In mijn agenda staat dat ik vandaag, dertig jaar geleden, “Een zachte vernieling” liet signeren door Hugo Claus. Nu moet ik eerlijk toegeven dat ik me daar niets van herinner. Ik herinner me wel een signeersessie van Hugo Claus, maar dat betrof dan “Belladonna”. Ook inhoudelijk vind ik op mijn blog niks terug over “Een zachte vernieling”. Ik richt me dus maar op letterenfonds.nl

Zoals in vele romans van Hugo Claus zitten in Een zachte vernieling (1988) autobiografische gegevens verwerkt, in dit geval uit zijn woelige Parijse tijd. In 1950 trok hij als jonge twintiger naar Parijs, dat na de Tweede Wereldoorlog voor vele kunstenaars een artistiek Mekka was geworden. Hij kwam er spoedig in contact met de schilders van de Cobragroep, onder wie Karel Appel, en een aantal Nederlandse dichters als Remco Campert, Rudy Kousbroek, Hans Andreus en Lucebert, met de overenthousiaste Simon Vinkenoog als centrale figuur. Zij leefden er doorgaans geïmproviseerd en in grote armoede, maar dompelden zich graag onder in de sfeer van nieuwverworven totale vrijheid en onstuitbare creativiteit

André Maertens is directeur van een cultureel centrum ergens in Vlaanderen als de dood van de dichter Bernard Waehlens bekend raakt. Maertens heeft hem midden jaren vijftig in de kunstkring ASUR in Parijs gekend. In een lange flash back reconstrueert hij nu zijn belevenissen uit die periode. Hoe hij als huisschilder in Gent in de ban raakte van Sabine, dochter van rijke ouders, en hij haar achternaging naar Parijs. Hoe ze hem daar in de kunstenaarskring introduceerde en hij er een natuurlijk talent ontplooide. Maar hoe hooggestemd ze hun vrijgevochten leven daar ook leidden, het raakte ondergraven door een fatale abortus, een verkrachting, liefdesrivaliteit tussen Maertens en Waehlens en het oorlogsverleden van Waehlens. Nauwelijks beseften ze dat ze, gedreven maar ook verblind door hun hoge verwachtingen van het leven, zichzelf in de vernieling werkten. ‘Ik ben ondertussen, in Parijs al, iets vergeten, verloren dat de plaats had moeten innemen van wat ik geworden ben,’ zegt een gelaten Maertens veel later.

Claus kijkt met relativering, enige ironie en zelfs spot terug op de hoogdravende ijver van de bende kunstenaars. Maar langzaam brengt hij ook een brede dramatische onderstroom op gang, die naar aanleiding van de dood van Waehlens uitmondt in een aangrijpende, emotionele en melancholische reflectie over niet ingeloste verwachtingen, vervlogen illusies en voorbije liefdes, en de futiliteit van het burgerlijke leven. In sobere, maar zeer suggestieve, geladen melancholie was Hugo Claus bijzonder sterk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.