Zestig jaar geleden: voor het eerst een volledig Brits team aan de start van de Tour de France

91 britse tourploegZestig jaar geleden stond er voor het eerst een volledig Brits team aan de start van de Tour de France. V.l.n.r. 31 BEDWELL Dave, 32 HOAR Tony, 33 JONES Stan, 34 KREBS Fred, 35 MAITLAND Bob, 36 MITCHELL Ken, 37 PUSEY Bernard, 38 ROBINSON Brian, 39 STEEL Ian en 40 WOOD Bevis.

Het was uiteraard niet de eerste keer dat er Britse renners aan de start van de Tour stonden. Als ik me niet vergis was er in de jaren dertig reeds een gemengde ploeg van Britten en Canadezen. En in de tijd dat er nog met merkenploegen werd gereden, waren er ook al Britten en Australiërs aan de start.
Chris Froome Bradley WigginsOver merkenploegen gesproken, “voor het eerst sedert de dood van Tom Simpson staat er met Team Sky nog eens een Engels team aan de start van de Tour de France,” zo schreef Het Nieuwsblad op 2 juli 2010. Niets was echter minder waar natuurlijk. Ergens in de jaren tachtig was er ook al de ANC-ploeg. Als ik me niet vergis, maakte de hoofdcoach van Team Sky, de Australiër Shane Sutton, daar toen trouwens zelfs deel van uit. Ondanks de aanwezigheid van mensen als Joey McLoughlin en Malcolm Elliot werd het geen succes en het ANC-optreden was dan ook slechts eenmalig. En dààr zat de tegenstelling met Team Sky natuurlijk, want – zoals ik toen schreef – “het zou me verbazen als deze eerste deelname ook de laatste zou zijn”. Maar er gebeurde nog veel méér: en dat was dan vooral te wijten aan Bradley Wiggins (rechts op de foto), de geboren Gentenaar die samen met de “groene” Mark Cavendish het wegwielrennen weer op de kaart heeft gezet door als eerste Brit de Tour te winnen in 2012. En een jaar later was er alweer een andere Brit, zij het deze keer in Kenia geboren, Chris Froome (links) die het laken naar zich toe haalde. Daardoor klom het wegwielrennen (het baanwielrennen was sinds Chris Hoy reeds langer aan een herwaardering toe) op de kortste tijd naar de hoogste toppen van de populariteit, daar waar ze jaren in het verdomhoekje had gezeten. De beelden van een (als wedstrijd nochtans erg ontgoochelende) Tour of Britain waren daar het beste bewijs van.
JOLLY GOOD FUN FOR THE UPPER CLASS
Wielrennen is als discipline eigenlijk in Engeland ontstaan op het einde van de negentiende eeuw, zoals zowat àlle sporten trouwens. “Sport was op het Britse eiland ontstaan als ontspanning, als het fundamenteel tegenovergestelde van arbeid. Geld aannemen voor een sportprestatie grensde aan prostitutie. Wanneer hem ponden of francs werden aangeboden, moest de ware gentleman-sportsman zijn meest afkeurenswaardige gezicht opzetten en hopen dat er een official van de National Cycling Union in de buurt was om notie te nemen van zijn voorbeeldige gedrag. Eveneens taboe waren: het aanvaarden van reisonkosten, het verkopen van trofeeën en – goed geprobeerd – het uitgeven van een trainingshandboek met tips voor jonge wielrenners. Wie betrapt werd op een overtreding, verloor voor altijd zijn amateurstatus en kreeg meteen het etiket ‘professional’ opgeplakt. Dat hield in dat hij nooit meer met amateurs mocht rijden. Aangezien professionele wielrenners in de vroege jaren 1890 zeldzaam waren in Groot-Brittannië, was zo iemand veroordeeld tot het buitenland. De eerste Britse wielrenners in Frankrijk waren als politieke vluchtelingen die in eigen land werden vervolgd door een dominant religieus regime, want daar leek het Engelse amateurisme nog het meest op.” (Jan Boesman, De fiets van Lautrec, p.42-43)
Toen er aan een fiets nog geen pedalen zaten (de tijd van de vélocipède van Ernest Michaux), “liepen” Engelse studenten reeds de eerste werelduurrecords. En de eerste wegwedstrijd had weliswaar plaats in Frankrijk (Parijs-Rouen), maar de winnaar was een Brit (James Moore). Twaalf uur na hem (hij had zelf “slechts” tien uur en veertig minuten nodig voor de afstand van 135km) kwam trouwens de enige vrouw binnen van zes deelneemsters op een totaal van 203 vertrekkers en alhoewel ze als pseudoniem (want vrouwen mochten niet aan sport doen) “Miss America” had opgegeven, was ze in werkelijkheid een Britse.
En wat te denken van de uitslag van de eerste (nog officieuze) Bordeaux-Parijs in 1891? De eerste vier plaatsen zijn daar voor vier van de vijf gestarte Engelsen, de eerste Fransman is pas vijfde op meer dan vijf en een half uur achter de winnaar George Pilkington Mills!
In diezelfde Bordeaux-Parijs, maar dan de editie 1896, heeft Groot-Brittannië nóg een primeur, zij het eerder een dubieuze: de Welshe renner Arthur Linton stierf immers twee weken na zijn deelname aan de gevolgen van de inname van een mengsel op basis van morfine, dat hem door zijn verzorger werd toegediend. Hij wordt doorgaans dan ook al het eerste dopingslachtoffer afgeschilderd, maar Hans Vandeweghe bestrijdt deze opvatting in zijn boek “Wie gelooft die renners nog?”. Volgens hem stierf Linton aan buiktyfus. En zelfs voor wie dan toch nog een relatie ziet met zijn sportbeoefening: Lintons broer stierf aan precies hetzelfde en die was géén wielrenner. (p.206)
TIJDRITTEN
De Engelse wielerbond was – zoals in bijna alle sporttakken – de eerste van zijn soort die werd opgericht (in 1878) en de Engelse kampioenschappen die men organiseerde waren “open”, zodat ze eigenlijk een soort van wereldkampioenschappen waren, maar dan wel uitsluitend voor amateurs “of course”!
“Het amateurisme/professionalismedebat was op de agenda geplaatst bij de intrede van de ‘werkende klassen’ in de wielrennerij. Van de uitvinding van de eerste fietsen, omstreeks 1870, tot de finalisering van de moderne fiets, omstreeks 1890, was wielrennen een elitaire sport geweest. Met de democratisering van de fietsprijzen vonden lieden uit de lagere klassen hun weg in de wielersport. Algauw bleken de renners uit de hogere klassen niet opgewassen tegen renners die lichamelijk sterker ontwikkeld waren vanwege hun zware beroep. Hun fysieke inferioriteit compenseerden zij met een morele superioriteit. De amateurethiek werd opgebouwd als verdedigingsgordel om zich te distantiëren van de ‘broodrenners’. De amateurs waren de zelfverklaarde ‘zuivere’ sportmannen. Voor hen was sport een doel op zich, geen middel om geld te verdienen.” (Jan Boesman, De fiets van Lautrec, p.354)
De Engelsen waren ook de uitvinders van de tijdritten. In 1883 begon de politie reeds te rouspeteren tegen wielerwedstrijden op de weg. De organisatoren van een wedstrijd over 50 mijl in Surrey trachtten nog aan het verbod te ontkomen door op de vooravond van hun evenement het parcours te veranderen. Als echter toch een politie-officier ter plaatse verschijnt, besluiten de organisatoren van de renners om de minuut te laten vertrekken.
Ook nu nog wordt zowat de helft van de Engelse wegwedstrijden als tijdrit betwist. Dat heeft trouwens z’n weerslag op de piste, meer bepaald de achtervolging een discipline, waarin de Engelsen altijd hebben uitgeblonken. Niet alleen zijn er b.v. de oud-wereldkampioenen Hugh Porter, Anthony Doyle, Colin Sturgess, Graeme Obree en Chris Boardman, er is ook het merkwaardige voorval in het wereldkampioenschap ploegenachtervolging 1973, toen de Engelsen Bennett, Evans, Hallam en Moore de titel behaalden, maar deze vrijwillig afstonden aan de verliezende Oost-Duitse ploeg. Het dient weliswaar gezegd dat de Duitsers op een ronde voor het einde met een ruime voorsprong aan de kop reden, maar een collectieve valpartij deed hen toen alle titelkansen verspelen. De Engelsen gaven echter blijk van fairplay en weigerden de medaille.
In de jaren twintig waren de Engelsen ook de eersten om op die manier (als tijdrit dus) officiële wedstrijden voor vrouwen in te richten. De eerste wielerclub uitsluitend voor vrouwen was dus uiteraard ook Brits, met name The Rosslyn Ladies. Het was onder Britse druk (vooral van Eileen Gray, de voorzitster van de BCF) dat ook de UCI records voor vrouwen begon te erkennen, maar pas nadat er in Engeland zelfs al een vrouwelijke prof was (Eileen Sheridan voor Hercules fietsen, nu opgekocht door Raleigh). Het eerste vrouwelijke record (over 500m) was dan ook weer Brits: Daisy Franks in maart 1955.
De volgende stap was uiteraard een eigen wereldkampioenschap. In 1957 richtte men in Engeland een “International Weekend” in dat eigenlijk voor het eerste officieuze vrouwenwereldkampioenschap kon doorgaan (alleen de Sovjet-Unie was afwezig), maar het eerste officiële kampioenschap moesten ze toch weer aan Frankrijk overlaten (Reims 1958). Pas een jaar later wordt overigens in België voor het eerst een kampioenschap voor vrouwen betwist (gewonnen door Victorine Van Nuffel).
Hoe komt het dan dat het wielrennen in Engeland in de marginaliteit is verzeild geraakt? Aan Bryan Wotton (°1936), secretaris van de British Cycling Federation van 1965 tot 1990, vroeg ik of het soms te wijten was aan het feit dat de fiets van een statussymbool in de 19de eeuw tot een proletarisch vervoermiddel was “gedegradeerd”. Zijn antwoord: “Je stelt het nogal provocerend, maar het spijt me te moeten toegeven dat het juist is. Bij de stichting van de Wielerunie waren de beoefenaars bijna uitsluitend upper class.”
SOCIALISME
Of anders waren het toch excentriekelingen zoals de componist Edward Elgar (foto) of de schrijvers George Bernard Shaw en zelfs de bijna blinde Aldous Huxley (*). Of Alan Alexander Milne, de schrijver van “Winnie the Pooh”, die, toen hij in Cambridge zat, de slogan bedacht: “when young, try a bike, when old, buy a trike”, want een driewieler gold als een nog groter statussymbool als de fiets. Milnes vader wilde zijn progressieve ingesteldheid bewijzen door in zijn privé-school een leraar te aanvaarden van arbeidersafkomst. Dat was dan H.G.Wells en ook hij was een fervent fietser. Hij gebruikte de tweewieler vooral om achter de meisjes aan te zitten: when young, try a bike!
Het belang van het fietsen voor de leden van The Fabian Society vinden we ook terug in de roman “The Children’s Book” van A.S.Byatt. In 1894 werd in Birmingham trouwens reeds The National Clarion Cycling Club gesticht, die als niet te miskennen logo had: “Socialism, the hope of the world”. De club was dan ook genoemd naar het socialistische dagblad “The Clarion” dat in december 1891 was gestart door Robert Blatchford, de auteur van het populaire boek in socialistische kringen “Merrie England”.
In de loop van de volgende jaren ontstonden er ook Clarion Clubs in Manchester, Bolton en Rochdale. Tom Groom, de eerste voorzitter van de Clarion Clubs en de “wielerverslaggever” in The Clarion, stelde dat de populariteit van het fietsen in de socialistische beweging (de clubs telden meer leden dan andere activiteiten zoals koorzang, kunstambachten en debatclubs) te wijten was aan de afkeer van de grauwe stad, want men fietste uiteraard vrolijk op de buiten. En, niet onbelangrijk, ook de vrouwen fietsten mee, de zogenaamde “Clarionettes”! We spreken hier wel over toeristische uitstappen, als er al eens “gekoerst” werd, dan was dat eerder in een spontane opwelling van een paar macho’s die graag indruk wilden maken op het vrouwvolk.
Dat alles gebeurde overigens in een periode dat de Labour Party nog buiten de wet was gesteld. Net zoals bij “onze” jaarlijkse Gordel, durfden tegenstanders dan ook wel eens spijkers op het wegdek gooien. En de plaatselijke adel zette de cafébazen onder druk om de uitgeputte fietsers drank te weigeren. Indien zoiets gebeurde, sloegen de wielerfans echter terug door de week daarop luidkeels te gaan protesteren aan de kerk waar de edellieden hun godsdienstige plichten kwamen vervullen. De middenstand koos trouwens zoals gewoonlijk vlug eieren voor zijn geld en zij zagen in dat die dorstige fietsers meer geld in het laadje brachten dan de adel, die zichzelf meestal toch te goed vond om de lokale herbergen aan te doen.
In 1934 kende deze strijd nog een laatste opflakkering: de adel sloot bepaalde wegen af, zogezegd omdat het voor de fietsers te gevaarlijk zou zijn in het jachtseizoen. Het kwam tot een ware “veldslag” in “the moors”. De politie sloeg erop los en arresteerde een aantal heethoofden, maar de uiteindelijke overwinning was toch voor de fietsers: de wegen door “the moors” zouden voortaan vrij blijven.
Op dat moment was het hoogtepunt van de socialistische fietsersbeweging reeds voorbij. Die lag zo rond 1914 met 7.000 leden. Dat aantal nam gestadig af, maar zou tot na de Tweede Wereldoorlog toch een belangrijke impact blijven hebben. Het is zelfs zo dat het organiseren van wielerwedstrijden na de Eerste Wereldoorlog juist toenam! Clarion-renners namen deel aan de Arbeidersspelen van 1928 in Praag, die in het teken stonden van het anti-militarisme en het bewaren van de vrede, op het moment dat het fascisme zowat overal in Europa de kop begon op te steken.
Tot op de dag van vandaag bestaan er nog altijd een twintigtal Clarion-clubs. Maar om een vergelijking te maken: de jaarlijkse grote Paasbijeenkomst trok in 1991 nog 200 belangstellenden. “The Clarion” zelf daarentegen verscheen al niet meer sinds juni 1932 en een poging om met “The New Clarion” een relance op gang te brengen, werd in maart 1934 reeds in de kiem gesmoord.
Het initiatief werd trouwens maar oogluikend toegestaan door de Britse wielerbond. In tegenstelling tot The Vegetarian Club bijvoorbeeld, mochten de leden van de diverse Clarion clubs niet als één team optreden.
CONCURRENTIE
Maar terug naar Bryan Wotton: “Van in het begin was er een grote concurrentie tussen verschillende firma’s die fietsen fabriceerden, vooral in de streek van Coventry en Birmingham. Die hadden dan ook reeds merkenploegen opgericht. De branche was erg succesvol, maar met het geld dat werd binnengebracht, schakelden de firma’s over op de motor- en vliegtuigindustrie. De rijke jongelui keken immers vanuit de hoogte neer op het vervoermiddel dat al redelijk populair geworden was en vierden hun waaghalzerij nu bot op een motor.”
Ook oudere liefhebbers schakelden over van fietstoerisme op autotoerisme. Moreover, the rules governing amateur status were so strict that it was even forbidden to allow the makers name to be shown in any photographs of the rider. There was certainly no such thing as a sponsored club in those days. In 1938, the R.T.T.C. (Road Time Trials Council), the governing body of this branch of the sport, issued an edict prohibiting amateur racing cyclists who were staff employees of cycle manufacturers from appearing on their trade stands at the National Cycle Show. It is alleged that the ban on names being shown led to the development of certain unique frame designs (Bates, Hetchins, Baines etc.) to circumvent this.
Bovendien gingen de pesterijen van de politie steeds verder, zodanig zelfs dat grote “klassiekers” als de 24 uur van North Road op de piste dienden te worden afgelegd. Ik moet er overigens op wijzen dat de Fransen hier weerwraak namen voor hun smadelijke nederlaag in Bordeaux-Parijs. Vijf jaar nadien won Constant Huret immers deze Britse wedstrijd met de recordafstand van 736km.
ISOLATIONISME
Anderzijds begon het isolationisme van de Britten stilaan door te wegen. Het weekblad Cycling publiceerde in de jaren twintig b.v. wel korte verslagen van de klassiekers en de grote ronden op het continent, maar dan wel met een relativerende commentaar. Deze wedstrijden werden afgedaan als zijnde erg langzaam (“een getraind wielertoerist kan de renners bijhouden”). Dat het parcours “enigszins” verschilde van een lange vlakke weg of zelfs van een wielerbaan was de redactie helemaal ontgaan.
Er werd ook gespot met de korte broeken en de kleurige truitjes van de continentale renners. In Engeland waren de heren fietsers immers nog altijd heren van stand. Zij droegen lange zwarte kuitbroeken met daarboven een jacket. Het mag dan ook haast een wonder heten dat vóór de Tweede Wereldoorlog toch nog twee Britten hebben deelgenomen aan de Ronde van Frankrijk, namelijk Charles Holland en Bill Burl in 1937.
Het jaar daarvoor, in 1936, was er immers een tegenactie op gang gekomen. De ex-renner Bill Mills, die nog in de ploeg van de Zwitserse werelduurrecordhouder Oscar Egg had gereden, stichtte “The Bicycle” als concurrent voor “Cycling”. De oud-wereldkampioen snelheid Bill Bailey stond aan zijn zijde. Zo werd op 18 juni 1936 de eerste “massed-start” wedstrijd verreden op het heuvelachtige TT-circuit van het eiland Man, de zogenaamde Manx International. Winnaar werd overigens diezelfde Charles Holland. De wedstrijd was georganiseerd als voorbereiding op de Olympische Spelen van Berlijn en Holland behaalde daarin een eervolle vijfde plaats.
Op 2 november 1936 zendt de BBC voor het eerst twintig minuten televisiebeelden uit en reeds op 29 mei 1937 worden ook de eerste live-beelden van een wielerwedstrijd uitgezonden. Met name de start van een wedstrijd ter gelegenheid van the Sunday Pictorial Cycling Festival in het Londense Alexandra Palace, beter gekend als “Ally Pally”. De reden dat de start en niet de aankomst werd uitgezonden had (naast het evidente verschil in moeilijkheidsgraad in deze beginperiode van de televisie) wellicht ook te maken met het feit dat de start werd gegeven door de Australiër Hubert Opperman (de latere Sir, want gewezen minister), die in 1928 een belangrijke rol had gespeeld in de Ronde van Frankrijk. Zijn naam zal alvast eerder de eeuwigheid ingaan dan die van de winnaar van de race, de Schot Jackie Bone.
In 1942 werd ook een alternatieve wielerbond gesticht (The British League of Racing Cyclists in plaats van The National Cyclists Union die in 1878 was gesticht als The Bicycle Union, de naamsverandering vond in 1883 plaats) om opnieuw wedstrijden in lijn te organiseren, zij het dan op een niet afgesloten parcours met inachtneming van de wegcode. In Engeland wilde dit dus zeggen: altijd uiterst links rijden en stoppen voor de rode lichten. Eigenaardig genoeg was het ook de oorlog die ervoor zorgde dat de renners er ook “gewoon” gingen uitzien: de specifieke zwarte stof was immers niet meer voorhanden en men gebruikte nu een voetbaluitrusting.
Bryan Wotton: “Maar toen brandde de wielerlamp reeds op een klein pitje en het was erg moeilijk om de aandacht van de grote massa te winnen voor deze sport, terwijl er zoveel andere takken waren, waarin Engelsen uitblonken. Met het voetbal op kop uiteraard.”
JAZZ
Het weekblad Cycling wijst er in zijn nummer van 22/6/1985 op dat er “in the early days” een merkwaardige overeenkomst bleek te zijn tussen wieler- en jazzliefhebbers, waarmee men bedoelt dat wielerliefhebbers vaak ook jazzliefhebbers waren en omgekeerd. Als voorbeeld geven zij ene Charlie Galbraith, die na de Tweede Wereldoorlog als onafhankelijke reed voor Rensch Cycles en nadien carrière maakte als jazztrombonist, eerst bij The Mike Daniels Delta Jazz Band en nadien met zijn eigen ensemble.
Een nog bekender voorbeeld is een andere trombonist, namelijk Chris Barber, die in de jaren zestig zowaar een eigen professioneel wielerteam op de been bracht! Raymond Batsford zegt hierover: “The veteran jazz man Chris Barber wondered who the fit young men were who stood out so much from the long-haired, baggy-sweatered types who made up his usual audience on an island in the river Thames. He asked and found they were bikies. Barber was intrigued, perhaps because it also takes a lot of puff to blow a trombone, and he agreed a deal which put a team into the British pro peloton for several years. I met him once and he said he hadn’t the slightest idea whether they ever sold him a single extra record but the idea just appealed.
En hij voegt eraan toe: “Eric Clapton, in his youth, rode a bike as well as played guitar; he even raced a little and rode a few time-trials. I saw him on his Condor parked outside a pub up Leith hill Surrey many years ago. In his early days with Cream he made an album called Disraeli Gears !!! The story goes that one day in the recording studio Eric was telling the other band members about his bike racing and his road bike, including his derailleur gears, a variable-ratio transmission system commonly used on bicycles, consisting of a chain, multiple sprockets of different sizes, and a mechanism to move the chain from one sprocket to another. I think it was Ginger Baker talking to Eric who called them Disreali Gears. Hence their record album.”
Trouwens ook de legendarische disc-jockey John Peel (o.a. ontdekker van Rod Stewart) had een Grand Prix (althans toch in 1968 in Workington, een wedstrijd over 113km gewonnen door Pete Smith).
Daarnaast is er ook nog de vooroorlogse big band-zanger Fred Latham, die lid was van de Manchester Wheelers tot hij stierf in 1985. Hij was toen al “in his seventies“.
Jim Lyon uit Dundee liet een wielercarrière varen om jazzdrummer te worden, maar kwam op zijn stappen terug toen hij reeds 57 was en begon aan een tweede carrière bij de veteranen. Hij stierf zeven jaar later in de Ronde van Mallorca, nadat hij nog de vierde plaats had behaald in de rit. Eerder was hij ook nog Brits kampioen geworden bij de zestig plussers.
Een beetje een apart geval is Walter Greaves (1907-1987). Niet zozeer omdat hij maar één arm had (wat hem niet belette meer dan 36.000 mijl te rijden in 1936), maar omdat hij op latere leeftijd een folksinger werd. Ook gitarist Ken Almond (1937-1991) was zowel in jazz als in folk actief. Al lag de verbinding met folkmusic blijkbaar moeilijker dan met jazz: Dave Aston (1941-1992), de verzorger van de Manchester Wheelers, verliet zelfs het wielrennen om een folkclub open te houden.
Op het gebied van folksinging mogen de Ieren natuurlijk niet achterblijven. Wymond Symes (1932-1987) was slechts een onbeduidende amateur, maar als vriend van Sean Kelly heeft hij dan toch nog een plaatsje veroverd in de wielerboeken. Dan moest Stephen Roche daar uiteraard iets tegenover stellen: bij de ploegvoorstelling van Fagor in 1988 nodigde hij zijn broer Lawrence uit (toen nog amateur) om live op Antenne 2 een nummer van Elvis Presley te brengen in de gekende Elvis-outfit.
En tenslotte is er ook nog Jimmy Saville. Deze enorm populaire disc-jockey had in zijn jeugd nog de Milk Race gereden. Lange tijd gold hij dan ook als uithangbord voor het Britse amateurwielrennen. Helaas kwamen er na zijn dood een heleboel schandalen aan het licht, waarbij sommige zelfs naar pedofilie neigden, zodat zijn naam vlug uit de geschiedenisboeken werd geschrapt.
Toch zou na de oorlog het Britse wielrennen eindelijk wat meer op Europa afgestemd raken, al zal het nog tot in 1959 duren vooraleer de twee wielerbonden tot de huidige British Cycling Federation werden gefusioneerd. Toen waren o.a. reeds Brian Robinson en Tom Simpson op het vasteland actief. Robinson was overigens, samen met Tony Hoar, de eerste Brit om de Tour de France uit te rijden. Dat was in 1955.

Ronny De Schepper
(Met dank aan Stephan Van Uijtregt en Terry Lewis-Batford)

(*) Stan Lauryssens, “Mijn heerlijke nieuwe wereld. Leven en liefdes van Maria Nys Huxley”, Leuven, Van Halewyck, 2001, p.53.

(Zeer) selectieve bibliografie
Ronny De Schepper, Engelse wielrenners zoeken werk op het vasteland, De Rode Vaan s.d.
Ronny De Schepper, Wielrennen in Engeland: jolly good fun voor de aristocratie, De Morgen 7 juli 1994
Rupert Guinness, The Foreign Legion, Springfield Books Ltd., Norman Road, Denby Dale, Huddersfield, West Yorkshire HDB 8TH, England, 176p.
Chris Snick, Bradley Wiggins: trieste kindertijd in Gent, nu topfavoriet voor Tour, Het Nieuwsblad 12 juli 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s