Het is vandaag amper 25 jaar geleden dat homoseksualiteit geschrapt werd als geestesziekte door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). In 1978 leidde Tom Robinson zijn nummer “Sing if you’re glad to be gay” nog in met te verwijzen naar het nummer 302.0, de classificatie in the international classification of diseases, en dat zou dus nog twaalf jaar zo blijven! (*)

Maar ook nu is wetenschappelijk onderzoek naar eventuele genetische kenmerken van homoseksualiteit nog altijd erg omstreden. De Amerikaanse schrijver John Irving heeft het daarover b.v. in zijn “Son of the circus” (1994).
Irving is een schrijver die zich altijd goed documenteert. Als hij dus een dokter Duncan Frasier opvoert, een “homoseksuele geneticus, vermaard om zijn onderzoek naar de zogenaamde (en ongrijpbare) homochromosomen“, dan kan men ervan uitgaan dat die Frasier weliswaar een fictief personage is, maar dat de kennis die hij etaleert, wetenschappelijk onderbouwd is. En wat schrijft Irving? “Biologisch onderzoek naar homoseksualiteit wekt doorgaans alom ergernis. De vraag of homofilie vastligt bij de geboorte dan wel een vorm van aangeleerd gedrag is, heeft een ontvlambare politieke lading. De conservatieven wijzen de wetenschappelijke suggestie af dat seksuele geaardheid een biologische kwestie is; de progressieven zijn bezorgd om het medische misbruik dat zou kunnen worden gemaakt van een identificeerbaar genetisch merkteken – mocht er ooit een gevonden worden.” (p.468)
En zowat honderd bladzijden verder (p.562) vervolgt hij: “Frasier had een keer tegen Farrokh gezegd dat er een kans van tweeënvijftig procent bestond dat de identieke tweelingbroer van een homo ook homo was. Bovendien had Farrokhs vriend en collega Macfarlane hem overtuigd van de onveranderlijkheid van homoseksualiteit. (‘Als homoseksualiteit aangeleerd gedrag is, hoe komt het dan dat je het niet kunt àfleren?’ had Mac gezegd.)”
52% dat is natuurlijk zo goed als fifty-fifty en alhoewel er in het boek geponeerd wordt dat van een tweeling, die onwetend van elkaars bestaan is opgevoed, toch blijkt dat ze allebei homoseksueel zijn, dan ken ik net zo goed een eeneiïge tweeling, waarvan de ene (Piet) homo is en de andere (Paul) hetero.
Maar Irving gaat nog verder: ook over de afstamming van de tweeling is er twijfel en geconfronteerd met de homoseksuele geaardheid van hen beiden concludeert hij: “De tweeling zou dus uiteindelijk toch wel van Neville zijn, niet van Danny” en dat omdat die Neville biseksueel was!
HET ALOMVATTENDE JANETTENCOMPLOT
Zelf heb ik het helaas niet over dit medische aspect in mijn lang artikel over “het alomvattende janettencomplot” (copyright Tom Lanoye), maar ik ga toch een gedeelte van dit artikel hier overnemen, omdat het zo ellendig lang is, dat het beter gespreid wordt over twee artikels.
“Het alomvattende janettencomplot” gaat vooral over “coming out” tegenover “outing” en vertrekt dan ook van de “outing” van de Vlaamse popgroep Get Ready! door het blad “ZiZo” van de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit. Ik ging daar destijds (begin jaren negentig) over spreken met enkele mensen van Het Gehoor, een Gentse belangengroepering van homofielen. Fernand Vanoutryve zou de contactpersoon zijn, dat stond vast. Maar Fernand zegt dat ze in de federatie met zeven zijn en of ze dus niet alle zeven mogen komen. Ah nee, het is een interview en geen meeting. Of er dan toch niet één mag meekomen? Een jongetje, een vertegenwoordiger van Verkeerd Geparkeerd, de jongerenbeweging van de homo’s. Allé, o.k. dan. Dat blijkt Hans te zijn. Maar wat blijkt nog meer: er is nog een man bij. De man blijkt William te zijn, een vertegenwoordiger van “homo en geloof” en aangezien hij een oudere generatie vertegenwoordigt kan zijn bijdrage uiteindelijk ook wel nuttig zijn, akkoord, maar wie zijn in godsnaam al deze mensen. Als je een interview doet, spreek je toch niet met ‘vertegenwoordigers van actiegroepen’ maar met mensen van vlees en bloed. Ik wil hen dus eerst, zij het noodgedwongen maar een beetje, wat beter leren kennen.
Fernand geeft het voorbeeld. “Ik ben Fernand Vanoutryve en vertegenwoordig Het Gehoor. Dat is een Gentse Homo- en Lesbiennegroep die voornamelijk de bedoeling heeft om de mensen bezig te houden. Het is gestart als een ontspanningsgroep, activiteiten, sport, samen naar voorstellingen gaan, we hadden ook een praatcafé in Elcker-Ik, maar stelselmatig is de nadruk meer komen te liggen op homo-emancipatie. De voordrachten gingen telkens over een of ander onderwerp dat in de actualiteit stond, we nemen ook deel aan de organisatie van de Roze Zaterdag en we zijn lid van de Federatie Werkgroepen Homoseksualiteit, de koepelorganisatie op Vlaams niveau, zoals de Gentse Homo- en Lesbiennebeweging een koepel van zeven plaatselijke groeperingen is. En ik wil ook wel iets over mijn eigen ervaringen vertellen, niet dat die op zich nu zo belangrijk zijn, maar tenslotte maken we allemaal hetzelfde door. Maar vertel me eerst eens,” draait hij de rollen van het interview om, “hoe jijzelf homoseksualiteit percipieert hier in Gent?”
Mijn god, hoe ik homoseksualiteit “percipieer”? Dan is het antwoord juist dat ik ze niet meer “percipieer”. Ik dacht dat de tijd van de lijdende Christus al lang achter de rug was. Als je met iemand omgaat, vraag je je toch niet langer af: met wie zou die het nu doen in bed? Dat is toch totaal irrelevant?
“Die tijd is niet voorbij. Volwassen worden is nog altijd voor iedereen een probleem en voor homo’s en lesbiennes komt daar nog bij dat je dan je geaardheid ontdekt en daarmee moet je eerst klaarkomen.”
Dat zal wel.
“Je moet het eerst onderkennen, dan volgt het aanvaardingsproces en dan de coming-out, dat zijn drie fasen waar je niet onderuit kan.”
Ik dacht dat homo’s nu veel meer zelfbewust waren.
“Zeker, maar vooraleer je die zelfbewustheid bereikt, moet je eerst die fasen doorlopen, geen ontkomen aan. Bij mij heeft het onderkennen zo ongeveer een jaar geduurd, dan de aanvaarding een paar maanden, maar de coming-out, daar heb ik tien jaar over gedaan. Eigenlijk ben ik zelfs ‘ge-out’ vooraleer het woord bestond. In ’84 of ’85 was er hier de eerste Aids-fuif, enfin die werd zo genoemd. En Panorama was toen komen filmen in het kader van een uitzending over de leefwereld van de Vlaamse homo. Dat was in Vooruit en vanop het balkon hebben ze er met de telelens mij uitgehaald, terwijl ik een heel intieme slow aan het dansen was met een jongetje. En op mijn hoofd hebben ze dan de aftiteling gedaan.”
In een tijd dat outing volop ter discussie staat, is het misschien wel interessant te weten wat je van die handelswijze vindt.
“Ik ben daar nooit boos over geweest. Het moest er ooit eens van komen. Ik was het ook niet uit de weg gegaan. De BRT had ook al eens in het GOC van Antwerpen gefilmd en we waren met een groepje van Gent speciaal daarvoor naar Antwerpen afgezakt. Overigens was de zaal die normaal stampvol zat toen zo goed als leeg. Maar toen ben ik dus niet in beeld geweest, maar in de Vooruit heb ik dus mijn schade ingehaald. Zowat heel Vlaanderen moet het dan gezien hebben, want Panorama was in vertraging en normaal moest Dallas al bezig geweest zijn. Mijn ouders zaten toen ook te kijken. Die wisten nog van niks, ik had dat altijd voor mij uitgeschoven omdat ik vond dat die mensen veel te oud, veel te braaf en veel te katholiek waren om dat allemaal te begrijpen. Maar in veertien dagen tijd was dat allemaal opgelost.”
IMG_0004Hans:
“Ik zou net als Fernand willen tegenspreken dat het nu allemaal zo vlot aanvaard wordt. Het is inderdaad zo dat mensen toleranter worden t.a.v. homoseksualiteit maar alleen als het heel ver van hun bed is. Van zodra het heel dichtbij komt, b.v. als ze zelf een zoon zouden hebben die homoseksueel is, dan kan het plotseling niet meer. Op die manier is het gemakkelijk om tolerant te zijn natuurlijk. Ik ben dus Hans Soetaert, 23 jaar, student aan de RUG en vertegenwoordiger van Verkeerd Geparkeerd, we zijn er voor jongeren vanaf 16 tot 26. We doen aan opvang, begeleiding en ontspanning en dan zien we dat het wel degelijk problemen geeft als je naar je ouders of naar je omgeving toestapt om te zeggen: ik ben homo.”
IMG_0005William: “Ik ben 58, ik ben getrouwd, ik heb drie kinderen en ik heb al twintig jaar een vaste vriend, die naast ons woont. Dat betekent dus uiteraard dat mijn vrouw dat weet en dat zij ook iemand heeft, zodat we al twintig jaar eigenlijk met vieren zijn en met vieren hebben we ook die drie kinderen opgekweekt. Die waren toen tien, twaalf en zeven jaar. Nu zijn die natuurlijk al het huis uit en ze hebben allemaal zelf een partner, twee zijn getrouwd, mijn jongste dochter woont met iemand samen. In die groep ‘homo en geloof’ daar ben ik eigenlijk ingesukkeld. Ik schoot in de lach als ze me dat kwamen vragen om dat op te richten omdat ik dat een contradictie vond. Op die vijf, zes jaar is dat echter zo’n goeddraaiende groep gebleken, dat we nu met 20 à 25 mensen zijn en er zeker al 60 à 70 gepasseerd zijn op die tijd. We krijgen ook veel telefoons: b.v. van een Hollander die hier werkt en zegt, geef mij eens wat namen van bars. Het CGSO verwijst ook nogal eens naar ons door. Ik kom duidelijk uit een andere generatie. Wij lieten ons b.v. trouwen. Wij moesten trouwen, want ik wilde niet abnormaal zijn, mijnheer. Ik spreek nu over 1950. Ik had al een paar vriendjes gehad voor enkele maanden, een jaar, en op de duur, als een meisje op je verliefd wordt, zeg je: ik ga dat toch maar eens proberen. En je gelooft daar ook voor een stuk in. Zeker de eerste jaren, wanneer je hard moet boksen om een huis te bouwen en het eerste kindje en zo, tot je op je positieven komt. Als je dan een rustpunt krijgt en op jezelf terugvalt. Het was zelfs mijn vrouw die er mij attent op maakte dat ik smoorverliefd was op een man.”
Even rekenen: 25 jaar getrouwd, eerste jaren niks aan de hand, dus laten we zeggen we zitten in 1970. Dat wil dus wel zeggen dat de seksuele revolutie van de jaren zestig ondertussen langs je deur was gepasseerd…
“Ja, mijn vrouw was dan ook de eerste aan wie ik het heb verteld. Die vriendjes van vroeger die wisten dat natuurlijk wel, maar die dachten dat het van voorbijgaande aard was en die zijn dan wel zo elegant om dat niet te vertellen. Ik heb dan geluk gehad in die zin dat ik toen ik de derde keer uitging, reeds ‘beet’ had. Dat ik een vriend vond die bij mij wou blijven. Hij was er 27, ik was er ondertussen 39. Het was ook een goed moment voor de kinderen, want ze zien hem allemaal graag, net als de vriend van mijn vrouw trouwens. In de plaats van in de clinch te gaan hebben we dus geprobeerd de kinderen allemaal samen op te voeden.”
Er vallen een paar namen van bekende homo’s. Tom Lanoye wordt bijna als een held ingehaald, men stelt dit ‘moderne type’ tegenover een Will Ferdy b.v. Maar voor de oudere generatie heeft Will Ferdy toch zijn belang gehad, nietwaar William?
“Dat is inderdaad een steun als een bekend iemand daarvoor uitkomt, maar het was wel gedaan met hem uit te nodigen voor het Davidsfonds. Verbod van mijnheer pastoor. Dat is misschien wel een periode die voorbij is maar dan toch niet in die mate dat ikzelf blij ben dat mijn zoon geen homo is. Het is in onze maatschappij toch tien keer praktischer van hetero te zijn?”
Ik heb tien jaar voor De Rode Vaan gewerkt, mijn ouders hadden allicht ook liever gehad dat ik voor Het Laatste Nieuws had gewerkt.
“Dat is heel iets anders: daar heb je voor gekozen. Maar wij kiezen niet. Je kan daar niet aan doen als je verliefd wordt op een man. Ik heb toch mezelf niet gemaakt! Al die oude homo’s die nog tien à twintig jaar ouder zijn dan ik, dat was miserie troef, mijnheer. En ook nu nog komen er jonge mensen naar ons toe die denken dat ze verdoemd zijn. En dat is niet te verwonderen zolang het officiële standpunt van de kerk is dat je het wel mag zijn, maar dat je niet mag praktizeren. Dat is het fameuze onderscheid tussen homofiel en homoseksueel. In die zin is heel onze maatschappij zelfs homofiel. Kijk maar naar de mannen die samen gaan boogschieten, samen op café gaan.”
HOMOFIEL JA! HOMOSEKSUEEL NEEN!
Gelovige homofielen kunnen we verwijzen naar het luxueus uitgegeven boek (in roze tinten, maar dat zal wel toeval zijn!) “Groeien in tederheid” dat in vraag- en antwoordvorm is samengesteld door Robert Kino, Roger Burggraeve, John van Meerbeeck en Paul van Praet – vier Salesianen van Don Bosco – die samen “De Graankorrel” vormen, een leefgroep van het centrum voor religieuze cultuur en animatie “Eigentijdse Jeugd” te Groot-Bijgaarden bij Brussel.
Alhoewel wij het appreciëren dat in eenboek over relaties van 239 bladzijden, toch 17 bladzijden worden voorbehouden aan homofielen (’t zou “in onzen tijd” geen waar geweest zijn!), toch bezorgt de afwijzende houding tegenover fysische liefde (ook heteroseksueel) en zeker fysische betrekkingen tout court ons nog steeds kippevel.
Zo duikt de aloude, weinig bruikbare tegenstelling tussen de begrippen “homofilie” en “homoseksualiteit” hier weer op: “Onder homoseksualiteit verstaat men elke vorm van lichamelijk contact tussen mensen van hetzelfde geslacht waarbij erotisch-seksuele opwinding optreedt … Het accent ligt hier bij de afzonderlijke seksuele uitingen en handelingen, en niet op de meer globale geneigdheid tot het eigen geslacht. Daarop is eerder de term homofilie van toepassing.” (p.123)
De denigrerende kijk op losse seksuele relaties vindt uiteraard z’n oorsprong in de christelijke visie van het centraal stellen van het gezin: “Ik zie, eerlijk gezegd, niet in hoe de homofilie ooit het uitgangspunt zou kunnen worden voor de inrichting van de samenleving. Het seksuele verschil nodigt immers niet alleen uit tot een levensgemeenschap tussen man en vrouw, doch sluit ook de mogelijkheid en de opgave van het kind in.” (p.133)
Men merkt hierbij meteen dat het oorspronkelijke gelijkstellen van homofilie en heterofiele seksuele uitspattingen al is herleid tot een extra-opgave voor onze homofiele medemens. Is het natuurlijk positief dat men in die kringen nu toch al schrijft: “Degene die bij zichzelf homoseksuele neigingen ontdekt, heeft deze niet zelf gewild: je kunt ze hem dus op geen enkele wijze verwijten” (p.134), dan volgt daar toch onmiddellijk op: “Niemand is verantwoordelijke voor de neigingen die hij bij zichzelf vindt, maar iedereen is wel verantwoordelijk voor het gebruik dat hij bewust en vrij van deze neigingen maakt”. Met andere woorden, het probleem wordt gewoon verschoven.
Dat heeft ook de homo-jongen (T.A.) door die met zijn “problemen” naar de groep komt en vraagt: “Mijn seksuele contacten met die losse partners waren dus verkeerd?”
Het antwoord is zo klaar als Scheldewater: “Zoals de heterofiel moet ook de homofiel zijn begerend verlangen zuiveren van grijpende en consumptieve elementen en omvormen tot een groeiende tederheid, waarbij de ander in zijn anders-zijn beschermd en bevestigd wordt.” (Moeder! ik word niet goed!)
Uiteraard vraagt T.A. om verduidelijking (die boek richt zich naar “jonge mensen”, ik zag onder meer een 14-jarig meisje het lezen op de bus), maar weet u soms raad met dit antwoord? “Vooreerst bereikt een homofiele vriendschap nooit de werkelijke andere. De ware ander voor de man is de vrouw, en omgekeerd. Welnu, in de homofiele vriendschap blijft men in ‘hetzelfde’ steken.” (p.135)
Hoe progressief de schrijvers zich ook mogen voordoen, eigenlijk blijven ze door en door trouw aan de herderlijke brief van Mgr.Desmedt, die er cru gezegd op neer kwam dat twee homofielen elkaar best mogen beminnen als ze maar van mekaar afblijven, “zich niet laten verleiden tot een gemakkelijke erotisering van hun relatie” (p.136) heet dat in dit boek.
T.A. schrikt zich een hoedje: “Moet je dan in onthouding leven? Maar dat is toch onmogelijk!” En het verbijsterende antwoord luidt: “Natuurlijk is een leven in onthouding mogelijk, zowel voor de homofiel als voor de heterofiel”. De “beste en meest zinvolle weg blijkt” dan ook “te zijn, in onthouding te leven als alleenstaande”. In alle objectiviteit voegt men er een beetje verder dan toch aan toe: “doch (dit) is zeker niet voor iedereen weggelegd”.
Wordt een christelijke homofiel dus niet meer meteen geëxcommuniceerd, veel eenvoudiger is het er voor hem of haar toch niet op geworden. T.A. besluit dan ook: “Ik hoop ooit een vriend te ontmoeten en als christen met hem een duurzame relatie op te bouwen. Of is dit een droom, een utopie?” (p.137)
HET KRUIS VAN DE HOMO
Het is duidelijk: homofilie is misschien niet meer zondig, het is toch nog steeds een probleem, het kruis van de homo is zwaar om te dragen…
Maar als men zegt: ’t begint al op de colleges, is dat dan niet vreselijk vroeg? Op die leeftijd ‘speelde’ ikzelf ook nog met jongetjes, hoor. Als ik dan in contact zou zijn gekomen met de homobeweging, zouden jullie me dan gezegd hebben dat ik homo was?
Fernand: “Nee. Dat is een gevoel van je anders voelen en dat is niet direct gekoppeld aan de seksuele daad. Je hebt het al voor je geslachtsrijp bent. Ik wist al op mijn zevende dat ik anders was dan de andere jongetjes. Ik interesseerde mij voor andere dingen, ik zat emotioneel anders in elkaar, ik deed niet mee aan brute spelletjes, ik had een hekel aan voetballen.”
Ik zal niet zeggen dat ik een hekel had aan voetballen, maar erg goed was ik er ook niet in, en ‘brute spelletjes’ waren aan mij ook niet besteed. Ik ben wellicht wel ‘vrouwelijker’ dan de meeste hetero’s, maar dat maakt mij nog niet tot homo…
“Het is geen kwestie van vrouwelijk of mannelijk, het is eerder een gevoel van andere interesses, zich anders uitdrukken. Het is moeilijk te omschrijven, maar het is er. Als ik naar foto’s uit mijn jeugd kijk, wel jongen, ge kunt er niet naast kijken.”
William: “Uiteraard val je als homo ook wel eens op een hetero-jongen en dan beginnen de problemen. Want gij geraakt verliefd en de andere speelt alleen maar met uw voeten, want die doet het alleen maar voor de seks.”
Speelt hij met uw voeten?
“Jaja, aan al zijn grillen geeft ge toe, want gij zijt verliefd, gij zoudt op uw knieën kruipen om hem te houden en de andere rammelt ermee.”
Hans: “In Nederland heeft er een heel goed onderzoek plaatsgehad over jongeren. En daaruit blijkt heel duidelijk dat het in het begin voornamelijk gevoelens zijn. Tot veertien jaar of zo is het zelfs helemaal niet seksueel, eerder een opkijken naar of een willen zijn bij. Er is iets in jou dat blijkbaar niet in het systeem past. Je voelt je een buitenstaander. En pas later, bij mij was het op mijn dertiende, weet je wat dat precies is. Opvoeding zou er dus beter op gericht zijn dat je veel soorten gevoelens kan hebben. Dat die ook allemaal een kans krijgen, dat sommige niet meteen worden afgeremd in de zin van ‘dat kan niet’. Dan kunnen nadien de mensen zelf beslissen met welke gevoelens ze nu iets gaan doen. Dat is het begin van het ganse concept sedert het begin van deze eeuw: namelijk dat wij niet anders kunnen, het is onze geaardheid, dus je kan ons ook niet beschuldigen. En die vrijheid is er nog niet. Je kan m.a.w. maar homoseksuele liefde bedrijven als je homoseksueel bént. Eigenlijk zou iedereen dat moeten kunnen doen. Anderzijds is juist door die toestand het wel belangrijk om je identiteit kenbaar te maken. Als je zegt: ik ben homo, dan maak je iets heel duidelijk. Dan wil je au sérieux worden genomen. Maar het nadeel is dat mensen je op dat concept vastpinnen. En tenslotte ben ik toch méér dan een homo. Ik ben student, ik ben jongeman, ik ben allerlei dingen. Daarom dat ik denk dat je na verloop van tijd dat homo-concept weer van je afduwt omdat er niets is om je mee te identificeren. Kijk naar de reklame.”
Maar ik herken mij ook niet in de burgerlijke gezinnetjes die daar als stereotiep gelden, hoor. Hebben ze dan liever een stigma? Ik begrijp er duidelijk niets meer van want plotseling krijg ik van Hans, de grote fan van Tom Lanoye, te horen dat ik te gretig ben om te weten wie het is en wie niet. En ik die dacht dat Tom Lanoye voor outing was!
“Tom Lanoye wil de apartheid opheffen. Men is nu ‘tolerant’ genoeg om homofilms te draaien, maar dan zegt men er wel op voorhand bij dat het een homofilm is, zodat de hetero’s a.h.w. gewaarschuwd zijn. Maar ik ga toch ook naar hetero-films?”
Fernand: “Om het met een slagzin te zeggen: de bevrijding van de homo’s moet beginnen met de bevrijding van de hetero’s. Laat de hetero’s eens met de ogen van de homo’s kijken: ze weten niet wat ze zien!”
Dat samenwerkingsverband is wel nieuw, nietwaar. Vroeger had men nogal eens de neiging, met hoe weinigen men ook was, van mekaar te bestrijden. Het radicalisme vierde hoogtij. Op een bepaald moment leek de homobeweging zelfs een extreem-linkse beweging. Nu kan ik me best voorstellen dat een aantal homo’s zicn niet noodzakelijk in die hoek thuisvoelen.
“Dat léék enkel maar zo, omdat De Rooie Vlinder het meeste lawaai maakte. De koepel werkte meer in stilte achter de schermen, maar die tegenstelling van vroeger is nu een beetje afgevlakt. De Rooie Vlinder als zodanig bestaat niet meer (er bestaat natuurlijk nog wel het Roze Aktiefront) maar ook de koepelorganisatie is niet meer die saaie bende van vroeger.”
De politieke overtuiging blijft, zelfs bij homo’s, toch ook nog een rol spelen, hé.
“Ja, maar waarom heeft Agalev b.v. nogal een grote aanhang, omdat zij een homo-programma heeft en soms homo-kandidaten op haar lijst.”
Over de overheid gesproken: het Aids-onderzoek krijgt van bovenaf steeds minder geld en net op het moment dat het voor iedereen toch wel min of meer duidelijk begint te worden dat Aids niet enkel een homo-ziekte is, wordt de sponsoring dan maar overgenomen door Euro-Man-Travel, de homoseksuele reisorganisatie. Vinden jullie dat een gelukkig initiatief?
Hans: “Na die nadruk op het feit dat ook hetero’s Aids kunnen krijgen, wordt er nu toch door het Aids-team opnieuw sterk de nadruk op gelegd dat het ook een homo-ziekte is. Op een bepaald moment leek het er zelfs op dat de homo’s alweer uit de boot zouden vallen.”
Fernand: “68% van de seropositieven zijn toch nog altijd homo’s, daar mogen we toch niet blind voor zijn.”
In jullie blaadje wordt het Citadelpark als rendez-vous punt opgegeven. Maar in het park worden ook vaak homo’s overvallen. Is dat dan wel verstandig?
Fernand: “Ja, daar hebben we al over gediscussieerd en ikzelf vind dat b.v. niet verstandig, nee, maar dat is dan mijn persoonlijke mening.”
Heb ik het verkeerd voor dat buiten delinquent gedrag dat vergelijkbaar is met hooligans, dat er dan ook nogal wat onderdrukte homoseksuelen zouden kunnen bijzitten, bij die ‘gay bashers’? Mensen die met hun eigen gevoelens eigenlijk geen weg weten en daarom maar anderen gaan lastig vallen? De Amerikaanse schrijver John Updike signaleert zelfs dat men onder erotiek steeds het zien van penissen in erectie verstaat: “Misschien zijn we allemaal wel homofiel?” suggereert hij. Gelukkig zullen niet àlle mannen zich in dit beeld herkennen, maar de overeenkomst tussen macho’s en sommige homoseksuelen is inderdaad soms verbijsterend…
Fernand is geneigd me bij te treden, maar Hans snijdt hem de pas af: “Homoseksualiteit en mannelijkheid zijn gewoon tegengesteld.”
Ik weet niet wat ik hoor: en de “cruising”-scene dan?
“Dat is gewoon uit tegenreactie dat ze een snor gaan dragen en spieren gaan kweken.”
Fernand: “Cruising was een grote leugen, want heel de lederscene is een theater. Je kan in de Boots in Antwerpen de vreselijkste scènes meemaken, maar dat is allemaal nep.”
Wil je nu niet katholieker zijn dan de paus?
Hans: “Nee, maar het zijn symbolen die botsen met elkaar. Een ‘echte man’ kan geen homo zijn. In een relatie moet de vrouw passief zijn en de man actief. Mannen willen dus geen ‘passieve’ homo-rol.”
Fernand: “Waarom weigeren gevangenen condomen, ook al is één op honderd seropositief, wat een zeer hoog percentage is. Ze zijn banger van een homo-identiteit dan van Aids.”
Waarmee we alweer een ander punt aanraken: het overnemen van het rollenpatroon, ook in een homoseksuele relatie. Ik wil niet veralgemenen, maar ik ken wel degelijk homo-koppels waarbij ik met de ene over het voetbal praat, terwijl de andere de afwas doet.
Hans: “En zelfs als dat nu zo is: so what? De mensen zeggen dat omdat ze de heteroseksualiteit op de homoseksualiteit willen projecteren. Ze willen bevestigd zien dat er een het mannetje is en een het wijfje.”
In jullie blad staan sommige, wat men zou kunnen noemen ‘gewone’ cafés als homo-vriendelijk opgegeven. Dit café, b.v. (de Sphinx, RDS) Wat bedoelen jullie daar eigenlijk mee? Want ik geloof toch niet dat jullie in andere cafés worden buitengeranseld of zo?
“Dat betekent gewoon dat het in die cafés gezellig is en dat er veel homo’s en lesbiennes komen. Dat is toch wel goed in Gent dat er veel van dergelijke cafés zijn, zodat het niet nodig is van echt in een ghetto te gaan kruipen.”
William: “Onze groep kwam vroeger bijeen in het Katholiek Universitair Centrum. Maar wij wilden mekaar méér zien en daarom gingen we bij bepaalde cafébazen vragen of we – als groep – welkom waren en dan waren erbij die dat niet wilden, alhoewel ze zelf homo-koppels waren.”
Dat vele cafés worden uitgebaat door homo-koppels is inderdaad geweten, de beste cafés in Gent worden door homo’s gerund (**)
“Wel, maar sommigen zeiden: wij kiezen daar niet voor, omwille van ons kliënteel.”
Fernand: “Ja, er zijn er nog altijd die denken dat het hun handel zal schaden, terwijl ik van mening ben dat het op dit ogenblik juist omgekeerd is, omdat het sympathiek overkomt.”
Maar als het dan toch geen specifieke homo-cafés zijn, waarom is zo’n lijst dan noodzakelijk? Bij herhaling is ook al gezegd dat ik het niet altijd zo seksueel mag zien, maar waarom willen jullie dan per se altijd mekaar opzoeken? Als ik met een vrouw uitga, wil dat daarom toch ook nog niet zeggen dat ik er nadien mee in bed wil?
Hans: “Er is gezegd: in de beginfase is het niet zo seksueel als men wel denkt. Maar nadien komt het seksuele er zéker bij kijken.”
Specifieke bars hebben eigenlijk nooit echt goed gescoord in de homobeweging. Het lijkt me zo’n beetje zoals progressieve hetero’s staan tegenover nightclubs en zo.
Hans: “Ik weet toch niet of het vergelijkbaar is met nightclubs, hoor.”
Ik heb het over het louter commerciële karakter en ook wel de link met ‘het milieu’. In die bars zijn het ook veel meer losse scharrels. Daarstraks prees William zich gelukkig dat hij al bij zijn derde keer ‘prijs’ had in die zin dat hij iemand leerde kennen die nu nog altijd bij hem is. Bij progressieve hetero’s is dat nu niet bepaald een vooraanstaand criterium. Dat homo’s standvastiger zijn dan hetero’s is dat een cliché?
Fernand: “Let op, dat kan juist dat cliché hebben veroorzaakt, want uit een studie blijkt dat eerst het geld, dan het huis en dan de kinderen, in die volgorde, een huwelijk in stand houden. En dat zijn dus allemaal zaken die bij ons niet van pas komen. De relatie op zich is dus bepalend voor de lengte. En als de fut uit de relatie is gaat men zonder spijt uit elkaar.”
Tom Lanoye zegt over homo-huwelijken: ik zal het nooit doen, maar het moet kunnen (***).
Hans: “Men gaat meer en meer de burgerlijke toer op, dat is waar. Maar iedereen moet doen wat hem of haar goeddunkt.”
Fernand: “Sommigen zitten wel met de frustratie dat ze reeds tien jaar of zo in een relatie zitten en dat het hen niet zoveel oplevert als een getrouwd koppel. Als er iemand sterft, is het allemaal voor niks geweest.”
Maar op een informatie-avond van Het Gehoor heeft een notaris toch méér dan bevestigd dat je niet hoeft te trouwen om je partner iets na te laten als je sterft? (****)
Fernand: “Maar je kunt geen lid worden van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen, om nu een stom voorbeeld te geven.”
Lach maar, maar twee volwassenen van +35 die van onbesproken levenswandel zijn, kunnen toch een kind adopteren? Maar wat heet ‘onbesproken levenswandel’ natuurlijk.
Fernand: “Nee. Je kan alleen maar persoonlijk een kind adopteren. Ik ken een koppel in Gent dat een procedure heeft ingezet en voorlopig loopt dat allemaal goed, maar het kind wordt door de ene geadopteerd en de vriend wordt de voogd.”
De buitenwereld kijkt daar natuurlijk angstvallig tegenaan, ook al zei William daarnet nog dat hij blij is dat zijn zoon hetero is. Maar dat is dan omwille van praktische problemen. Want wil je anderzijds die waarden niet op je kind overdragen? Dat is toch ook de reden waarom nu iedereen heteroseksueel wordt opgevoed, omdat die waarde wordt doorgegeven?
Hans: “Homoseksualiteit is geen waarde die ik uitdraag. Het is gewoon iets dat in mij zit en je kan daar dan ook niet iemand mee ‘besmetten’.”
EMILIENNE
In tegenstelling tot lesbianisme is in heterofiele mannelijke erotica geen plaats voor homofiele relaties. (Met de merkwaardige uitzondering van de allereerste pornofilms, dus bij de vorige eeuwwisseling, waarin mannen het – in verder heterofiele porno – evenzeer met mannen doen als vrouwen met vrouwen.) Heterofiele mannen hebben inderdaad niet de minste behoefte om eens een ervaring met een man door te maken, integendeel zelfs. Meestal voelt een man zich blijkbaar in zijn “mannelijkheid” aangetast als hij verplicht wordt naar homofiele esbattementen te kijken. Hij zal er dan ook eerder smalend over doen dan er door opgewonden te raken.
Als voorbeeld zou ik “Emilienne”, een boek van Claude des Olbes uit 1968 willen aanhalen. Het is duidelijk dat de naam een pseudoniem is en op het eerste gezicht is er ook geen enkel probleem: het is een mannennaam en het boek is in de ik-persoon geschreven en dat is eveneens een man, die Claude heet.
Nochtans. De familienaam “des Olbes” is uiteraard een anagram voor “de Lesbos”. Zo gezien kan Claude dan natuurlijk toch voor een vrouw staan, denk maar aan Madame Claude b.v.
Daar komt nog bij dat het het verhaal is van een man die er na negen jaar huwelijk ook nog een liefje wil op nahouden, waarna het liefje echter ook de intieme vriendin van zijn vrouw wordt. Uiteindelijk trekt hij zelfs aan het kortste eind: hij verliest zijn vrouw Emilienne en als zijn liefje Adilée een zwarte met de allures van een bokser als minnaar aantrekt, wordt hij tot haar genoegen ook door deze gesodomiseerd. Dit is zo uitzonderlijk in “heterofiele” erotiek door mannen dat ik me in dit geval – helemaal in tegenstelling tot bekend misogynist Herwig Leus – afvraag of achter deze man geen vrouw schuilt… “Emilienne” werd in 1975 verfilmd door Guy Casaril met Betty Mars als Adilée (die in de film wel Nouky heet), Nathalie Guérin als Emilienne en Pierre Oudry als Claude. Het is een halfslachtig gedoe, met een geforceerd optimistisch einde (dus niet de sodomisering, maar een happy reunion van het trio).
HOMO SPRAK MET…
Onbegrip, wantrouwen, angst voor de vrijheid van anderen liggen overigens vaak aan de basis van discriminerende trekjes in onze maatschappij. Daarom zijn homo-publicaties zo belangrijk; en dienen ze aan een zo ruim mogelijk publiek voorgesteld. Maar dan moeten ze ook degelijke informatie bevatten, leesbaar geschreven zijn, goed en niet te agressief gepresenteerd. Het omstreden « Heksenboekje » voldeed in generlei wijze aan die voorwaarden. En lijkt mij een waardeloos wapen in de strijd.
Hoe het dan wel kan werd aangetoond in de uitgave van Kritak « Heerlijk; over mannelijke homoseksualiteit ». In het eerste deel van het werk worden enkele homo’s aan het woord gelaten in interview-vorm. Zij vormen een keuze van homo-types (om zo’n onzinnige uitdrukking te gebruiken) : een nicht ofte verwijfde homo, een priester-homo, de gehuwde homo, de macho-homo, een sadomasochist, een homo die maatschappelijk en psychisch aan de grond zit…
Telkens boeiende gesprekken, mede dankzij de intelligente vraagstellers, ook dankzij de selectie die hier telkens mensen aan het woord laat die inderdaad wat te vertellen hebben, of jijzelf en de interviewer het nu al dan niet eens zijn met hun stellingen. Gewoon gesprekken met interessante mensen die openhartig praten over hun sociale, psychische, seksuele noden. En wat b.v. de schrijver Conrad Detrez te vertellen heeft over de politieke consequenties van zijn homo-bestaan is ook geen lulkoek.
EEN “MOETERTJE”
Het tweede deel van « Heerlijk » bevat enkele artikels over aspecten van de homoseksualiteit. Kurt Van Eeghem verhaalt zijn ervaringen met de gerechtelijke instanties na de « verleiding » van een min-achttienjarige; een uitstekende inleiding op de tekst over het betwiste artikel 372bis van het Belgische strafwetboek dat homo’s tot een latere seksuele meerderjarigheid doemt.
Verder wordt de balans opgemaakt van de houding die de politieke partijen in België aannemen tegenover homo’s en discriminatie, « Klein Links » blijft daar als enige positief uit te komen, met de KP op kop. Oef ! Hieruit blijkt hoe weinig echte inbreng de homo’s hebben. Ook de houding van de katholieke kerk wordt geschiedkundig verklaard en aan de kaak gesteld. Het boek besluit met een kwantitatief en kwalitatief overzicht van de homobeweging in Vlaanderen en Nederland.
De teksten zijn degelijk wetenschappelijk gefundeerd, informatief waardevol, nooit agressief-pamfletair maar wel duidelijk stelling-nemend. Dit boek lijkt mij voor wie leek is in de materie en ook voor wie er nauw bij betrokken is, een « moetertje ». Zeer sterk aanbevolen.
ISLAM EN HOMOSEKSUALITEIT
In de jaren tachtig werd er op scholen en op lerarenopleidingen dus redelijk veel aandacht besteed aan homoseksualiteit: er werden cursussen opgezet, lesmateriaal werd doorgelicht, vakbonden maakten zich druk om docenten die wegens hun seksuele voorkeur problemen op school ondervonden, decanen en mentoren werden erop geattendeerd dat problemen rond hun coming-out de prestaties van leerlingen nadelig kon beïnvloeden, en dergelijke. Kortom, het leek erop dat er een prettig soort gevoeligheid voor zulke kwesties ontstond.
Maar dat blijkt danig te zijn veranderd. Het hoger beroepsonderwijs is drastisch gereorganiseerd: allerlei opleidingen zijn bijeen geveegd vanwege de schaalvergroting die het ministerie afdwong, en op de daaruit resulterende onderwijs-conglomeraten is nauwelijks nog aandacht voor homoseksualiteit en pedagogiek. Tot mijn verbazing hoorde ik dat de lerarenopleidingen – waar ik zelf heb gestudeerd, en waar in mijn tijd (opa vertelt) cursussen roldoorbrekend onderwijs werden opgezet en interessant lesmateriaal werd vergaard – tegenwoordig niets meer aan zulke onderwerpen doen en dat alle kennis erover is weggesmolten.
Het wrange is dat homoseksualiteit tegelijkertijd een steeds prangender probleem wordt op scholen. Docenten die jarenlang geen doekjes wonden om hun seksuele voorkeur, en die niet de indruk hadden dat zulks hun functioneren belemmerde, merken nu ineens dat ze alsnog last krijgen: er zijn regelmatig leerlingen die het op ze voorzien hebben, die ze pesten, die agressief worden of in de klas luidkeels de meest vuige opmerkingen maken. En dat fenomeen heeft te maken met etnische achtergrond: het zijn vaak Turkse en Marokkaanse jongeren – of preciezer: jongens – die zich aan dergelijk gedrag te buiten gaan. O zo pijnlijk om te zeggen, juist omdat je zélf niet wilt discrimineren en geen voedsel wilt geven aan racisme in welke vorm ook.
De verhouding tussen Islam en homoseksualiteit is gecompliceerd. Het helpt dan niet altijd om je te realiseren dat zulks evenzeer geldt voor de verhouding tussen het Christendom en homoseksualiteit: wanneer je in Nederland bent opgegroeid, heb je – bijna uit de aard der zaak – de beschikking over een heel arsenaal aan tegenargumenten. Wie van jongsafaan ondergedompeld is geweest in een christelijke cultuur, weet waar de barsten zitten; en het wordt dan ineens heel makkelijk om mensen die zich op grond van religieuze argumenten tegen homoseksualiteit verzetten, op hun nummer te zetten. Door te zeggen dat de zwarte-kousen variant van het Christendom niet de enige is, bijvoorbeeld; of door er andere, meer liberale bijbelteksten tegenover te zetten en te wijzen op het bestaan van religieuze homo-organisaties, homoseksuele priesters en in de kerk ingezegende homohuwelijken. En de Paus, ach, daar lachen de meesten om in Nederland. Maar als Mohammed Rabbae, indertijd duo-lijsttrekker van GroenLinks, tijdens de verkiezingscampagne botweg roept dat “jullie” er maar aan moeten wennen dat “wij islamieten” homoseksualiteit nu eenmaal niet accepteren, zwijgt iedereen gegeneerd.
Wanneer het om de Islam en de Koran gaat, weten geboren & getogen Nederlanders zich immers doorgaans geen raad. Het zou vreselijk helpen indien autochtonen zich realiseren dat de Islam, evenmin als het Christendom, een monoliet is, en dat er minstens evenveel interpretaties over de Koran de ronde doen als over de bijbel. Je verdiepen in de cultuur is het beste wat je kunt doen, dunkt me; dan krijg je vanzelf oog voor de barsten daarin, en op grond daarvan argumenten voor een discussie. Of een wederwoord.
Verhalen en boeken lezen is daartoe een uitstekend middel, en nog plezant bovendien. Ik heb Hafid Bouazza’s bundel “De voeten van Abdullah” (Arena, 1996) derhalve om diverse redenen met genoegen gelezen. Prachtige verhalen, mooi geschreven, en het barst er van de homoseksuele handelingen. Niet dat de mannen in kwestie zich ooit als homoseksueel zouden definiëren – ze kijken wel uit – maar zowat alle jongens die in de bundel voorkomen, maken kennis met de zinnelijke liefde via hun contacten met volwassen mannen. Of soms met een schaap, dat kan ook. En een schitterend wapen in discussies met mensen die de Islam voorstellen als homofoob. Wat te denken van passages als: “Het klimaat in Marokko doet een jongen snel oud worden. We hadden die zachtheid verloren, die zo geliefd was bij de imam van de moskeeschool en de jongemannen van het dorp die de huwbare leeftijd hadden bereikt. De schoot van de imam, die ons het Arabisch alfabet en enige verzen uit de Koran moest bijbrengen, waren wij al ontgroeid en op de schoot van zijn niet al te smetteloze djelleba, die ooit onze billen had gedragen, zaten nu andere knapen…”
In Het Parool vertelde ooit een docent hoe succesvol een dergelijke strategie was. “Het hoofd van de school en zijn collega’s drongen er bij hem op aan z’n homoseksualiteit voortaan maar liever te verbergen: z’n allochtone leerlingen ‘zouden daar nog niet aan toe zijn’. En inderdaad, zodra ze doorkregen hoe de vork in de steel zat begonnen ze “hibne” tegen hem te sissen, het Turkse woord voor ‘flikker’. De man besloot er in de klas een discussie aan te besteden. In die les beweerden de Turkse jongens dat homoseksualiteit vies was, want “homo’s gaan door het raam in plaats van door de deur naar binnen”. De man, niet op z’n achterhoofd gevallen, wierp tegen dat Turkse mannen dat voor het huwelijk ook vaak doen bij hun Turkse verloofdes, om hun maagdelijkheid te sparen. Waarna de jongens in hun hemd stonden en het gesis verleden tijd was.” Aldus Karin Spaink.
Het probleem doet zich overigens niet enkel bij de islam voor, ook de eeuwige erfvijand, het jodendom, kent er wat van. Zo werden de aardbevingen die in 2008 voelbaar waren in Israël toegeschreven aan de groeiende acceptatie van homo’s. Dat was althans de mening van Shlomo Benizri, parlementslid van de joods-orthodokse Shass-partij. Hij baseerde zich hierbij op de Talmoed, waarin staat de God “de wereld zal doen schudden om u wakker te maken als gij uw voortplantingsorganen plant waar gij niet moogt komen.” To boldly go where no-one has gone before.
UITSMIJTER
Tinky Winky is homo! De Amerikaanse dominee Jerry Falwell, hoofd van de Moral Majority, schreef in februari 1999 in het blad van de beweging “National Liberty Journal” dat dit paarse poppetje dat met een mannenstem spreekt en toch een tasje draagt overduidelijk publiciteit voert voor homofielen. Bovendien draagt hij ook nog een driehoek op z’n kop!

Ronny De Schepper (o.a. in De Rode Vaan nr.26 van 1982)
(met dank aan Johan de Belie voor de recensies)

(*) In “De dokter is uw kameraad niet” van Louis Van Dievel (2020) lezen we dat “kameraad Kris M. schrijft dat homoseksualiteit een ziekte is die door en onder het socialisme genezen wordt.”

(**) Ik spreek natuurlijk over de periode toen het interview plaats had. Toen werden mijn drie lievelingscafés in Gent door homo-koppels uitgebaat: de Butterfly aan de opera, de Grote Avond en De Gentenaar.
(***) Dan is hij ondertussen dus klaarblijkelijk van mening veranderd…
(****) “Terwijl niet veel mensen nog in het huwelijk geloven, zijn er wel nog veel mensen die in de mogelijkheid van liefdesverhoudingen geloven. Het samenlevingscontract speelt hierop in. Zo’n contract gaat men dikwijls bewuster aan dan een huwelijk. De kritiek ertegen kan enkel afkomstig zijn van mensen die er niet over nagedacht hebben.” (Gerard Mortier in DM, 30/12/1995)

Referenties
Dirk Cantillon e.a., Een ander strand, stichting Rozengeur, Antwerpen, 1982, 155 blz., 345 fr.
Mireille Cottenjé, De verkeerde minnaar, Manteau, Antwerpen, 1982, 209 blz., 325 fr.
Ronny De Schepper, “Tolerantie tegenover homoseksualiteit neemt inderdaad toe… zolang het ver van je bed is”, De Rode Vaan nr.26 van 28 juni 1991
De Graankorrel, Groeien in tederheid, Lannoo, Tielt, 1982, 239 blz., 398 fr.
Het LEF-collectief, Het Vlaamse Heksenboekje, Masereelfonds, Gent, 1981, 120 blz., 265 fr.
Kurt Van Eeghem e.a., Heerlijk; over mannelijke homoseksualiteit, Kritak, Leuven, 1982, 226 blz., 395 fr.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.