Vandaag is het precies 325 jaar geleden dat Nicolas Boileau (links) en Charles Perrault (rechts) elkaar in het openbaar (met name in de Académie Française) omarmden om zo een einde te maken aan de fameuze “Querelle des Anciens et des Modernes” (“strijd tussen de klassieken en de modernen”).

Al sinds het begin van de 16e eeuw was er in Frankrijk sprake van steeds meer weerstand tegen het blindelings imiteren van werken uit de klassieke Oudheid van de kant van dichters en romanschrijvers die een zo groot mogelijke vrijheid van de menselijke geest voorstonden. Vanaf het midden van de eeuw werden er door libertijnse literatoren zoals Marc-Antoine Girard de Saint-AmantJean Chapelain en Jean Desmarets de Saint-Sorlin in adaptaties van verhalen uit de heidense mythologieën nieuwe christelijke figuren verwerkt. De fundamenten voor deze stroming waren reeds eerder gelegd door René Descartes, later werden de bijbehorende ideeën verder uitgewerkt door onder andere Blaise Pascal.

Aan het begin van de 17e eeuw begon deze esprit moderne zich binnen de Franse literatuur echt serieus te manifesteren. Er was vanaf dat moment duidelijk sprake van twee tegengestelde stromingen. Enerzijds waren er de Ouden of Klassieken – vertegenwoordigd door met name Nicolas Boileau – die van mening waren dat het schrijven van nieuwe literaire werken het beste kon gebeuren door imitatie van werken uit de klassieke Oudheid. Anderzijds waren er de Modernen, een stroming onder leiding van Charles Perrault, die van mening waren dat literatuur tegelijkertijd zo vernieuwend en eigentijds mogelijk diende te zijn en dat de schrijvers uit de klassieke Oudheid daarom best overtroffen konden en mochten worden. Bernard Le Bouyer de Fontenelle protesteerde fel tegen de blindelingse imitatio in zijn Dialogues des Morts (1683). Van de dichters uit deze periode is vooral Desmarets de Saint-Sorlin noemenswaardig als vertegenwoordiger van de nieuwe stroming; hij keerde zich in zijn werk af van oude heidense thema’s en zocht in plaats daarvan zijn inspiratie in het christendom en de Bijbel. Het werk van Saint-Sorlin werd fel bekritiseerd, met name door Pierre Corneille en Charles de Saint-Évremond, die zich in zijn Sur les Poèmes des Anciens (1685) echter tevens aan de kant van de Modernen schaart.

Op 27 januari 1687 presenteerde Perrault – tijdens een bijeenkomst van de Académie française waar de genezing van koning Lodewijk XIV werd gevierd – een gedicht met de titel Le siècle de Louis le Grand, waarin hij het huidige tijdperk van Lodewijk XIV idealiseerde en zich tegelijkertijd denigrerend uitliet over de traditionele modellen van de klassieke Oudheid: “De eeuw van Lodewijk kan men vergelijken met, en zelfs verkiezen boven die van Augustus“. Perrault had felle kritiek op het werk van PindarusHomerus en de vertalingen van de werken van Plato die hij als “vervelend” afdeed. Hij was in het algemeen van mening dat men kritischer moest worden ten aanzien van de grote auteurs uit de Klassieke Oudheid en hen niet klakkeloos moest geloven en navolgen. De basis voor de moderne wetenschappen van die tijd (biologienatuurkundeastronomie) moest immers worden gezocht in de natuur, niet in de werken van klassieke auteurs zoals AristotelesHippocrates en Ptolemaeus.

Vanaf dat moment was het hek van de dam. Boileau ging tegen Perrault in de tegenaanval met twee felle epigrammen en het argument dat de Modernen eerder op macht dan op het vervaardigen van echte kunst uit waren. Ook Jean de La Fontaine (in zijn Épître à Huet) en Jean de La Bruyère (in zijn Discours sur Théophraste) namen het op voor de Ouden. Tussen 1688 en 1692 behaalden de Modernen de meeste overwinningen, doordat Fontenelle zich met zijn Digression sur les Anciens et les Modernes (1688) aan de zijde van Perrault schaarde: “De natuur blijft hetzelfde, maar de mensheid gaat voortdurend vooruit en zij heeft nu haar rijpe leeftijd bereikt: de Modernen zijn superieur aan de Ouden dankzij hun redenaties en wetenschap, en op het gebied van kunst kunnen zij de Ouden op zijn minst evenaren.” In hetzelfde jaar kwam Perrault met een verhandeling waarin hij probeerde te bewijzen dat de Modernen in technologisch opzicht volledig superieur waren aan de Ouden. Zowel Fontenelle als Perrault kregen de meeste publieke aanhang. In 1691 werd Fontenelle toegelaten tot de Académie.

In de drie daaropvolgende jaren ging Boileau echter in de tegenaanval met twee nieuwe publicaties, Ode pindarique sur la prise de Namur (1793) en ‘Satire X (1794), waarin hij de aanvallen van Perrault tegen Pindarus weerlegde en zich speciaal van de vrouwen die de kant van de Modernen hadden gekozen afkeerde. Toen de ruzie in 1694 een hoogtepunt bereikte kwam Antoine Arnauld tussenbeide, waarop Boileau en Perrault zich verzoenden. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.