« Wat is dit voor een praatstuk ? Wie is hier van vlees en bloed ? » vroeg Eddie Dewit, die de tiran vertolkt in « Elektra, mijn liefde » van het Multatulitheater, zich 45 jaar geleden terecht af. Dat het desondanks toch een stuk is dat de moeite waard is om te worden gezien (al gaat in de brochure Eddie verder : « Ik wou zo graag ’s avonds in mijn tuin werken bij dit prachtweer… ») is vooral te wijten aan een zeer spitsvondige regie en uitstekende vertolkingen van wat vaak minachtend wordt genoemd « een stelletje amateurs ».
Nadat we enkele dagen tevoren de KVS aan het werk hadden gezien, weten we echter niet goed meer wie de échte amateurs zijn.
Om dan nog maar van theatervernieuwende experimenten te zwijgen. Met enige overdrijving zou men kunnen zeggen dat de toekomst bij de amateurs ligt. Wat het Multatulitheater hier aandurft, is zeer bewonderenswaardig, al brengt het spelen in een soort van balzaal natuurlijk wel problemen met zich mee wat de verstaanbaarheid en de concentratie betreft (omdat er op diverse plaatsen tegelijk wordt geacteerd) !
Maar zoals gezegd, dit was nodig om het zeer hoogdravende stuk van de moderne Hongaarse auteur Lazlo Gyurko op de toeschouwers te kunnen overbrengen. De fout die hier gemaakt wordt is dat een goed idee (het in vraag stellen van Macht als zodanig : corrumpeert Macht ?) nog niet noodzakelijk een goed stuk maakt. Maar gelukkig slagen de mensen van het Multatulitheater er dus toch in er een genietbare avond van te maken. Of de probleemstelling echter bij de toeschouwers blijft doorwerken kon naderhand niet worden vastgesteld.
Het Multatuliteater, aanvankelijk het Socialistisch Theatergezelschap en vervolgens Multatulikring, is een Belgische socialistische toneelvereniging uit Gent. Het Socialistisch Theatergezelschap werd opgericht in 1874 en trad in haar begindagen op in herbergen met zang en declamatiestukken. Vaste stek in deze periode was Den Duytsch. Drie jaar later (1877) werd de naam gewijzigd naar Multatulikring, de aanleiding hiervoor was een voordracht van Eduard Douwes Dekker (Multatuli) die Emmanuel Tetaert in augustus van dat jaar had bijgewoond. Geïnspireerd door Multatuli, scheef Tetaert zijn eerste toneelstuk Lijden en Strijden. De première van dit stuk ging door in herberg De Witte Kat. Later werd het repertoire uitgebreid met onder meer werken van Hippoliet van Peene en Nestor de Tière en vonden de voorstelling veelal plaats in zaal Paranassus. Vanaf 1884 beschikte het gezelschap over een eigen zaal in gebouwen van de Samenwerkende Maatschappij Vooruit op de Garenmarkt. Occasioneel werd uitgeweken in deze periode naar de Minardschouwburg en vanaf 1897 werd de vaste locatie zaal De Choeurs. De organisatie was aangesloten bij de Federatie van Vlaamse Socialistische en Sociaal-progressieve Toneelverenigingen (FVST). Op zondag 25 januari 1903 brachten ze de allereerste voorstelling van Het gezin van Paemel van Cyriel Buysse en dat leverde het gezelschap een toneelprijs op. Samen met de voorstellingen van Een Vijand des Volks van Henrik Ibsen luidde deze opvoeringen een succesperiode in voor theatergezelschap. Toen het feestlokaal van de Vooruit in 1917 door de Duitse bezetter werden opgeëist werden de voorstellingen gestaakt. In de jaren dertig vond er een nieuwe bloeiperiode plaats onder impuls van een revival van expressionistisch massatheater en de strijd tegen de crisis en het opkomende fascisme. Hierin speelde regisseur Michel Van Vlaenderen een belangrijke rol door middel van zijn keuze voor ideologisch geladen toneel, een kenmerkend voorbeeld was de opvoering van Koning Arbeid (1931) van Daan Boens. Het traditionele programma werd daarnaast doorbroken met regieconcepten van Attische tragedies en middeleeuwse ‘abele spelen‘. Zo vonden er in deze periode openlucht-voorstellingen plaats van onder meer Lancelot en Gloriant in de ruines van de Sint-Baafsabdij. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden de activiteiten gestaakt. Kort na de bevrijding werden de activiteiten opnieuw opgestart en vanaf 1947 verscheen het tijdschrift Podium. Het gezelschap bracht in deze periode tevens de eerste vertolkingen van werken van Jean-Paul Sartre en Arthur Miller in Vlaanderen. Met de oprichting van het NTG in 1965 verloor het gezelschap zijn eersterangspositie in Gent en braken moeilijkere tijden aan. Tevens kon het gezelschap niet langer optreden in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) en viel door toedoen van de ontzuiling de materiële steun vanuit de socialistische beweging terug. Vanaf 1969 vond het gezelschap een nieuw onderkomen in het Textielhuis, tevens werd een campingwagen aangekocht. Het eeuwfeest vond plaats in de Sint-Pietersabdij. Ook vond omstreeks deze periode de naamsverandering van Multatulikring naar Multatuliteater plaats. Begin jaren tachtig verhuisde het gezelschap opnieuw naar de locatie van haar gloriedagen en kreeg ze een plek in het nieuwe Kunstencentrum Vooruit. Producties als L. Bal en Por Amor del Tango dateren uit deze periode. (Wikipedia)
Het Gentse Multatulitheater heeft z’n 110de seizoen (vrij laat) ingezet met « Biedermann en de brandstichters » van Max Frisch. Biedermann (Willem van Cauwenberghe), een naar gelang van de omstandigheden opschepperige of kruiperige middenstander, wordt in zijn dagelijkse bestaan opgeschrikt door een golf van brandstichtingen. In het café wil hij wel eens verkondigen tussen pot en pint dat ze voor zijn part de brandstichters zouden mogen opknopen, maar wanneer een ex-worstelaar Jozef Schmitz (Nic Balthazar) hem hierover in zijn huis rekenschap komt vragen, dan is Biedermann maar al te vlug bereid zijn woorden weer in te slikken. Integendeel, hij biedt onderdak aan Schmitz en aan zijn trawant Willem Eisenring (Serge Van de Vijver), ook al gaat het er meer en meer op lijken dat zij de brandstichters zijn. Maar zelfs al voeren zij benzine en een ontstekingsmechanisme aan, dan nog is Biedermann bereid hen als blijk van vertrouwen de lucifers aan te reiken. Een intellectueel (Marc Vanderveken) komt zich nog van de « actie » distanciëren, maar te laat. Biedermanns huis gaat reeds in de vlammen op…
Rekening houdende met de naoorlogse periode waarin dit stuk tot stand is gekomen, is het duidelijk op welke ideologie er een toespeling wordt gemaakt. We zouden dus kunnen zeggen dat dit stuk, dat naast een aantal « klassieke » elementen (o.a. een optreden van een koor bestaande uit brandweerlieden) toch voldoende aanknopingspunten met een burleske bevat, uitstekend geschikt is voor een amateursgezelschap, gegroeid uit de arbeidersbeweging, zoals het Multatulitheater er één is. Helaas, regisseur Jan Leroy heeft geopteerd voor een « vervreemdende » regie, die echter alleen voor gevolg heeft dat « de Multa » van z’n basis vervreemdt (cfr. ook het aartsmoeilijke programmabrochuurtje). Met andere woorden, dit is geen stuk voor amateurs. maar « voor de liefhebbers »…
En dan nog. Want uiteindelijk is het regieconcept dat Leroy ons hier voorschotelt een zoveelste afkooksel van wat reeds eerder elders is gepresteerd. Het is een theezakje dat zelfs niet ten tweeden, maar ten derden of ten vierden mate werd gebruikt. En als u dan nog weet welke reserves we reeds hebben tegenover dit soort theater bij beroepsacteurs dan gaan wij het zeker niet deze amateurs ten kwade duiden dat zij hervallen in cliché’s zowel wat bewegen (Nic Balthazar, Serge Van de Vijver, de meid Tina Rimbaut) als wat spreken (of moeten we zeggen roepen, Willem van Cauwenberghe ?) betreft. Ook de gelichts- en geluidsregie was erbarmelijk slecht, al hadden Peter Rodriguez en Gerda Van Herreweghe een uitstekend aan te wenden decor gecreëerd.
Een misser dus, al wil het Multatulitheater blijkbaar (gelukkig) deze ingeslagen weg niet verder bewandelen. De volgende productie is immers Alan Ayckbournes « Feestcomité » in een regie van Jappe Claes. Wel jammer dat we hiervoor nog moeten wachten tot in april en ook dat men opnieuw het « Feestpaleis Vooruit » gaat verlaten voor de verafgelegen Jamclub…
Wie had gedacht dat een theater dat de naam van Multatuli draagt t.g.v. het Multatuli-jaar ook een quasi-extatisch huldebetoon aan zijn inspirator zou brengen, die pakt er met deze “Minnebrieven” toch wel flink naast. Wordt het (o.m. door ons gecontesteerde) maatschappelijke engagement van Multatuli nog wel dik in de verf gezet (er wordt met drie afsplitsingen gewerkt en « de opstandige Multatuli » is bijna een ongewilde karikatuur) dan legt regisseur Eddy Vereycken het blinde egoïsme van Multatuli in zijn relatie tot zijn vrouw en kinderen toch ongenadig tot op het bot bloot (daarom hebben wij trouwens ook bedenkingen bij Multatuli’s engagement; was hij immers niet bereid zijn « Max Havelaar » toch maar niet uit te geven, indien hij vooralsnog zijn herbenoeming kreeg ?).
Maar wat heet egoïsme ? Vanuit een ander standpunt kan men net zo goed beweren dat Multatuli « alles opoffert voor de Kunst », terwijl het precies zijn vrouw is die hem aanspoort toegevingen te doen opdat er toch maar brood op de plank zou komen. Zij is dan zelfs bereid om hem aan te moedigen zijn « Minnebrieven » aan ene Fancy te publiceren. O.K., Fancy is wellicht — zoals de naam het zelf zegt — een hersenschim van Multatuli, maar zelfs indien het dat is en niet zijn nichtje Sietske of een dertienjarig Indonesisch meisje waarop hij verliefd was, dan is het natuurlijk toch nog altijd een teken aan de wand…
Hoe dan ook, met die « Minnebrieven » is de kassa niet aan het rinkelen gegaan. Als toneeltekst voldoet-ie alleszins niet. Vereycken is dan maar ineens naar het andere uiterste doorgeslagen en laat de toneeltruken elkaar in razend tempo opvolgen. Aangezien deze echter niet op de tekst « colleren » worden ze erg gratuit en dus vervelend. De verbouwing van Multatuli’s huis b.v. is daarvoor typisch. Om een zeer momentaan effect te bereiken is het nodig dat twee, drie man voortdurend op de set aanwezig zijn en de aandacht afleiden. Ook het razendsnel en/of door elkaar spreken geeft de indruk van knap regiewerk te zijn, maar in feite wordt de reeds erg moeilijke tekst er alleen maar onverstaanbaarder door. Vooral op de achterste rijen groeide bij de première dan ook de verveling eerder aan tot irritatie en het einde kwam allicht geen minuut te vlug. Anders kwamen er misschien zelfs Heizel-taferelen van, want nu al aarzelden sommige waaghalzen niet om de schabouwelijke stellage af te klauteren…
Referenties
Ronny De Schepper, De toekomst ligt bij de amateurs, De Rode Vaan nr.20 van 1981
Ronny De Schepper, Voor de liefhebbers…, De Rode Vaan nr.2 van 1984
Ronny De Schepper, Met hoop op volgend seizoen, De Rode Vaan nr.22 van 1987