Om de een of de andere reden is de uitdrukking: “Napels zien en sterven”. Ik geloof echter dat voor de meeste mensen het in werkelijkheid “Parijs zien en sterven” is. Parijs, toch wel een mythische stad. De Zonnekoning in Versailles, de Bastille in 1789, de expatriates in de jaren dertig, de bezetting door de nazi’s, het existentialisme in de jaren vijftig, mei ’68… het lijkt wel of heel de wereldgeschiedenis zich op die ene plaats heeft afgespeeld. Iedereen moet in zijn leven op zijn minst dus één keer in Parijs geweest zijn. Ik ben er zelfs twéé keer geweest, dus op het eerste gezicht heb ik aan mijn plicht voldaan. Helaas moet ik echter toegeven dat die twee bezoeken telkens een ontgoocheling waren, zodat ze misschien niet meetellen…

Mijn eerste bezoek was eind jaren zeventig naar aanleiding van het Fête de l’Humanité. Op zich zou ik dat zeker niet meetellen, want dat Fête speelt zich ergens in een buitenwijk af en de locatie is zo groot en biedt op zichzelf zoveel bezienswaardigheden dat men gerust zich daartoe kan beperken zonder in de binnenstad zelf te trekken. (*)
Samen met mijn toenmalige echtgenote en Maggy De Pooter, de echtgenote van mijn collega Lode, hadden we echter een dag uitgetrokken om onder begeleiding van iemand van de Franse KP (PCF) toch eens de stad zelf te gaan bekijken. Ik kan mij daar echter niet veel meer van herinneren. Ik weet b.v. niet waar de foto is genomen die ik bij dit stukje is gezet. We zijn wel het toen nog splinternieuwe Centre Beaubourg (ook wel Centre Pompidou genoemd) gaan bekijken, dàt weet ik nog, maar wat er op dat moment als tentoonstelling te zien was, kan ik me hoegenaamd niet meer herinneren.
35 centre pompidou

Het boterde toen al niet goed meer in mijn huwelijk en ik herinner me dan ook vooral de ruzies die de uitstap verpestten. Omdat ik per se het optreden van Robert Charlebois wou bijwonen bijvoorbeeld, waardoor we het legendarische banket met PCF-voorzitter Georges Marchais hebben gemist.
We verbleven ook in zo een mastodont-hotel aan de rand van de stad, zoals er nu zovéél ketens zijn. Zoveel zelfs dat ik niet meer weet welk hotel het precies was (Novotel?). Alleszins weet ik nog wel dat we dààr werden gelogeerd (net als àlle “invités” van het Fête de l’Humanité) omdat deze keten voor een groot deel met centen van de PCF was tot stand gekomen…
Mijn tweede bezoek was enkele jaren later, toen ik pas gescheiden was. Ik ging toen samen met mijn ouders naar het Zwarte Woud, maar dat was geen succes, zowel dat Duitse verblijf zelf als de combinatie van met je ouders op vakantie gaan als je de dertig al gepasseerd bent. Na drie dagen ben ik dan ook vertrokken om via Keulen (alle hotels volzet wegens een handelsbeurs) in Parijs te belanden. Deze keer vond ik wel degelijk een hotelletje in de binnenstad. Na een “verkwikkende nachtrust” zoals dat dan heet, heb ik dan ook een lange wandeling gemaakt langs de Seine en door alle nabijgelegen wijken die Parijs zo beroemd maken. Toen ik in Montmartre was, moest ik op het middaguur dringend plassen. Ik was al aan het uitkijken naar een cafeetje toen ik een tent bemerkte, die “continu” stripshows beloofde. Het zag er zeker niet zo aantrekkelijk uit als de fameuze Crazy Horse (over de Dali-zetel op de foto heb ik het ook in dit artikel), maar een pintje kostte er niet eens zoveel méér dan elders in Parijs.
crazy-horse

Nadat ik aan de dringendste behoefte had voldaan, nam ik even plaats in de aftandse zaal, waar verveling blijkbaar troef was. Er gebeurde helemaal niets, laat staan dat er werd gestript. Nog voor ik mijn pint aan mijn lippen kon brengen, kwamen twee meisjes bij me zitten die een soort van cocktail in de hand hadden. De ene droeg een dikke pull, de andere kan ik me niet goed meer voorstellen, maar het was alleszins ook geen prikkelend beeld.
De trukendoos werd opengetrokken, maar ik maakte hen al snel duidelijk dat ik slechts een toevallige passant was, geen “big spender”. Toch bleven ze aandringen, zodat we alsnog in gesprek geraakten. Toen ik opmerkte dat er van “continu strippen” niet veel sprake was, werd een collega die lui aan de toog hing, aangemaand om in actie te schieten. Zeer tegen haar zin en onderwijl commentaar leverend op de belichting en zo, voerde ze een routineus nummertje op. Het was zelfs geen echte strip, want het broekje bleef aan. “Ze heeft haar maandstonden,” gaven mijn tafelgenotes als “toelichting”.
Toen het gesprek bij mijn recente echtscheiding terechtkwam, vond die met de pull het wat zielig worden en maande haar vriendin aan ermee op te houden: “Hier valt toch niets te rapen.”
Bij het afrekenen bleek dit echter een relatief begrip te zijn. In plaats van de prijs van een pintje kreeg ik een torenhoge rekening voorgeschoteld. Dat bleek dan de prijs voor de cocktails van de meisjes te zijn. Toen ik opmerkte dat ze die reeds dronken vooraleer ze bij mij waren gekomen en dat ik ze trouwens niet gevraagd had om aan mijn tafel te komen zitten, luidde het antwoord: “Altijd hetzelfde. Mijnheer amuseert zich met twee vrouwen en weigert dan te betalen.” En als dreigement werd eraan toegevoegd: “Alles is gefilmd, mijnheer!”
Maar dat vond ik juist heel goed: daaruit zou blijken dat ik de meisjes niet had uitgenodigd en dat ik ook niks met hen had aangevangen. Ondertussen waren er al enkele potige medemensen rond mij komen staan. Zelfs een journalistenkaart bleek op zo’n moment geen indruk te maken. Het ergste was nog dat ik, precies uit schrik bestolen te worden, mijn geld voor een vakantie die eigenlijk nog moest beginnen niet op mijn hotelkamer had achtergelaten, maar dat dit op dat eigenste ogenblik in mijn achterzak brandde. En dat was nog veel méér dan die rekening. Ik dacht: als men mij hier in elkaar slaat, dan zal de buit nog veel groter zijn. Daarom besloot ik: “Goed, ik zal betalen, maar geef me dan wel de rekening mee. Daarmee ga ik dan naar de politie.” Waarop de leider van het gezelschap een “compromis” voorstelde: de helft van de prijs, maar géén rekening. Alhoewel het nog altijd veel te veel was, stemde ik maar toe. Ik vind nog altijd dat ik daar toen goed ben weggekomen.
Terug buiten botste ik op zo’n typische Parijse straatmadelief, genre Irma la Douce: één been opgetrokken tegen de muur en een handtas ronddraaiend. “Tu viens, chérie?” Nog een beetje overstuur deed ik het hele verhaal en daarmee raakte ik blijkbaar een gevoelige snaar. “Ze maken de boel kapot, mijnheer! Voortdurend hoor ik dergelijke verhalen. En natuurlijk zijn wij daar ook de dupe van.” Enzovoort, enzovoort. Het zou mooi geweest zijn om mijn verhaal in haar troostende armen te kunnen besluiten, maar deze dag was al met al toch reeds te duur uitgevallen. Ik hield de eerste de beste taxi tegen en reed ermee naar mijn hotel. Daar vroeg ik hem op mij te blijven wachten. Ik raapte alles bij elkaar, rekende af en liet mij naar de Gare de Lyon voeren. Daar nam ik de trein naar de eerste bestemming en dat bleek Saint-Raphael te zijn. Het zou ook geen memorabele vakantie worden, maar alles was toen beter dan de lugubere indruk die ik aan Parijs had overgehouden…

Ronny De Schepper

(*) Om aan mijn vader te bewijzen dat communisten ook maar gewone mensen zijn liet ik mij op la Fête de l’Humanité opzettelijk fotograferen aan de stand van de politievakbond.14 fête de l'humanité

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s