Het is vandaag al 25 jaar geleden dat Ernest Mandel, de ideoloog van de Trotskisten, is overleden (foto Eric Koch via Wikipedia).

Ik ben al van alles geweest in mijn leven, maar nooit ofte nooit Trotskist, al is “Sans la nommer” van Georges Moustaki altijd een van mijn meest geliefde nummers aller tijden geweest en al hadden de Trotskisten in de tijd dat ik studeerde wel de mooiste vrouwen. Op dit eigenste moment schieten er wel vier door mijn hoofd waarop ik toen verliefd was. Met geen enkele is het iets geworden, wat niet echt te verwonderen is, want ik was in die tijd een Amadees en dat zou voor hen wel geleken hebben alsof ze met een fascist in bed kropen.
Maar goed, het gaat hier niet om die vrouwen (meisjes toen nog), maar wel om Ernest Mandel, al is het moeilijk om die twee te scheiden, want Frank Winter brengt hem ook ter sprake als we het over de Maartbeweging aan de Gentse universiteit hebben en één van die meisjes mocht later in het fameuze boekje staan, dat hier een jaar later of zo aan gewijd werd.
Frank Winter: “De harde kern die daarna (na de Maartbeweging, RDS) overbleef heeft dan op voorstel van Ludo Martens een blad uitgegeven dat Beweging heette en zelfs wekelijks verscheen, men kon zich daarop dus abonneren. Op een bepaald ogenblik kregen de abonnees echter plotseling China reconstruct in de bus. Van toen af was het nogal duidelijk welke kant men opging. Daarop besloten de Trotskisten een debatavond te organiseren met Ernest Mandel om nu eindelijk eens toe te lichten wat het Trotskisme eigenlijk was. Daar kwam heel veel volk op af, ook de fractie van Ludo Martens die de laatste drie rijen in het auditorium innam. Nu, toen Mandel aan het polemiseren was met de spontaneïsten door de nadruk te leggen op vorming en scholing en Martens bij een tussenkomst dan de naam van Mao Tse Toeng liet vallen, pikte Mandel daarop in door te zeggen: ‘Ja maar, heeft diezelfde Mao geen tientallen jaren gespendeerd aan het oprichten van een communistische partij?’ Waarop Martens repliceerde: ‘Precies. En dat gaan wij nu ook doen.’ Dat sloeg in als een bom, want voor de meeste toehoorders was dat de eerste keer dat men iets vernam over de oprichting van een nieuwe communistische partij.”
Toch wil ik Mandel niet als marxist herdenken, maar wel als grote specialist van… detectiveromans! In het interview dat Paul Depondt en Piet De Moor hierover met hem hadden was de spionageroman “één van de twee grote keerpunten in de geschiedenis van de crime story” (helaas komt het tweede keerpunt niet aan bod in het interview): “Door de spionageroman verdwijnt het manicheïsme dat de goeden voor honderd procent goed en de slechten voor honderd procent slecht zouden zijn. Precies dat manicheïsme was echter de voorwaarde voor de integrerende functie van de misdaadroman. Het verdwijnt structureel en onvermijdelijk, want de agent is per definitie geen speelbal van zijn hartstochten — die spelen een marginale rol — maar een agent van de overheid. De wit-zwart verhoudingen maken plaats voor een grijze zone, voor de schemering. Na de Tweede Wereldoorlog krijg je de grote auteurs van de spionageromans: Le Carré bijvoorbeeld, die duidelijk laat voelen dat onze partij eigenlijk niet zó goed is en dat de tegenpartij eigenlijk niet zó slecht is. Het manicheïsme wordt vervangen door algemene twijfel en scepticisme. In deze wereld kan een spion door zijn eigen opdrachtgevers een mes in de rug gestoken krijgen. Dat is echt desintegrerend. Mensen die een beetje nadenken, beginnen te twijfelen aan de legitimiteit van de bestaande orde, de staat, het recht van de maatschappij waarin ze leven. Het is trouwens kenmerkend dat sommige van die romans qua gedetailleerde informatie buitengewoon ver gaan. Ik zou in mijn marxistische colleges niet durven inbrengen wat je in sommige van die romans kunt lezen: de een of andere trust die de regering van de Verenigde Staten controleert, die de president afzet, die een wereldsamenzwering op touw zet om een Vierde Rijk op te richten. Andere boeken schrijven ongeveer hetzelfde over de Russen, want het is niet eenzijdig. Dat men er zich niet aan stoort is precies kenmerkend veer dat algemeen scepticisme, dat bij de geletterden nu eenmaal overheersend is. Er zijn geen goeie politici meer, neen, ze zijn allemaal slecht.”
Mandel had trouwens ook belangstelling voor literatuur in het algemeen. Bekend is zijn vergelijking tussen Honoré de Balzac en Emile Zola: “Als je de geschiedenis van de literatuur bekijkt, dan merk je dat auteurs die eerder behoudsgezind zijn — het klassieke voorbeeld is Balzac — door hun kunde en hun vermogen om een maatschappij te begrijpen, een kritischer bewustzijn verbreiden dan auteurs als een Zola, die een links iemand was en gedurig zijn boodschap proclameerde.” (Vrij Nederland, 30/3/1985)

Referenties
Paul Depondt en Piet De Moor, De geschiedenis van de crime story, Vrij Nederland, 30 maart 1985
“Uitgelezen moorden” van Ernest Mandel (Uitgeverij Lesoil, 1987)
Het marxisme leeft (2) : Ernest Mandel (De Rode Vaan nr.9 van 1988)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.