De geschiedenis van het Kollektief D&A gaat terug op Otorio waarmee ze via Proka, de studentenorganisatie van de Akademie, ooit nog verbonden zijn geweest aan de Zwarte Zaal van diezelfde Akademie. “We zijn immers met theater begonnen toen we daar nog studenten waren. Altijd wel met eigen materiaal, zowel wat teksten als decor betreft,” zegt Dirk De Keyzer. Op het moment dat ik hem interview is hij 29 jaar oud. En hij geeft meteen een aantal voorbeelden: “What’s in a name” in 1983, “Verlepte Oogen, Verdronken Verdriet” in 1986, “De Graaf van Porno” in 1987, “Lucifer, kwartet van 3 Engelen en 1 Vrouw” in 1988 en “Unsere Stiefel sind so Schön” in 1989.

“Toen Proka en daarna de Zwarte Zaal verdween, hebben we gewoon nooit de financiële mogelijkheden gehad om een eigen zaal te kunnen hebben en uit de noodzaak is dan wel een soort van uitdaging gegroeid om voor elk stuk een gepaste lokatie te gaan zoeken. Ik moet echter wel toegeven dat daar veel energie in kruipt, zodat de nood aan een infrastruktuur wel groeit. Vandaar dat we nu hoe langer hoe meer willen uitwijken naar echte theaterruimtes. Het probleem is trouwens ook dat we absoluut met professionele akteurs willen werken, maar wij werken met projektsubsidies van de stad en aangezien die steeds maar dalen, wordt dat altijd moeilijker. Als dat zo blijft ‘devolueren’ dan zullen we dat nooit kunnen. En dat heeft niks met appreciatie te maken, maar gewoon met het feit dat er steeds meer groepen uit de boot vallen bij het ministerie en dus op deze projektpot een beroep doen. Ze vragen ook steeds grotere bedragen. En wat sponsoring betreft, aangezien we geen ‘kommercieel’ produkt brengen, kunnen we ook niet overal terecht. Eigenlijk alleen maar bij De Noordstar. Ik kan daarin komen: het oogmerk van de privé-industrie is winst maken en sponsoring staat dus in het teken van zoveel mogelijk publiciteit krijgen. Maar juist daarom zouden subsidies veel meer naar kleine initiatieven moeten gaan, want de grote gezelschappen krijgen toch ook al de meeste sponsoring. Maar als je van het theater bezeten bent, dan breng je het toch natuurlijk. Zo heb ik nog een tijdje aan performance gedaan, gewoon met drie, vier toevallige toeschouwers, op plaatsen die we kraakten, oude fabrieken en zo, en wat dan door een fotograaf werd vastgelegd.”
Aangezien Dirk De Keyzer kunsthumaniora heeft gevolgd in Aarschot, vroeg ik hem in welke mate theater daar aan bod kwam?
“Niet zo heel veel. Het was een kunsthumaniora die heel veel openliet, zodat je zelf een programma kon samenstellen. Ikzelf zat in de richting plastische kunsten en daar kregen we een vak ‘Nederlandse expressie’, waarin wij zelf theaterstukken maakten. Daarin werden ook opdrachten gegeven om zelf te schrijven, om de belichting te doen, om zelf te akteren, noem maar op. Daar krijg je dus de smaak al te pakken, laat ik maar zeggen. Toch kan ik daar niet echt over jubelen, want je moet het eigenlijk toch wel allemaal zelf doen. In de kunsthumaniora hebben wij met één leraar die dat wel zag zitten en nog een aantal vrienden een theatergroepje opgericht. Geen ‘Dead Poets Society’, maar toch jonge gasten die iets wilden doen. Maar van school uit kwam daar niet zo heel veel reaktie op, b.v. wat het beschikbaar stellen van infrastruktuur betreft. Eigenlijk moesten we het toch wel zelf doen. En op de akademie toegekomen, dus het hoger kunstonderwijs, was dat toch wel net hetzelfde. Heel dikwijls stuit je op de mentaliteit van ieder zijn vak, ieder zijn specialisatie en met uw pootjes van alle andere dingen afblijven. Ik heb mij daar nooit kunnen aan houden en ik wil dat ook nu nog niet doen. Vandaar dus dat er verschillende facetten in mijn theatervoorstellingen terechtkomen. Wij willen verschillende dingen koppelen. Wij willen méér doen dan enkel maar theater. Bauhaus heeft dat ook geprobeerd b.v. Interdisciplinair werken, verschillende facetten uit de kunst aan elkaar koppelen. Maar daar bestaan dus geen opleidingen voor en ook binnen repertoiregezelschappen wordt iedereen ‘zijn stiel’ toegewezen. Van op de akademie hebben wij daartegen gereageerd, eerst met Theater Otorio, met allemaal mensen die geen theateropleiding hadden, maar die wel theater maakten en nog altijd maken. Maar b.v. mijn eigen officieel diploma is er één van plastische kunst en daarmee kan ik dus niet bij een theater gaan aankloppen. Er wordt volgens mij nog altijd veel te veel in vakjes gedacht. Men staat te weinig open voor jonge mensen. Voor mensen die nog niet veel bewezen hebben en dus niet automatisch garant staan voor een bepaalde kwaliteit. En dat wordt haast overal geëist, ofwel moet je veel geld op tafel leggen om dan met zaalhuur te werken. En dat kunnen wij dan ook weer niet. Onze produktiemiddelen zijn zodanig klein, dat dit zelfs niet bij ons opkomt. Misschien willen we dat ook wel niet.”
Sedertdien maakt De Keyzer deel uit van de kern die D & A vormt, want voor de rest wordt telkens een ad hoc-gezelschap samengesteld, b.v. in september 1992 in het Muziekkonservatorium voor de muziekproduktie Melanckoly. Dirk De Keyzer schreef en regisseerde “Melanckoly” dat door het D&A Kollektief werd gebracht met muziek van Bart Vandewege en met Elise Bundervoet (aktrice), Cécile Kempenaers (sopraan) en de pianistes Fien Dhont en Gieselinde Rondelez. Eigenlijk is het een monoloog op basis van verscheidene teksten over ‘de’ vrouw. Erik De Strooper stelde een aantal potloodtekeningen ten toon die ontstonden vanuit eenzelfde thema. Grappig is dat het samenvalt met het Festival van Vlaanderen, waarin “de vier temperamenten” centraal staan: “Hitte, koude, vocht of droogte. Met deze vier elementen komen overeen de vier humeuren van ons lichaam, te weten, Bloedt met de Lucht, Gal met het Vyer, Phlegma met het Water, Melanckoly ofte Swarte Gal met de Aerde.”
Op 9 juni 1993 ging dan “Waanzinnen” in première gebaseerd op werk van André Baillon, terwijl Dirk De Keyzer op 10 december ook nog een “Vossejacht” van Ben Jonson ging regisseren bij het Multatuliteater. Hier opteerde hij voor een Monty Python-aanpak.
In februari 1994 keerde D & A terug naar de Suikerij voor Het Nieuwe Leven, een produktie gebaseerd op het werk van Dante Alighieri. Oorspronkelijk aangekondigd als een “theater-video-projekt” bleef er uiteindelijk van die videotoestanden niet veel meer over dan een toestel dat in de verte stond te spelen en dat (naar het schijnt, want mijn eigen ogen lieten mij in de steek) een “alternatieve” versie van het toneelstuk bracht. Vroegere repetities werden immers geregistreerd. Misschien heeft dit tot het uitstekende spel bijgedragen, maar tijdens het stuk zelf kan het hoe dan ook niet veel belang gehad hebben, want na de pauze werd het toestel gewoon afgezet.
Toch was dit een uitstekende voorstelling (misschien juist daarom). Dirk De Keyzer verdient als regisseur en vooral als tekstbewerker alle lof. Zelfs zijn muziekkeuze (“trage slepers” uit de jaren zestig van “Eenzaam zonder jou” tot “The most beautiful girl”) paste uitstekend bij de speelse en toch emotionele sfeer. Als regisseur leidde hij Elise Bundervoet als Beatrice en Luc Van Autreve als Dante uitstekend, al mag het grootste deel van de prachtige akteerprestatie natuurlijk op rekening van de akteurs zelf worden geschreven, in een sober maar effektief dekor van Ignace Devoldere. Deze stond ook in voor de kostuumkeuze, wat vooral bij Beatrice tot nogal wat verkleedpartijen leidde, o.a. ook in een sexy pakje dat bij SM aanleunde. Dit laatste was dan in het kader van de dichter die zozeer met Amor, met de Liefde-met-hoofdletter bezig is, dat hij de geliefde zelf eigenlijk in de kou laat staan. Tegelijk streeft hij naar een perfekte zegging op papier, maar in de realiteit slaagt hij er niet in met zijn geliefde te communiceren. Niet in woorden (met alle misverstanden vandien, eigenlijk jaagt hij haar zelfs voortdurend de bomen in) en zeker niet in daden (wanneer ze zich verleidelijk met haar rug voor hem uitstrekt, is het enige wat hij kan bedenken engeltjes tekenen op haar rug!). Slechts op het einde kan hij stamelen: “Ik zie u graag.” En zij: “Ik u eigenlijk ook.” Want dit stuk is in het “algemeen beschaafd dialect”, omdat “La vita nuova” ook het eerste literaire meesterwerk in het Italiaans is (i.p.v. in het Latijn). En dit is het werk van Dirk De Keyzer, die zich uiteraard ook door de twee akteurs liet assisteren, omdat het van primordiaal belang is dat de tekst erg goed in hun mond ligt. Daarnaast wordt ook nog ene Bob Van de Putte zowel als auteur en als akteur gesignaleerd, maar buiten het feit dat dit wellicht diegene is die samen met Dirk tijdens de gehele voorstelling achteraan aan een tafel zit, is me niet duidelijk wat zijn aandeel is. Ook het aandeel van componist Bart Vandewege was deze keer gering.
Het probleem met de liefde en de formulering van de liefde is hetzelfde als dat van de kunst. Als Dante op een bepaald moment zegt: “Je kan zo sterk op het abstrakte begrip liefde ingaan, dat het een ontstellende boel shit wordt. Ik denk direct aan mensen die op die manier kunst benaderen. Je kan daar op een zodanige analytische manier op ingaan, zodat kunst iets wordt waarvan normale mensen zeggen: daar wil ik eigenlijk niets mee te maken hebben.” Dan is dit duidelijk een referentie naar zijn opmerkingen over de migranten waarmee hij heeft trachten te werken (het is uiteindelijk mislukt).
Dezelfde aanpak vinden we ook terug bij zijn bewerking van “Het lijden van de jonge Werther” van Goethe. Lotte (Hilde Breda) houdt het bij de beslommeringen van elke dag en heeft weinig begrip voor de diepzinnige hersenspinsels van de kunstenaar Werther (Steven De Schepper). Ze vindt hem “een ventje met veel fantasie”. Decor is van Ignace Devoldere en de muziek zoals gewoonlijk van Bart Vandewege.
Daarna volgde ook nog “Tijdlozen” als tweede deel van de theater-trilogie “De grote veldslagen”.
Voor het seizoen 1995-96 vond het Kollektief D & A dan eindelijk toch erkenning. Zo kon op 12 oktober van dat jaar in Monty “Vier mannen” in première gaan naar het verhaal van Elvis Peeters. De creatie had in Antwerpen plaats omdat het een coproductie was. Toch willen de mannen van regisseur Dirk De Keyzer hun allernieuwste stuk ook in hun thuishaven voorstellen. Dat gebeurt op zaterdag 21 en zondag 22 oktober 1995, in de Tinnen Pot, het tweede plateau van het Arcatheater in de gelijknamige straat.
Wie reeds vroeger werk, zoals «De gehavende», van Elvis Peeters heeft gezien weet dat deze auteur vooral spreekt door te zwijgen. Met andere woorden : de kern ligt in hetgeen niet kan worden gezegd. Misschien daarom dat de « Vier mannen » juist door… drie mannen worden vertolkt (Kris Cuppens, Johan de Boose en Luc Van Autreve. Het grote geheim dat hen bindt heeft daar heel wat mee te maken.
“De grote veldslagen” werd op 22 november 1995 afgesloten met “Quando corpus morietur”, een verzameling teksten van Duitse schrijvers met als thema de dood. Gebracht door Twiggy Bossuyt, Hilde Breda, Johan de Boose, Dirk De Keyzer, Steven De Schepper, Luc Van Autreve, Dries Vanhegen en alweer Elise Bundervoet uit “Buiten de zone”, waarmee hij dus heel vaak werkt, in tegenstelling tot haar collega Reinhilde Van Driel, met wie hij nochtans getrouwd is en een zoontje (Louis) heeft.

Referenties
Ronny De Schepper, Jongeren en theater: “Ik ga alleen maar als ik een lief heb”, Graffiti oktober 1991
Ronny De Schepper, De liefde voor het theater, Switch november 1992
Ronny De Schepper, Drie mannen spelen het stuk “Vier mannen”, Het Laatste Nieuws 20 oktober 1995

Een gedachte over “Kollektief D&A

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s