ostentatieve verering voor de grondwettelijke structuren die alleen door politiek tot leven kunnen komen. Hij noemt de film van Nichols en May het definitieve antwoord op de gemakkelijke morele zekerheden van Capra en zijn erfgenamen.
Dat belet Nichols geenszins om zijn film te larderen met een duidelijke Capra‑hommage: terwijl zijn rusteloze campagne op volle toeren draait, zit de kandidaat rustig te kletsen met een man die een hamburgertent runt ‑ tafereel dat zo uit een schilderijtje van Edward Hopper komt gestapt.
Uit de vrij nuchtere reacties op de Lewinsky‑affaire is gebleken dat de meeste Amerikanen geloven dat Clinton liegt over zijn seksleven maar dat hij ook een bekwame president is. Een film als “Primary Colors” helpt verklaren waarom die twee overtuigingen niet noodzakelijk onverzoenbaar zijn.
De “bimbo eruptions” zijn echter alleen maar het voorspel in “Primary Colors”. De echte vuurproef voor Stanton komt er in het derde bedrijf, als na de plotselinge dood van zijn geduchte tegenstander een nieuwe kandidaat opdaagt. Gewezen gouverneur van Florida Fred Picker verkoopt geen volksverlakkerij en wint met zijn oprechte improvisaties onverwacht de sympathie van de Amerikaanse kiezer. Dan moet blijken hoe ver Stanton wil gaan om herkozen te worden. Libby en Burton worden uitgestuurd om in het verleden van de tegenstander vuil op te graven. Ze vinden ook iets (Picker was ooit aan cocaïne verslaafd en had een homoseksuele affaire met een van zijn dealers). De vraag is nu of Stanton daar ook gebruik wil van maken? De Stantons hebben inderdaad twijfels, niet over het uitbrengen van de bezwarende informatie, wel over de meest geschikte krant om het nieuws te lekken, de Washington Post of de Wall Street Journal.
Voor Nichols gaat “Primary Colors” dan ook in de eerste plaats over eer en morele dilemma’s. Tijdens zijn finale speech probeert Stanton zijn gedesillusioneerde campagnemanager te overtuigen om hem niet in de steek te laten. Zijn redenering gaat als volgt: elke politicus moet smerige zaakjes doen om aan de macht te komen, maar eens dat hij zijn doel heeft bereikt, kan hij al zijn beloftes ook nakomen. Nieuwkomer Adrian Lester slikt dit en blijft, de door de wol geverfde Libby niet en pleegt zelfmoord (een allusie op de raadselachtige zelfmoord in 1993 van Witte‑Huis‑jurist Vincent Foster?). Voor haar hebben de Stantons voorgoed hun idealen verraden van tijdens de democratische conventie van 1972 met George McGovern.
De hele film door krijgen we de Clinton stand in afwisselend ‑ en soms tegelijkertijd ‑ van zijn beste en slechtste kanten te zien. Nu eens oversekste schelm of stoute jongen, dan weer begeesterd politicus en oprecht idealist, maar altijd hunkerend naar adoratie. Zijn gedrag is voldoende contradictorisch om zowel in het kamp van de Clinton‑fans als de Clinton‑haters de grootste verwarring te zaaien.
Volgens sommigen heeft Nichols, om Clinton te sparen, het venijn uit de roman gehaald. De regisseur en zijn vrouw Diane Sawyer, sterjournaliste bij de televisie, zijn niet echt dikke vrienden van de Clintons, maar als buren (op hun zomerverblijf in Martha Vineyard) lopen ze elkaar wel eens tegen het lijf.
Net als Nichols is ook Edgar Bronfman Jr., de grote baas van Universal Studios (de Amerikaanse distributeur van “Primary Colors”) een belangrijke fund raiser voor Clinton. Het gerucht gaat (met klem ontkend door Nichols) dat de Universal‑top druk zou hebben uitgeoefend om de scène te knippen waarin Susan Stanton, van de wijs gebracht door de nieuwste ontrouw van haar man, troost zoekt bij de campagnemanager en uiteindelijk met hem de koffer induikt.
En Travolta zou zijn portrettering wat milder hebben gemaakt. Een wederdienst omdat Clinton hem de kans bood om bij zijn nationale veiligheidsadviseur de discriminatie tegen Scientology in Duitsland aan te kaarten. In “George”‑magazine liet de ster zich in ieder geval ontvallen: “You’d have to be dead not to see that the film favors Clinton.”
Dat de Clintonfiguur zo sympathiek te voorschijn komt uit “Primary Colors” is in hoge mate te danken aan het charisma van Travolta ‑ op dit vlak holt de film gewoon de realiteit achterna. Toch laat de film een wrange nasmaak achter. De bewijzen dat rokkenjager Stanton een minderjarig meisje zou hebben zwanger gemaakt, worden nooit hard gemaakt, maar zelfs zijn trouwste medewerkers achten hem ertoe in staat.
Ondanks zijn brutale kritiek op Clinton, heeft ook Klein nooit zijn geloof verloren in de president. Met zijn roman wilde hij allerminst Clinton neersabelen. Hij schreef naar eigen zeggen het boek om zijn journalistieke frustratie uit te drijven, altijd te moeten kiezen tussen held en schurk. Voor Klein zijn er geen schurken in “Primary Colors”: “Je moet kiezen of je iemand wil die echt om mensen geeft maar ook denkt dat hij daarom alles mag, of iemand die gewoon maar middelmatig is.”
Uiteindelijk zweert Nichols, net als Klein voor hem, bij de stelling dat je geen omelet kunt bakken zonder eieren te breken. Zijn conclusie over het Lewinsky‑circus: “The very gift that makes a great leader is the same thing that keeps him jumping on a lot of women.”
Emma Thompson laat zich niet zo maar bespringen, tenzij het is om kinderen te krijgen natuurlijk. Collega-acteur Greg Wise viel eind ’99 de eer te beurt nog net eer ze veertig werd de vader te zijn van haar dochter Jane.
Kort daarna begon Emma Thompson, die als scenariste reeds een oscar in de wacht kon slepen voor “Sense and Sensibility”, aan een scenario over het leven van de Chileense volkszanger Victor Jara, gebaseerd op de biografie “Victor, an unfinished song” van zijn Engelse echtgenote, de balletdanseres Joan Jara. Antonio Banderas zou reeds aangezocht zijn voor de hoofdrol, maar de film is er bij mijn weten nog niet gekomen. Thompson en Banderas traden wel samen op in een film met een gelijkaardig thema, namelijk “Imagining Argentina” van Christopher Hampton uit 2003. Antonio Banderas speelt hierin de rol van theaterdirecteur Carlos Rueda, die op zoek gaat naar zijn vrouw, de journaliste Cecilia (rol van Emma Thompson), die door de geheime dienst van dictator Videla is ontvoerd.
In 2008 is Emma Thompson de door godsdienst bezeten Lady Marchmain in “Brideshead Revisited” van Julian Jarrold, uiteraard naar het boek van Evelyn Waugh, die op die manier het geluk van haar kinderen, de homoseksuele Sebastian (Ben Whishaw) en haar dochters Julia (Hayley Atwell) en (in mindere mate) Cordelia (Felicity Jones), in de weg staat en op die manier ook de ambitie van de hoofdfiguur, kunstschilder Charles Ryder (Matthew Goode). In mijn ogen wordt de show echter gestolen door Michael Gambon als haar ontrouwe echtgenoot en diens minnares Greta Scacchi.
Dan wordt het evenwicht beter bewaard in “Last chance Harvey” van Joel Hopkins uit datzelfde jaar. Alhoewel de film duidelijk naar Dustin Hoffman is toegeschreven, dan krijgt Emma Thompson hier toch ook volop de kans om te schitteren en ons eraan te herinneren welke schitterende actrice ze wel is. Dat doet ze ook naast Pierce Brosnan in “The love punch” uit 2013 van en door diezelfde Hopkins.
Ondertussen speelde Emma in 2009 de hardvochtige schooldirectrice in “An education” van Lone Scherfig, waardoor zij het hoofdpersonage Jenny (rol van Carey Mulligan) bijna van haar toekomst berooft, nadat deze even “van het rechte pad” is afgedwaald door de verleidingskunsten van de oudere oplichter David Goldman (rol van Peter Sarsgaard). Het scenario van Nick Hornby zit overigens knapper in elkaar dan deze primitieve samenvatting doet vermoeden.

Referentie
Ronny De Schepper, Emma Thompson & Kenneth Branagh: Elisabeth Taylor & Richard Burton van de nineties? Steps magazine, mei 1993

(Het lange stuk over “Primary Colors” is zeker niet van mij, maar ik weet niet meer van wie het dan wel is. Ik vermoed van Patrick Duynslaegher in “Knack”. Indien ik mij vergis, word ik daarvan graag op de hoogte gebracht. Ik zal mij ook schikken naar wat de originele auteur vindt wat er met de tekst moet gebeuren.)

(*) Daarna was ze o.a. ook nog te zien in de serie “Kingdom” op één.

Een gedachte over “Emma Thompson wordt 55…

  1. Liefste beste Emma,
    als ik van één echtscheiding niet goed ben geweest, dan was het van die van u, met Kenneth Branagh. Jullie waren, dacht ik, hoopte ik, het ideale koppel om de eeuwigheid in te gaan als Verlaine en Rimbaud, De Beauvoir en Sartre, Abélard en Héloise. Welke prachtige film hebben jullie niet gemaak – verfilmingen van Shakespeare. Spannend, knap!
    Emmaatje, gij kunt een beetje spelen en klappen! Verschrikkelijk groot talent! Dank u! Tot in den draai, kusjes.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s