“Ik ga helemaal niet akkoord met wat Gerard Van Moerkerke daar allemaal vertelt, hé!” barst Raymond De Smet, ex-wielrenner en Aalstenaar in hart en nieren, zij het door de oorlogsomstandigheden geboren in Parijs in 1918, onmiddellijk los.

Raymond De Smet: Ik zou zeker niet willen dat wat ik ga zeggen als negatief voor Gerard zou overkomen, want hij is het die me in februari-maart 1945 op de Rode Vaan heeft binnengeloodst en ik heb heel wat van hem opgestoken, waarvoor ik hem dan ook erg dankbaar ben. Maar zijn voorstelling is te smal, wellicht te wijten aan het feit dat hij in die naoorlogse periode voor lange tijd is weggevallen om gezondheidsredenen. Hij heeft het dus niet echt meegemaakt.
Bovendien moet men rekening houden met de tijdsomstandigheden:
– er was de ontwapening van de weerstand;
– het gebrek aan militanten, want velen zaten nog in de concentratiekampen of waren er omgekomen;
– we zaten ook in de regering, waarvoor we eigenlijk niet de nodige mensen hadden;
– en tenslotte was er de fameuze rede van Churchill in 1946, waarmee hij de koude oorlog inzette, wat er o.m. toe geleid heeft dat wij in 1947 uit de regering vlogen.
Wij waren werkelijk te jong om dat allemaal op te vangen. Maar wij gingen er wel tegenaan met een geweldig enthousiasme, dat aanstekelijk werkte. Wij hadden echter nog alles te leren. Die anekdote over dat artikel van Boon bijvoorbeeld, wel dat heeft hij bij mij herhaaldelijk gedaan. En ik ben er hem dankbaar voor! Bij dat gebrek aan ondervinding voegt zich dan nog het feit dat op korte tijd de ene hoofdredacteur de andere opvolgde: Gerard zelf, Bob Dubois, Aloïs Gerlo, Bert Van Hoorick, Jos Hebbelinckx enzovoort. Dat alles bracht met zich mee dat wij veel langer moesten werken dan men zich kan voorstellen en dat tegen een uiterst laag loon. Zo is het eens voorgevallen dat we slechts twee maanden wedde trokken voor drie maanden arbeid. En toch was het een prachtige tijd, weet je, vooral door dat jeugdige enthousiasme.
EEN KRANT DIE DURFT
Raymond De Smet: En bovendien mag je niet vergeten dat wij ondanks alles toch een aantal merkwaardige, ja zelfs opzienbarende dingen hebben gedaan. De cultuurredactie bijvoorbeeld. Met Louis Paul Boon, Maurits Roggeman en Maarten Thijs zaten we op een dermate hoog niveau dat vele schrijvers op de redactie af en aan liepen, gewoon om een praatje te slaan of zo. Johan Daisne en Hubert Lampo bijvoorbeeld. Het is ook bij ons dat voor de eerste maal dat tekenverhaal van “Proleetje en Fantast” is verschenen.
En dan was er ook de sportredactie. Als je spreekt van een krant die durft, wel wij waren er toen zo één. Zo brachten wij de uitslagen van de zesdagen soms zes uren voor het einde. Wij organiseerden ook wielerwedstrijden. Tot vier per dag. Met alle gevolgen vandien. Het ongeval van Richard Depoorter, die Belgische renner die in een tunnel tijdens de Ronde van Zwitserland dodelijk werd aangereden, daar waren wij ook de eerste bij om dat aan te klagen.
– U heeft zelf eens Parijs-Nice gevolgd?
Raymond De Smet
: Dat was geweldig! En op het thuisfront werd daar dan ook soms de draak mee gestoken. Zo bestaat er een tekening van Maurits Roggeman van mij aan een strand van de Middellandse Zee met daarbij een spitse tekst van Boon. En zo kreeg iedereen zijn deel wel eens. Maar wij maakten van die gelegenheden ook gebruik om ons op andere manieren nuttig te maken. Zo werden er overeenkomsten afgesloten met “L’Humanité” of maakten wij interviews met bekende Franse politici. Omer Van de Meulebroecke heeft de Ronde van Frankrijk zelfs eens gevolgd met slechts 500 fr. onkosten, omdat hij onderweg tolk speelde voor de Vlaamse renners.
Onder impuls van Gerard Van Moerkerke zijn we ook gestart met reportages. Dikwijls over onderwerpen waar we geen fluit van afwisten, zoals bijvoorbeeld de vlasnijverheid of de visserij. Dan kochten we ons een aantal boeken, worstelden die door en hop! Kortom, het was een harde, maar mooie tijd. Ik heb op de Rode Vaan gewerkt van ’45 tot ’52, waarna ik voor twee jaar naar Aalst werd geroepen om aan een kiescampagne te werken. Dat ervaarde ik toen werkelijk als een vorm van bekrimping, echt waar. Ik was dan ook zeer blij dat ik na het congres van Vilvoorde (1954) weer naar de redactie mocht. En dan nog wel als hoofdredacteur tot 1961. Daarna ben ik dan nog tot 1967 hoofd van het Huis van de Pers geweest (de drukkerij in de Kazernestraat, RDS). Dat maakt alles samen meer dan twintig jaar. Het was wellicht de mooiste periode uit mijn leven.
Dat wil echter niet zeggen dat er geen botsingen waren, hé! Zo ben ik omwille van een tekening van Raoul Servais, waarop een Vlaming uit 1302 afgebeeld staat naast een Vlaamse arbeider met een rood vaandel, nog beschuldigd van “kleinburgerlijk nationalisme”. Maar kom, zo’n dingen zullen nu ook nog wel gebeuren, nietwaar? En zoals wij toen, zeggen jullie dan wellicht: “Laat ze maar zeggen, wij doen toch onze goesting.” Het is zo dat men er de de goesting inhoudt.
RAYMOND VAN HET GROENEWOUD
Raymond De Smet werkte op het moment van het interview nog geregeld mee aan de Rode Vaan als correspondent voor Aalst. In de Aalsterse persmiddens was hij overigens een geliefd figuur. Net voor het gesprek had hij nog de “Sinaasappelprijs” gekregen voor zijn verdiensten. Maar over de vernieuwde Rode Vaan is hij minder enthousiast.
Raymond De Smet: Over de formaatswijziging (van kranten- naar weekbladformaat, RDS) ben ik niet erg tevreden, al moet ik daar onmiddellijk aan toevoegen dat onder mijn beleid we ook overgeschakeld zijn van het heel grote formaat naar het half-grote. Anderzijds stel ik vast dat “L’Humanité-Dimanche” net het omgekeerde heeft gedaan. Ik vind het in de huidige vorm minder een militantenkrant. Dat de colportages (naast de gewone verkoop via abonnementen of krantenwinkels werd de Rode Vaan vooral in leven gehouden door verkoop door militanten op acties of gewoon van deur tot deur, RDS) teruglopen baart mij dan ook grote zorgen. Ik stel vast dat de jongeren zich misschien meer nonconformistisch opstellen dan wij in onze tijd, maar ze zijn ook tot minder bereid.
Wat de inhoud betreft ga ik akkoord met wat Gerard Van Moerkerke zegt. Er is een disproportie tussen het politiek-sociaal-culturele en wat de gewone man in een blad zoekt. Dat is dan misschien niet honderd procent politiek, maar het maakt een blad populairder. Zo deden wij destijds bijvoorbeeld enquêtes over “voor of tegen het alcoholverbod”.
– Om te eindigen een toch wel markante anekdote: u bent peter en naamgever van Vlaanderens rockster nummer één, Raymond van het Groenewoud. En dat is een heel verhaal…
Raymond De Smet:
Inderdaad. Rond 1947 zakten er een aantal Nederlandse deserteurs van de oorlog in Indonesië af naar België. En zij kwamen dan op de redactie van de Rode Vaan terecht met de vraag of wij als een soort brievenbus zouden willen fungeren tussen België en Nederland. Dat gebeurde wel meer, telkens er hier of daar een conflict was. Zo bijvoorbeeld ook in Griekenland. Daarbij moesten wij steeds op onze hoede zijn om te zien of het geen provocateur betrof.
Maar met die mensen uit Nederland groeide er een vriendschap en daarbij was dus o.a. mevrouw Deborah Tak die toen gehuwd was met Joseph Van het Groenewoud, hier beter gekend als Nico Gomez. En toen ze al in Antwerpen woonden, kreeg ik plots een bericht dat ze een zoon hadden die ze naar mij Raymond hadden genoemd. Maar wanneer later Raymond van het Groenewoud zo’n succes kende, had ik helemaal niet in de gaten dat het mijn petekind betrof. Tot hij dan zo rond 1979 eens bij mij op bezoek is geweest en alles mij duidelijk werd…
Naschrift: voor de volledigheid moet ik eraan toevoegen dat in het Huis van de Communistische Pers in de Kazernestraat er een roddel de ronde deed dat Raymond méér was dan louter de naamgever van die andere Raymond… Persoonlijk hecht ik hieraan geen enkel geloof, al was het maar dat de muzikale genen van Nico Gomez zo prominent aanwezig zijn in een zoon die ver van hem vandaan opgroeide.

Referentie
Ronny De Schepper, “De mooiste periode uit mijn leven”, De Rode Vaan nr.9 van 1981

2 gedachtes over “Raymond De Smet (1918-1981)

  1. Ronny,

    Ik ben de oudste zoon van Raymond De Smet.Mijn ma was Eaymonde Jacquet.We zijn vier broers.
    Ik woon in Aalst.Ik heb Gerard Van Moerkerke gekend.Mijn laatste gesprek met hem was in 1976.
    Het origineel van de tekening van Raoul Servais is in mijn bezit.Dat bezoek in 1979 van Raymond Van ’t Groenenwoud met zijn moeder Deborah op het Begijnhof heb ik kunnen organiseren.
    dank zij enz..enz…Misschien moeten we eens een ontmoeting organiseren…..We moeten de geschiedenis niet herschrijven…maar kom….het mag er ook bij.Men kan er misschien iets van opsteken.Beleefde groetjes….

    Like

    1. Beste Guy,
      Ik neem aan dat u het vooral over mijn “naschrift” heeft.
      Ik heb uiteraard lang nagedacht over het feit of ik dit nu zou vermelden of niet.
      Ik heb het uiteindelijk toch gedaan omdat het een hardnekkige roddel betrof, maar tegelijk vond ik dat ik ook moest aangeven dat ik het wel degelijk een “roddel” vond.
      Ik geef toe dat ik nog altijd niet tevreden ben met de manier waarop ik het heb geformuleerd, maar ik neem toch wel aan dat mijn standpunt over de affaire duidelijk is…
      Met vriendelijke groeten,
      Ronny De Schepper

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s