Guido Gezelle anders bekeken

Het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Ieper en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde nodigen U uit op de voorstelling van het boek “Caesar Gezelle, Mijmeringen. Editie en commentaar door Johan van Iseghem” in het stadhuis van Ieper op maandag 9 februari 2009 om 19 uur. Het boek kost 20€. Bestellen kan via de boekhandel, of rechtstreeks bij het secretariaat van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Koningstraat 18, 9000 Gent, tel. +32(0)9/2659340; fax +32(0)9/2659349, e-mail info@kantl.be.
Johan van Iseghem is hoogleraar Moderne Nederlandse Literatuur aan de KU Leuven (Campus Kortrijk). Zijn proefschrift “Guido Gezelles ‘Vlaemsche Dichtoefeningen’ (1858). Een benadering van de dichter en het werk” werd in 1993 door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde bekroond en uitgegeven. Hij schreef een “Kroniek van de jonge Gezelle” (1993) en verzorgde de samenstelling en redactie van de tentoonstellingscatalogi “Guido Gezelle. Tien reken en een toovertik” (Brugge, 1999) en “’t Is al zoo van buiten, ’t is al zoo van bin” (Kortrijk, 1999). Naast diverse tijdschriftartikels over Guido Gezelle en andere auteurs, publiceerde hij twee bijdragen over Caesar Gezelle: ”Mijmeringen. Een onbekend manuscript van Caesar Gezelle”, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 116 (2006) 3, p. 419-488; en ‘ “Voor altijd vergaan in ’t ijle van de wind”. Stijn Streuvels, Caesar Gezelle en de familie Gezelle’, in: M. De Smedt (red.). ‘Wie heet er u te slijten?’

Caesar Gezelle (1875-1939) leefde gebukt onder een verpletterende last: zijn familienaam, die van zijn oom Guido, met wie hij onophoudelijk vergeleken werd maar wiens talent hij niet deelde. In Ieper stelde hij eind 1927 en in de loop van 1928 een manuscript samen: Mijmeringen. Het bestaat uit losse prozateksten: herinneringen, standpunten en reflecties. Enkele ervan verschenen in de lokale krant Het Ypersche Volk, vaak in een afwijkende versie. Eigenlijk ambieerde hij een uitgave in boekvorm, maar zo ver is het nooit gekomen.
Wij maken kennis met de psychologie en de opvattingen van deze merkwaardige auteur. Hij zet zich af tegen modernistische stromingen in de kunst. Het Nederlands slaat hij vaak hoger aan dan de Vlaamse taalvariant. Hij relativeert het belang van bepaalde Vlaamse kunstenaars – al speelt frustratie daarbij een rol. Hij heeft een flink stuk van de wereld gezien en beseft, meer dan sommige tijdgenoten, tot wat voor zielige toestanden het nationalisme kan leiden. Wij leren nieuwe biografische details kennen: o.a. over zijn jeugd, zijn moeizame studies te Leuven, zijn verblijf te Versailles tijdens de eerste wereldoorlog, de receptie van zijn werk, de pijnlijke verhouding met zijn neef Stijn Streuvels en wrijvingen met de familie Gezelle in het algemeen.
We maken kennis met het normensysteem, de visie op literatuur en cultuur en de vaak aparte legitimering van artistieke voorkeur in sommige katholieke milieus tijdens het interbellum. De auteur weidt uit over aspecten van devotie en volksgebruik, wat ook heel wat aanknopingspunten oplevert voor heem- en volkskunde.
West-Vlamingen hébben immers iets met Gezelle. Zelfs Hugo Claus antwoordt op de vraag van Piet Piryns of hij “zichzelf als een achterkleinzoon van Gezelle” beschouwt: “In mijn paar megalomane momenten per dag durf ik dat denken. Als u ook maar iets in die richting oppert, ben ik al gelukkig. Henri Michaux, een van mijn leermeesters, beweerde dat hij door het lezen van Gezelle de dichter is geworden die hij was. Ik ben geneigd hem gelijk te geven. En niet alleen omdat Gezelle zo goed de vogeltjes kon nadoen.” (Knack, 24/3/1999)
En ook niet omdat hij zo’n mooie liefdesgedichten kon schrijven, zij het dan gericht aan een jongen (“Dien avond en die roze”), want Gezelle was blijkbaar van meerdere markten thuis. Zo had hij ook een heel eigenaardige verhouding met een Engelse inwoonster van Brugge, Lucie Smith, die met medeweten van haar echtgenoot Ernest, grote sommen van de geestelijke wist los te weken. Op 14 mei 1872 wordt hij zelfs “peter” van het vierde kind van het echtpaar (of beter gezegd: dat binnen het huwelijk van dat paar wordt geboren, kleine nuance), maar dat twee maanden later overleed. Omdat deze verhouding (in welke betekenis dan ook) een doorn in het oog was van de geestelijke overheid werd Gezelle overgeplaatst naar Kortrijk, maar vaak keerde hij terug naar Brugge en overnachtte dan bij de Smiths, waar overigens zijn zuster “diende”. Pas na vele waarschuwingen vertrekken de Smiths uiteindelijk naar Australië, waar Ernest overlijdt. Lucie hertrouwt met een rentenier en keert terug naar Brugge. Haar dochter Edith, ondertussen 22 geworden, zoekt nu op haar beurt “bescherming” bij Gezelle, maar hoe deze affaire afloopt, weten we niet omdat de kerkelijke overheid alle brieven en geschriften hierover weigert vrij te geven…

Een gedachte over “Guido Gezelle anders bekeken

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.