Tijdens de vroege ochtend van 15 juni 2006 stierf in het ziekenhuis van “zijn” Vilvoorde, Guillaume Driessens, wellicht de meest spraakmakende sportbestuurder uit de wielergeschiedenis. ‘Lomme’ zoals hij beter gekend is, was bij leven en welzijn reeds een levende legende in het wielermilieu, die achtereenvolgens Fausto Coppi, Rik Van Looy, Eddy Merckx en Freddy Maertens onder zijn hoede had.
Op uitzondering van de in 1960 overleden Campionissimo waren alle coryfeeën aanwezig in de studio van de toenmalige BRT naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag, naast andere grote namen als Willy Planckaert, Guido Reybroeck, Roger De Vlaeminck en Peter Post tot en met zijn laatste ‘poulains’, Fons De Wolf en Johan Capiot.

Kortom, zowat alle grote Vlaamse renners met als opmerkelijke uitzondering Rik Van Steenbergen. “Die staat in de file,” zegt Mark Uytterhoeven. “‘k Weet ‘t,” antwoordt Driessens met een verbeten trekje, terwijl hij een allusie maakt op het wereldkampioenschap in Kopenhagen, waar Rik samen met Fred De Bruyne (ook niet aanwezig, maar die leefde toen bewust afgezonderd in de Provence) in de slag ging tegen Van Looy. En even zwijgt hij, terwijl Uytterhoeven voor de rest nochtans meestal moest trachten om de praatvaar een beetje in te tomen.
Lomme houdt nochtans niet van dergelijke uitzendingen. Zo heeft hij altijd geweigerd in de reeks van Hugo Camps te figureren en ook VTM zou al eens achter het net hebben gevist. De uitzending is dan ook enkel tot stand kunnen komen dankzij de bemiddeling door Pierre Bilic, de journalist van “Sportmagazine”, die kort daarvóór het boek “Lomme, leven en werk” had uitgebracht.
Op dat moment ziet Lomme er nog verduiveld goed uit. En nochtans wordt hij niet van tegenslagen gespaard. Zijn vrouw is dan al zwaar ziek en hij die zo weinig thuis is geweest en ook gepeperde uitspraken over rennersvrouwen nooit heeft geschuwd, wijkt nu geen moment van haar zijde tot ze zou overlijden eind februari 1994. De dokterskosten lopen ook zozeer op dat een deel van de opbrengst van het boek naar Lomme gaat, want ondanks het feit dat hij diverse kampioenen naar een wereldtitel, een overwinning in de Ronde van Frankrijk of in één van de grote klassiekers heeft geleid, leeft Lomme gewoon van een klein pensioentje. Welke linke figuur hij ook mag geweest zijn, over één ding is iedereen in het milieu het ééns: Lomme was doodeerlijk, hij gaf elke laatste cent af aan zijn renners. Een leuke anekdote (één van de zovele) in dit verband is dat hij in de Ronde van Frankrijk 1965 een deal afsloot met de ploeg van Jacques Anquetil (die evenwel zelf niet meereed dat jaar). Hij verdedigde toen immers de groene trui van Guido Reybroeck en samen zouden ze de koers trachten gesloten te houden, opdat Reybroeck dan in massasprinten aan bod zou kunnen komen. Toen de renners na afloop hun aandeel in deze overeenkomst ontvingen, bleek hun zakje meer geld te bevatten dan afgesproken. Lomme had met de goedgelovige Raymond Poulidor immers net dezelfde deal afgesproken! Zonder medeweten van zijn renners had hij tegen Poupou immers gezegd dat zijn ploeg voor hém de koers gesloten zou houden. Dat was zo’n 200.000fr (in die tijd toch een behoorlijke som) die hij dus zo in zijn zakken had kunnen laten verdwijnen, maar nee hoor, zo is Lomme niet. Het enige wat voor hem telde dat waren “zijn coureurs”, zoals hij ze nu nog altijd noemt en dan niet enkel zijn beroemde kopmannen: “Vraag het maar aan (Jaak) De Boever! Die heeft van mij genoeg gekregen!”. Geen wonder eigenlijk dat hij een krop in de keel kreeg, toen hij ze allemaal in de studio zag zitten. “Voor hén deed ik het allemaal,” krijgt hij er ternauwernood nog uit. Maar hij voegt er wel onmiddellijk aan toe: “Zo’n coureurs zijn er nu niet meer.” Want verbitterd is hij wel, Lomme, en het wielrennen anno 1993 interesseert hem dan ook nog nauwelijks. Of misschien ligt de reden toch ergens anders, zegt hij ook niet op de archiefbeelden: “Ik ben het niet die achter de coureurs heb aangelopen, zij zijn het die naar mij zijn gekomen…”
Het is dan ook een huldeprogramma geworden, waarin alle kritiek op de figuur van Driessens opzettelijk uit de weg wordt gegaan. Zoals veel figuren met een grote mond heeft Lomme immers een klein hartje of “veel ziel” zoals Robbe De Hert het zou formuleren, zodat men steeds moet uitkijken om niet op z’n “ziel” te trappen.
Alleen dat hij zijn verhalen wel eens wil “aandikken” (Van Looy zegt dat er tachtig procent van waarheid in de verhalen van Lomme zit en dan is hij eigenlijk érg vriendelijk) wordt op een bepaald moment aangepakt. Lomme beweert b.v. dat Van Looy in het wereldkampioenschap van 1956 door Rik Van Steenbergen “met een banddikte” werd geklopt. Op de foto die men toont, blijken er zowat vier fietslengtes tussen de twee Rikken te zijn! Waarop Van Looy gevat repliceert: “Maar in die tijd waren de banden veel dikker!”
Over de “showman” Lomme weet Mark Vanlombeek de anekdote te vertellen van het interview dat hij met hem had na het wereldkampioenschap 1981 waarin Freddy Maertens onverwacht opnieuw uithaalde, nadat Lomme “dat dik varken” had “teruggebracht”, zoals hij het zelf zegt. Nu, dat interview werd voortdurend gestoord door allerlei telefoontjes, in het Italiaans, het Frans, het Engels, noem maar op. Tot Van Lombeek dit vertelde aan Martin Van Den Bossche, ook al een renner die nog bij Driessens heeft gereden. Die verklapte hem dat Lomme geregeld dergelijke truken toepaste. Op belangrijke momenten vroeg hij aan zijn buurman om hem voortdurend op te bellen…
Ondertussen tracht Mark Uytterhoeven zo goed en zo kwaad als dat gaat de chronologie te behouden. Over zijn eigen wielerloopbaan wordt helaas niet gesproken, maar in de lokale pers uit het Vilvoordse konden we naar aanleiding van zijn overlijden vernemen dat Lomme Driessens via Jean Aerts in de wielersport is terecht gekomen. De familie Aerts was toen leidinggevend bij de Velo Club Laekenois (VCL). Jean begon echter zijn loopbaan als renner bij een andere Lakense club, Laken Sportif (de latere club van sterkhouder Jacques Geus), maar stapte na zijn WK-titel als amateur over naar VCL, waar men toen grote plannen had met de amateurcategorie. VCL werd daarna inderdaad enkele malen Belgisch kampioen interclub per ploeg bij de amateurs. Het moet omstreeks dat “scharniermoment” zijn dat Driessens in 1930 als junior bij VCL is aanbeland. In 1931 zou hij al onafhankelijke geweest zijn en in juni 1932 reed hij als prof rond voor het fietsenmerk Bury. De fiets waarmee hij als prof reed kwam van bij fietshandel Doms in Vilvoorde, die reeds rond 1912 een van de eerste Bury-verdelers in de regio was.
Zijn snelle overgang van beginneling naar onafhankelijke en zelfs prof hoeft ons niet te verwonderen, al zat z’n kracht niet zozeer in zijn benen, maar wel in zijn hoofd. Driessens was toen immers in de voorbereiding reeds wetenschappelijk bezig, terwijl de meesten met veel meer talent en kracht foutieve opvattingen inzake training en rust hanteerden. Driessens koos ook z’n wedstrijden uit en koos zijn materiaal zorgvuldig in functie daarvan, terwijl de anderen met om het even welke banden en versnelling aan de start stonden zonder precies te weten, waarmee ze bezig waren.
Driessens reed op souplesse en zag uit z’n doppen waardoor hij zelden lek reed. Als je bedenkt dat elke bandenpech je toen 3 tot 5 minuten tijdverlies opleverde, kon je dus met minder klasse maar des te meer inzicht toch nog in de running blijven.
Lomme is daarna als verzorger begonnen. Hij had immers een diploma van kinesitherapeut, wat toen heel uitzonderlijk was. De wielersport evolueerde op het vlak van training, verzorging, voeding, tactiek nauwelijks en dat tot het begin van de jaren 50. Men mag toch wel zeggen dat Lomme Driessens een van de eersten is geweest die de hegemonie van de Franse sportdirecteurs heeft ondermijnd. Alleen de Italiaanse fabrieken hadden oorspronkelijk wat weerwerk geboden, maar alhoewel erg actief voor en na WO I (vele “flandriens” reden voor Italiaanse merken), plooiden ze nadien helemaal terug op hun eigen land. Toch waren het na WO II opnieuw de Italianen die voor een stroomversnelling zorgden en dat door een professionele aanpak, ook op het gebied van reclame en public relations, waardoor ze extra-sportieve merknamen konden aantrekken.
Lomme was hier als de kippen bij en wel door zijn relatie met Fausto Coppi, met wie Lomme sedert 1947 optrekt. Toen hij in het Zuidstation in Brussel uit de trein stapte, moest hij de bekende Italiaanse sportkrant “La Gazetta dello Sport” onder zijn arm houden, opdat Lomme hem zou herkennen. We zijn hier immers nog in de tijd lang vóór de “mediatisering”. Coppi was hem aangeraden door Leoni (door Lomme uitgesproken als de vrouwennaam Leonie met de klemtoon op de laatste lettergreep), de wereldkampioen bij de amateurs in 1938. Bovendien lag de oorlog pas achter de rug en had Coppi “geen rotte frank”. Het was dus niet “uit gierigheid” zoals Mark Uytterhoeven oneerbiedig opmerkte, dat hij bij de ouders van Lomme introk, hij kon gewoonweg geen hotel betalen. Fausto betaalde later trouwens terug “in natura”. Niet aan Lomme zelf, maar aan de Belgische renners in zijn ploeg. Die hadden namelijk geen of minderwaardig materiaal en daaraan schonk hij dan die wondertjes van Italiaanse spitstechnologie – uit die tijd wel te verstaan.
In 1953 verkoopt Lomme, met medewerking van Germain De Rijcke, het wereldkampioenschap aan Coppi, ondanks het feit dat hij toen officieel al niet meer voor hem werkte. De avond voor dat wereldkampioenschap ontmoet Lomme Driessens voor het eerst Giulia Occhini, “een wreed monument” om het in zijn woorden te zeggen. “Z’n eigen vrouw mocht nog niet binnen en die zat op zijn bed!” roept Lomme verontwaardigd uit, daarmee een goede evocatie oproepend van het ophef dat deze buitenechtelijke relatie maakte in het preutse naoorlogse Italië. Paus Pius XII excommuniceerde hen beiden en weigerde het jaar daarop demonstratief de tradi­tionele zegen aan het peloton te geven. Ook bij Lomme zijn moeder mocht Coppi van dan af niet meer binnenkomen.
Dat Occhini ook aan de basis ligt van de sportieve afgang van Coppi, zoals de tifosi haar verweten, is uiteraard onzin. Akkoord dat Coppi in 1955 enkel nog de Ronde van Lombardije kon winnen, maar hij was toen reeds 35 jaar en dus sowieso over zijn hoogtepunt heen. De rancune van Driessens is toch nog altijd even intens gebleven. Hij aarzelt zelfs niet om te zeggen (evenwel niet met zoveel woorden) dat het hààr schuld is dat Coppi is gestor­ven. Eerst en vooral omdat het voornamelijk om van hààr vanaf te zijn zou geweest zijn dat Coppi in december ’59 naar Opper-Volta trok om er een paar wedstrijden te gaan rijden, maar vooral om er te gaan jagen. Net als Anquetil en Geminiani had Fausto geweigerd zich te laten inenten vooraleer naar Afrika te vertrekken, omdat dit hun “vorm” in het gedrang zou brengen, en de twee anderen werden dus net zo ziek als hem. Alleen, “zij zijn bij hun terugkeer in Nice verzorgd, terwijl Fausto van de Witte Dame in Italië moest blijven.” Ook beweert Lomme dat hij Coppi ontmoet heeft, een dag voor hij naar Afrika vertrok en dat Fausto toen zou hebben gezegd dat hij opnieuw naar zijn eerste vrouw zou gaan.
Het was overigens opvallend dat het publiek voor de televisieuitzending voor 99 procent uit mannen bestond (Christiane Reybroeck was de spreekwoordelijke uitzondering op de regel en dan nog enkel om een anekdote te vertellen hoe ze Lommes kuisheidsgebod heeft omzeild). Men bracht Lommes uitspraak “Het is IK of de vrouwen” dus duidelijk in praktijk. In de uitzending is er één rennersvrouw voor wie er een huldeblijk afkan en dat is dan voor niemand minder dan Nini Van Looy, nochtans voor velen “de Vlaamse Marilyn Monroe”.
Maar goed, Driessens had dus dat WK verkocht (“Maar Germain heeft daarmee misschien wel tien keer zoveel geld verdiend als anders!”) zodat het misschien geen wonder is dat “de mannen van de Ligue (de wielerbond) nooit van mij (Driessens) hebben moeten hebben.”
En dat zou er niet op verbeteren: Driessens zag in dat het professionele wielrennen op basis van losse contracten en met enkel fietsconstructeurs als sponsors, niet kon overleven. In België waren er op dat moment geen gestructureerde ploegen. Onze renners aten uit de hand van de Franse constructeurs. Die hebben dan ook hemel en aarde verzet om alles bij het oude te laten. De UCI werd onder druk gezet om geen andere merken dan fietsen en fietsonderdelen te tolereren op truien.
Lomme was de eerste die de BWB tergde door in 1954 salamifabricant Imperial in de wielersport te loodsen. De bond, die wat tussen de Franse conservatieven en de Italiaanse progressieven door schipperde, moest nu kleur bekennen. Imperial ging toen nog niet door, maar Lomme forceerde de opening en er kon gepraat worden. Finaal liet de BWB een extra-sportieve firma toe indien er een koppeling was met een fietsmerk. Cyriel Van Hauwaert, een schrandere commercant en invloedrijk in Brussel, sprong mee op de kar: de ploeg Van Hauwaert-Maes Pils werd toegelaten.
Lomme Driessens haalde “zijn” renners ook gaandeweg uit de handen en willekeur van de makelaars. Natuurlijk ging hij op zijn manier daarbij eveneens als een heerser te keer, maar “de sportdirecteurs van nu die zien hun coureurs aan ’t vertrek. Ik was er altijd bij. Dag en nacht.”
Voor Coppi was hij nog altijd eerder een verzorger geweest, als sportdirecteur debuteert hij dus eigenlijk bij Garin, met o.a. veel Luxemburgers (Bim Diederich, Jean Kirchen, Matthias Clemens, Marcel Ernzer, Willy Kemp en Jean Goldschmidt). “In die tijd had ik vier Luxemburgers in de eerste tien van de Ronde van Frankrijk,” pocht Lomme en hij voegt er meteen aan toe: “En ge moet nu eens kijken waar de eerste Belg zit!” Maar de eigenlijke kopman van Garin was Wim Van Est, die hij daarvoor ook reeds bij Bianchi had binnengeloodst, of beter gezegd bij Touring, een soort “satellietploeg” van Bianchi, waarbij ook Rik Van Looy debuteerde. “Je moest er wel je kloten voor afdraaien, maar daar was toch altijd poen,” zegt de Hollander.
Als Garin failliet ging, startte Driessens de beroemde rode garde op rond Rik Van Looy. Wim Van Est mocht wel mee overkomen, maar moest zijn kansen opofferen voor de nieuwe Mooie Jonge God. Met Van Looy heeft Driessens tien jaar samengewerkt en dat is de langste periode geweest van alle toprenners die hij onder zijn hoede heeft gehad. Ook Van Looy zou in een interview met Pierre Mertens (*) gezegd hebben dat hij pas echt renner is geworden, toen Driessens besloot een ploeg rond hem te bouwen.
Eigenlijk was het een beetje pijnlijk dat men dan juist archiefbeelden toonde van de Solo-ploeg, toen Van Looy en Driessens al uit elkaar waren. Lomme relativeert dat echter door te zeggen dat er eigenlijk geen breuk was tussen hen beiden. Maar toen Van Looy van manager verwisselde (Jean Van Buggenhout i.p.v. Fons Versnick) en zo in het kamp van Van Steenbergen terechtkwam, bleef Driessens bij Versnick.
Na de breuk met Van Looy gaat Driessens tégen Van Looy rijden. O.a. met Peter Post, die ook met hem had gebroken nadat ze een paar jaar een onafscheidelijk zesdagenkoppel hadden gevormd. Dat is iets wat wel vaker gebeurde bij Lomme, dat hij vaak van kamp verwisselde… “Als ik werkte voor ne coureur dan werkte ik voor die coureur en voor niemand anders. En geld speelde daar gene rol in. Een coureur die won dàt was voor mij mijn fortuin.” Toch spreekt hij over koersen winnen nog altijd in de ik-persoon: “Ik heb veel koersen verkocht die ik niet kon winnen.”
Wat anderzijds niet belette dat Lomme ook renners binnen zijn eigen ploeg flikte, zoals de ook reeds overleden Willy Bocklandt in de Parijs-Roubaix van 1964 die Post won. Al “mocht” hij een week later Luik-Bastenaken-Luik winnen, toch heeft Bocklandt hem dit nooit vergeven. Maar méér dan van Post of Bocklandt, had Van Looy in die tijd last van Guido Reybroeck die van Driessens steeds op zijn wiel moest rijden om hem dan in de sprint te kloppen (Parijs-Tours 1964 en twee ritten in de Ronde van Frankrijk 1965, waaronder zowaar een bergrit, waarbij Van Looy ontsnapt was in de afdaling, want volgens Lomme is hij de rapste daler die er ooit is geweest). Reybroeck vertelt daar wel bewonderenswaardig eerlijk over. Zo vernemen we b.v. dat Van Looy hem in die bergrit te drinken gaf, ook al wilde Reybroeck dus niet op kop komen!
Daarna trekt Lomme Willy Planckaert aan om Van Looy dwars te zitten, maar tegelijk wordt ook de jonge Merckx al een loer gedraaid, nl. in een rit in de Ronde van Sardinië, waar geen fotofinish was en Driessens de organisatoren kon overtuigen dat niet Eddy maar Willy had gewonnen, al toonden de krantenfoto’s ’s anderendaags duidelijk het verschil.
Met Merckx werkte Driessens slechts drie jaar, maar daar was dan wel die fameuze Tourzege uit ’69 bij. Merkwaardig genoeg is Merckx met Driessens in contact gekomen juist wégens diezelfde Van Buggenhout die Lomme en Van Looy uit elkaar had gedreven. Als de samenwerking met Merckx was afgelopen, was het wéér prijs. Lomme kwam terecht bij een kleinere ploeg (Rokado), waarmee hij eigenlijk bijna niet kon winnen (Herman Van Springel was geen winnaar als kopman), maar hij zorgde er wél voor dat Willy De Geest belette dat Merckx de Ronde van Vlaanderen won, “om te laten zien dat een sportbestuurder wél iets te zeggen heeft. Nu heeft een sportbestuurder niets meer te zeggen. Die mag poen pakken en da’s alles.”
Als Peter Post dit weerlegt door Giancarlo Ferretti (Ariostea) en Walter Planckaert van zijn eigen ploeg als voorbeeld te citeren, draait Lomme onmiddellijk weer bij. Die waren het natuurlijk niet welke hij bedoelde…
Willy De Geest typeert Lomme in zijn repliek misschien nog het beste: “Hij is feitelijk altijd een supporter van de beste geweest.”
Tenzij Lomme toch weer gelijk heeft: “Ik ben gene sportbestuurder, ik ben ne supporter van ’t veloske.”
Met Maertens werkte Driessens twee keer twee jaar. Telkens werd Maertens wereldkampioen. Aangezien Maertens een zeer beïnvloedbaar iemand is, is hij misschien wel degene die het meeste aan Lomme heeft te danken.
Freddy Maertens: “Een onvoorstelbare kerel. Ik heb enorm veel aan hem te danken. Dankzij zijn aanwijzigingen werd ik een veel betere tijdrijder. Die wijsheid had hij in Italië opgestoken. Zijn kennis, gecombineerd met zijn psychologische zetjes, maakte van mij de renner die ik werd. Als je Lomme bezig hoorde, waren het nooit zijn renners die wonnen maar hij. Dat is niet helemaal gelogen. Hij had altijd zijn aandeel. Weinig ploegleiders konden een groep aan elkaar doen klitten en motiveren als Lomme. Een grote psycholoog. Ik vergelijk hem graag met Ernst Happel, de grote voetbaltrainer.” (GVA, 24/2/2007)
Daarna kwam nog de Boule d’Or-periode – met naast Maertens ook nog De Vlaeminck, De Wolf en Sergeant – kort aan bod, maar omdat de uitzending naar z’n einde liep, werden een paar discussiepunten onder de mat geveegd. Theo Middelkamp trachtte het wereldkampioenschap van 1973 aan te kaarten, wanneer Freddy Maertens door Eddy Merckx “in de zak werd gezet”, maar men “vergeet” erop in te gaan, net als op de zware val in de Ronde van Italië ’77 die voor Maertens een zwarte periode inluidde en waarbij Rik Van Linden betrokken was. Akkoord dat Lomme daar misschien niet rechtstreeks bij betrokken was, maar het zijn wel allemaal renners die met hem hebben gewerkt en die voor één keer allen tesamen waren én geen blad voor de mond namen.
Om dan nog te zwijgen van de fameuze fietswissel op de Koppenberg die Freddy Maertens dat jaar de Ronde van Vlaanderen zou kosten (t.v.v. Roger De Vlaeminck). Pas meer dan dertig jaar later, in Het Nieuwsblad van 3/4/2008 om precies te zijn, vertelt Maertens’ jeugdvriend Robert Jonckheere wat er écht gebeurd is: “Op vraag van de ploegleiders werd beslist om boven op de top van de Koppenberg een materiaalpost te voorzien. Dat bleef zo tot ’s zaterdags, maar dat wisten we niet. Ik herinner me dat vrijdagnamiddag een enveloppe werd bezorgd in ons hotel in Sint-Niklaas. Geef maar hier, zei ploegleider Lomme Driessens. Met zijn gekende nonchalance stak hij de omslag in zijn binnenzak, zonder die open te maken. Pas later vernam ik dat het om een oproep ging voor een ploegleidersvergadering, waarop iedereen verwittigd werd dat op de Koppenberg niemand enig materiaal mocht aannemen. Iedereen wist het dus, behalve wij…”
Zich van geen kwaad bewust vatte Robert Jonckheere die zondag plaats op de Koppenberg, samen met verzorger Jef D’hont (de latere doodgraver van Jan Ullrich en c°): “Omdat we vreesden dat het op de top veel te druk zou zijn, stelden we ons halverwege de helling op. Ik om Freddy een propere fiets aan te reiken, Jef om zijn gebruikte exemplaar aan te nemen.”
Waarom die fietswissel? “De bedoeling is me eigenlijk altijd ontgaan, moet ik toegeven. Het was één van die vondsten van Lomme Driessens. Een propere fiets als mentaal opkikkertje, zeker? Je weet echter dat die fiets vijf kilometer verder weer even vuil is. Daarbij: kan je een dommer moment bedenken om te wisselen, dan halverwege de Koppenberg? Ja, tenzij het de bedoeling is om de renner naar boven te duwen, maar dat was eerlijk waar niét het geval.”
Al merkt de krant wel fijntjes op (gestaafd met fotomateriaal) dat o.a. Godefroot Maertens voorbijrijdt, maar dat door het duwen aan de top de volgorde andersom was.
Ondanks alles misschien dus toch ook wel een beetje een gemiste kans. En eigenlijk is dat niet zo verwonderlijk. Op de persvoorstelling van het boek “Lomme zegt alles” dreef Lomme Driessens zijn uitgever immers tot wanhoop door te verklaren: “Lomme zegt alles? Lomme zegt juist niets, Lomme zegt enkel wat hij kwijt wil!”

Referentie

Tony Landuyt & Ronny De Schepper, “Supporter van de beste”, De Morgen, 14 april 1993
(met dank aan Johan van Win voor Lommes carrière als wielrenner)

(*) Pierre Mertens, Koninklijke Rust, Antwerpen, Epo, 1996, p.219.

3 gedachtes over “Lomme Driessens (1912-2006)

  1. Giancarlo Ferretti en niet Antonio Ferretti.

    En in 1962 ging hij niet naar de sportbestuurdersmeeting in de Giro d’Italia. Alzo wist hij niet dat er ’s anderendaags een sneeuwstorm zou zijn. Zijn FAEMA-renners met rozetruidrager Armand Desmet waren dus absoluut niet voorbereid. Gevolg, op 2 na, Desmet en Zilverberg, gaven ze allemaal verkleumd op en verloor Armand Desmet zijn roze trui.

    Like

    1. Antonio is inderdaad een Zwitserse renner uit de Cilo-ploeg. Dat ga ik dus in de tekst zelf aanpassen. Bedankt.

      Wat je andere opmerking betreft, uiteraard wordt bij dergelijke gelegenheden het feestvarken altijd een beetje ontzien. Zo werd er ook met geen woord gerept over het spijtige voorval met Richard Depoorter

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.