Honderd jaar geleden: ontstaan van het dadaïsme

Hugo_Ball_Cabaret_Voltaire

Honderd jaar geleden vindt in het Café Voltaire in Zürich iets plaats wat we nu een “happening” zouden noemen. Dat gebeurde door een groep kunstenaars rond de Roemeense dichter Tristan Tzara, met de Elzasser Hans Arp, de Duitsers Hugo Ball (foto) en Richard Hülsenbeck, de Zwitserse Sophie Taeuber, de Nederlander Otto van Rees en de Roemeen Marcel Janco. Zij verspreidden van daaruit hun manifesten onder de willekeurig gekozen naam Dada.

De naam is uit een Frans-Duits woordenboek geprikt. Op een willekeurige pagina kwam men bij het Franse woord dada, dat speelgoedpaard en ook figuurlijk stokpaardje betekent.
Dadaïsme ontstond als negatieve reactie op de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Er ontstond een tendens onder zowel literaire als plastische kunstenaars het artistieke gebeuren brutaal en schokkend te bespotten. Dit was voor hen een middel om de schijnheilige waarden van de toenmalige ‘beschaafde’ wereld aan te vallen.
De beweging was ongeveer tussen 1916 en 1920 op haar hoogtepunt. De kunstenaars van dada hielden zich bezig met mengvormen van beeldende kunst, poëzie, theater en grafisch ontwerp. De beweging toont qua geesteshouding verwantschap met het nihilisme door het opzettelijk irrationele en het ondergraven van de algemeen geaccepteerde standaarden. Kunstvormen die de dadaïsten veel gebruikten waren de collage, de assemblage en in de dichtkunst de nonsensgedichten die puur gericht waren op klankuitingen.
In Vlaanderen vertoonde dichter Paul van Ostaijen in zijn bundel “Bezette stad” dadaïstische trekken, terwijl Paul Joostens het beeldende aspect uitwerkte. Kunstenaars hielden zich bezig met het gebruik van voorwerpen die eigenlijk al bestonden (Marcel Duchamp met zijn readymades). Zij maakten er net iets anders van dan het eigenlijk moest voorstellen.
In Parijs ging men aanvankelijk van de literatuur uit met André Breton, die later een belangrijke rol zal spelen in het surrealisme. Philippe Soupault, Paul Eluard en Louis Aragon waren de medespelers. Het was eerst tussen 1920 en 1922 dat de dada-exposities aan bod kwamen. In Parijs ook kwam de onenigheid tussen Breton en Tzara aan het licht. Toen Breton, in 1924, zijn “Premier manifeste du Surréalisme” uitbracht, was het meteen gedaan met het dadaïstische anarchisme.
Hoewel de beweging slechts korte tijd heeft bestaan, is haar invloed zeer groot geweest. Zo leefde in fluxus (aanvankelijk ook aangeduid als ‘neo-dada’) het idee van de absolute artistieke vrijheid en de herwaardering van het irrationele voort, in de happenings de anarchistische geest van het Cabaret Voltaire, in popart het werken met banale motieven en materialen en in de conceptuele kunst de vervreemdende combinatie van woord en beeld.