Vandaag viert de Nederlandse auteur Maarten ’t Hart zijn 75ste verjaardag (foto YouTube).

In februari 2010 heb ik “De kroongetuige” van Maarten ’t Hart gelezen. Jaren eerder had ik van hem “De droomkoningin” gelezen en dat is me toen ten zeerste bevallen. Helaas heb ik toen geen nota’s genomen en nu weet ik zelfs niet eens meer waarover dat boek ging. Dat zal me nu niet meer overkomen!
“De kroongetuige” is toevallig de roman die volgt op “De droomkoningin” (1983 tegenover 1980, er zijn in de tussentijd wel enkele verhalenbundels verschenen), zonder dat er uiteraard sprake is van enig “vervolg” in de verhalende betekenis van het woord. Het zijn twee los van elkaar staande verhalen, maar gezien de ontstaansperiode zal er toch wel een zekere overeenkomst van sfeer zijn, denk ik.
Ik ben overigens om totaal verkeerde redenen in “De kroongetuige” begonnen. Het exemplaar dat ik in mijn bezit heb (een uitgave van 1991), heeft namelijk een zeer merkwaardige kaft. Naast de naam van de auteur en de titel van het werk staat er ook een wervend tekstje, zoals we die normaal op de achterflap terugvinden (“Dit knappe boek dat ik iedereen kan aanbevelen,” Hans Warren), en dan staat er in verkleinde vorm nogmaals een voorpagina van het boek op (een reproductie van de eerste editie neem ik aan) en op dié voorpagina staat een foto van – voor zover ik kan nagaan – een jonge Mozart. En dààrom heb ik mij het boek aangeschaft. Maar ik zit nu halverwege en Mozart (of eender welke componist uit die tijd) is in de verste verten niet te bekennen (*). Toch lees ik ijverig verder omdat het boek de technieken van een thriller gebruikt. Ik ben er vrijwel zeker van dat Maarten ’t Hart hoegenaamd niet de bedoeling had van een thriller te schrijven, maar zo is het nu eenmaal. Benieuwd hoe dit gaat aflopen (**), ook literair gezien!
In afwachting zoals gewoonlijk een ingekorte overname van wat Wikipedia weet te vertellen over deze Nederlandse auteur:
Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944) werd geboren als oudste zoon van een gereformeerde grafdelver. ’t Hart is gehuwd met Hanneke van den Muyzenberg en woont in Warmond. In zijn studententijd heeft ’t Hart gebroken met het christelijke geloof. Hij is in latere boeken soms sterk polemisch tegen het geloof uitgevallen en zette zich af tegen met name monotheïsme.
Hij studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij in 1978 promoveerde op het proefschrift “A study of a short term behaviour cycle: Creeping through in the three-spined stickleback” (een “stickleback” is wat wij vooral in onze jeugd goed kenden als… stekelbaarsjes!). Hij werkte daarna als etholoog. Bij zijn overige wetenschappelijke publicaties is er o.m. “Ratten” (1973), wat wel van belang is i.v.m. de lectuur van “De kroongetuige”…
Als schrijver debuteerde hij in 1971 onder het pseudoniem Martin Hart met “Stenen voor een ransuil”. Zijn doorbraak kwam in 1978 met de roman “Een vlucht regenwulpen”, die in 1981 werd verfilmd door Ate de Jong, met in de hoofdrol Jeroen Krabbé.
Veel werken verhalen over zijn jeugd in christelijk Maassluis – in het bijzonder de gereformeerde zuil -, zijn ervaringen als bioloog en zijn voorliefde voor klassieke muziek. ’t Hart bedient zich ook vaak van polemiek, onder meer tegen de feministische beweging (bijvoorbeeld op de pagina’s 94 en 119 in “De kroongetuige”) en literatuurrecensenten (zoals in “De som van misverstanden”).
Boeken van ’t Hart zijn in diverse talen vertaald. Voor “Het vrome volk” kreeg hij in 1975 de Multatuliprijs. “Het woeden der gehele wereld” werd in 1994 bekroond met de Gouden Strop (dus toch een thrillerauteur?) en in 2006 verfilmd door Guido Pieters.
In 1991 baarde ’t Hart veel opzien door op het Boekenbal uit de kast te komen als travestiet. In de jaren negentig trad hij af en toe publiekelijk op als “Maartje” in vrouwenkleding, maar omstreeks 2000 is hij daarmee gestopt. Over zijn voorkeur voor vrouwenkleding schreef Mensje van Keulen het boek “Geheime dame” (1992).

Zelf zegt hij daarover in een verhaal over Willem Frederik Hermans in Vrij Nederland: “Nog steeds vraag ik mij af waarom hij mij bijna bezwoer om niet bij de universiteit weg te gaan. Wilde hij mij behoeden voor iets wat hij achteraf als een fatale misstap was gaan zien? Had hij mogelijk spijt van zijn beslissing? Had hij bij nader inzien Groningen toch liever niet verruild voor dat verre Parijs waar je, zeker als letterkundige, tamelijk geïsoleerd zat?

Maar hoe die overmatige bezorgdheid te duiden? Vaderlijke genegenheid? Hoe viel te begrijpen dat een schrijver die het liefst iedere auteur in zwavelzuur dompelde, zo begaan was met een jongere collega?

Meestal zijn mensen die een fatale misstap doen, geneigd je juist aan te raden diezelfde domme fout te maken, vooral als het resultaat van de misstap irreversibel is. Diverse transseksuelen die hun pik hebben laten verwijderen en daarvan later spijt kregen – Betty Pearl en Dirkje Kuik bijvoorbeeld – drongen er bij mij sterk op aan om ook een geslachtsveranderende operatie te laten uitvoeren. Ze werden steevast boos op mij als ik zei dat ik daar geen moment over dacht.

Echtparen die net een kind hebben gekregen en niet meer uit hun ogen kunnen kijken van slaapgebrek, raden je altijd aan om ook een kind te verwekken. Wie in de afgrond springt, ziet graag dat een medemens volgt.”

Ronny De Schepper

(*) Op p.84-85 staat uitgelegd wat het schilderij écht voorstelt: “Het is alleen maar een jongetje dat naar een tol kijkt, niks meer dan een ventje van een jaar of zes dat ouder lijkt omdat hij ouderwetse kleren draagt en voorzien is van een staartpruikje met een strikje erin. (…) Het enige wat echt vreemd is, is dat zijn handen zo groot zijn. Misschien heeft Chardin de handen van iemand anders geschilderd. Dat zijn toch geen kinderhanden? Maar terwijl ik dat alles dacht, dreunde door mijn hoofd: Kijk, dat is nu je zoontje, maar hij is toen al geboren en daarom kan je hem nu niet meer krijgen.”
Het is dan ook niet toevallig dat precies dat schilderij op de kaft staat, zeker in het licht van het citaat van Friedrich Nietzsche op p.144: “Zijn niet de meeste huwelijken van dien aard dat men geen derde als kroongetuige wenst? En juist deze derde ontbreekt vrijwel nooit – het kind – en dat is meer dan een kroongetuige, namelijk de zondebok.”
Toch kan de titel ook meer in traditionele thrillerzin worden begrepen: “In deze zaak was er maar één kroongetuige en dat was degeen die wist waar het lichaam van Jenny was verborgen.” (p.171)
(**) Ondanks mijn goede voornemens ben ik er blijkbaar niet meer op teruggekomen. En ik heb ook nog geen ander boek van ’t Hart gelezen, alhoewel ik me ook dàt had voorgenomen. Onlangs heb ik de verfilming van zijn “Vlucht regenwulpen” nog eens gezien en dat was geen meevaller. Ik heb het boek van Maarten ‘t Hart zelf nog altijd niet gelezen, dus ik weet niet of De Jong met zijn “tragikomische” aanpak het werk geweld aan doet, maar als film wérkt het alleszins niet. Ik had dan nog liever gezien dat De Jong, ondanks het in se tragische thema, resoluut voor slapstick had gekozen (nu balanceert de film tussen de twee als een koorddanser die eerder méér dan niét van de koord valt), maar dan had hij wel voor een andere hoofdacteur moeten gaan, want Jeroen Krabbé heeft totaal geen “vis comica“.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.