Praten met Tejo Cockx over de Pionierkes

Het is vandaag 35 jaar geleden dat het Pioniersverbond van België werd omgevormd tot de Vlaamse Federatie van Pioniers. En dat was meer dan gewoon een naamsverandering, zoals blijkt uit dit interview met toenmalig voorzitter Tejo Cockx…

De Pionierkes bestaan dus niet meer. Wordt dit dan een soort in memoriam ? Een al dan niet nostalgisch terugblikken met nationaal secretaris Tejo Cockx ? Een stuk volledig afgestemd op het verleden ?
Zeker niet. Het Pioniersverbond van België is dood, leve de Vlaamse Federatie van Pioniers, dát is de leuze. En alhoewel we af en toe even zullen omkijken zonder wrok, wordt deze babbel vooral een bouwsteen voor de toekomst. Er zal inderdaad moeten gewerkt worden. Maar men is optimistisch in het hoofdkwartier gelegen aan de Geldenaakse baan nr. 120 te Leuven !
Het Pioniersverbond van België werd ten grave gedragen op het Tweede Vlaams Congres van deze jeugdbeweging op 25 november en 16 december 1979. Na dit congres kwam er een platformtekst tot stand die door de vergadering werd goedgekeurd. We gebruiken deze tekst (die gratis te verkrijgen is op het bovenvermelde adres) als rode draad voor een gesprek met Tejo Cockx, dat — hoe kan het ook anders — daarbij nog inpikt op het verschijnsel jeugdbeweging anno 1980 in het algemeen.
BREUK
— Was dat Tweede Vlaams Congres statutair voorzien of was het een buitengewoon congres ?
T.C. :
Eigenlijk een buitengewoon, maar dan in die zin dat er sinds ’76 geen congres meer had plaats gehad, daar waar in de statuten bepaald is dat er tweejaarlijks een congres moet gehouden worden. Wij hebben tot de bijeenroeping van dit congres besloten n.a.v. discussies die er intern waren op kaderweekends, algemene vergaderingen, bureauvergaderingen e.d. We vonden dat het moment gekomen was om opties die reeds zolang naar voren werden gebracht om die nu eens definitief op papier te zetten. Men zou dus kunnen stellen dat dit congres reeds zes of zeven jaar werd voorbereid. Daar staat tegenover dat tot in ’72 er zelden werd nagedacht over vragen als « Welke jeugdbeweging moet de Pioniers zijn ? », « Hoe stellen wij ons op ? » en zo. Daar is in ’72 voor de eerste maal een congres aan gewijd, waarop eigenlijk de Pioniers in een organisatievorm gegoten zijn. Waarbij men natuurlijk twijfels kan hebben over de juistheid van de vorm die daar gekozen is. In ’74 werden op een toen nog unitaire conferentie de besluiten van dat congres getoetst en legde men een aantal oriëntaties vast, waarmee dan gewerkt werd tot in ’76, het jaar van de breuk met de Waalse Pioniers. Dit werd statutair vastgelegd in een regionalisatie. En sindsdien zijn er binnen de Vlaamse pioniers voortdurend discussies geweest, die vooral het gevolg waren van het toetreden van een hele hoop jonge mensen uit nieuwe milieus, hoofdzakelijk uit het katholieke milieu, dus niet langer uit het milieu van de KP.
— Daarover zo dadelijk meer. Eerst dit : het gebruik van het woordje « breuk » laat vermoeden dat de opsplitsing in een Vlaamse en een Waalse federatie meer was dan een louter linguïstische reorganisatie ?
T.C. :
Er waren inderdaad ook meningsverschillen op ideologisch vlak, maar ook wat de strategie betreft. ’t Is duidelijk dat het jeugdwerk zoals het zich heeft ontwikkeld in de beide gewesten een aparte strategie vergt. Het jeugdwerk in Vlaanderen is hoofdzakelijk katoliek geïnspireerd, maar ook het katholieke jeugdwerk is voortdurend in evolutie en vernieuwt zichzelf vrij snel. Terwijl het jeugdwerk in Wallonië over het algemeen nog vrij conservatief is.
— En in Vlaanderen treden vele van die jongeren uit het katholieke milieu dus toe tot de Pioniers. Is dit regionaal gedetermineerd ? Of spelen daar nog andere factoren een rol ?
T.C. :
Men zou kunnen zeggen dat overal in Vlaanderen waar tussen ’74 en ’79 nieuwe groepen zijn tot stand gekomen, dit meestal gebeurd is onder impuls van mensen die uit het katholieke jeugdwerk kwamen.
— En werd daarover dan gepraat hoe het kwam dat zij niet langer binnen de katholieke zuil aan jeugdwerk wilden doen ?
T.C. :
Ik wil daar zeer voorzichtig in zijn, maar ik denk dat twee motiveringen hiervoor aan de basis liggen. Enerzijds zijn dat een serie mensen die zichzelf en hun idealen niet meer herkenden in het katholieke jeugdwerk. Maar ik vrees ook dat een aantal mensen bij de Pioniers zijn terecht gekomen omdat zij het niet eens waren met de vernieuwingen binnen het katholieke jeugdwerk. Dat zij dus eigenlijk bij de Pioniers zijn gekomen omdat het op dat moment nog een vrij traditionele jeugdbeweging was. Trouwens de jeugdbeweging als dusdanig is ook de meest traditionele vorm van jeugdwerk.
TOTALE OPVOEDING
— Wat is er eigenlijk nog specifiek aan een jeugdbeweging na al die vernieuwingen van de jongste jaren ? Dat ze zich tot een bepaalde leeftijdsgroep richt ?
T.C. :
Zoals ze gegroeid zijn en zoals ze erkend worden door het Ministerie van Cultuur zouden de jeugdbewegingen eigenlijk de meest volmaakte vorm van jeugdwerk moeten zijn. Het is een vorm waarin men zich bezighoudt met de opvoeding in zijn totaliteit. Ik denk dat dit karakteristiek is voor de jeugdbeweging. Sinds ’68 is men wel — vooral binnen het katholieke jeugdwerk — zich een aantal vragen beginnen te stellen. Men is dan een aantal nieuwe technieken, nieuwe werkvormen gaan uittesten. De meeste jeugdbewegingen staan dan ook momenteel een stukje verwijderd van die oer-opvatting, zoals die b.v. voor de scouts door Baden-Powell is neergeschreven.
— Maar is die « totale opvoeding » niet slechts tot op een bepaalde leeftijd mogelijk ?
T.C. :
De taak die nu voor de jeugdbeweging is weggelegd, is van zich te specialiseren. Zich meer en meer te richten op de verschillende interesses van de kinderen en ook op het werken met vaste leeftijdsgroepen. Wat trouwens vroeger ook al gebeurde in de jeugdbeweging maar waar men inderdaad de totale opvoeding centraal stelde. En dát is eigenlijk verkeerd, denk ik, en dat merkt men ook aan de evoluties binnen de verschillende jeugdbewegingen.
— Traditioneel gebeurde dat inderdaad reeds jaren, maar het had een hiërarchisch aspect. Alhoewel leeftijd een feitelijk gegeven is, werd er op een overgang van de ene leeftijdsgroep naar de andere zelfs een ritueel gekleefd… Ik meende toch te begrijpen dat u dáárvan wil afstappen en tot een grotere soepelheid komen ?
T.C. :
Daar willen wij zeker van afstappen ! De opvoeding van een kind moet kunnen gebeuren binnen beweeglijke structuren en ook binnen het groepswerk. Het overstappen naar een andere groep mag dus zeker niet het onderwerp worden van een bepaalde competitie.
WAARDEN
— In die optiek is de kritiek die u hebt op de katholieke jeugd¬bewegingen (in het platform staat : « ze maken er sociaal-zwakke individu’s van, vol van spanningen, angst, ontevredenheid, onmacht, onbeantwoorde vragen en onderdrukte gevoelens ») merkwaardig, evenals de terechte optie die u neemt op « sociaal-sterke individu’s te vormen ». Het is dus duidelijk dat we hier te maken hebben met nieuwe inhouden voor de noties « zwak » en « sterk » ?
T.C. :
Wij bedoelen daarmee eigenlijk dat in het katholieke jeugdwerk, van waaruit alle nieuwe jeugdwerkvormen, zoals kinderateliers, muziekscholen, tienerateliers, jeugdhuizen… ontsproten zijn, dat men daar zeer goed heeft ingezien dat de jeugdbeweging zijn aantrekkingskracht aan het verliezen was en dat men dus moest zoeken naar nieuwe werkvormen. Terecht. Maar men heeft die nieuwe opvoedkundige technieken eigenlijk nooit in verband gebracht met de opvoeding van het kind als weerbaar individu. Het katholieke jeugdwerk blijft dus eigenlijk een recuperatie-mechanisme bij uitstek, waarmee ik bedoel dat zij de kinderen opvoeden zonder hen een kritische blik op de samenleving waarin zij leven bij te brengen. Zij blijven dus eigenlijk belang hechten aan dezelfde waarden, alleen de technieken verschillen. Het egoïsme, het individualisme en zo wordt dus niet afgebouwd bij de kinderen.
— Eerder gekamoefleerd dus. Welke waarden stellen jullie dan voorop ?
T.C. :
De waarden die wij vooropstellen zijn : creativiteit, genot en genegenheid (wat zeer belangrijk is in het jeugdwerk maar meestal werd verwaarloosd), een rechtvaardige en evenwaardige kind-volwassene en meisje-jongen verhouding, uiteindelijk – hoe verwonderlijk dat ook mag klinken — zijn de Pioniers van in ’45 of ’46 de enige jeugdbeweging in Vlaanderen die de coëducatie altijd volwaardig heeft toegepast. Het is pas sinds de laatste jaren dat dit inzicht ook in het katholieke jeugdwerk is doorgedrongen.
— Ook het andere is belangrijk : de evenwaardige kind-volwassene verhouding. Het is mij opgevallen dat in de tekst van uw platform nergens het woord « leider » opduikt, nochtans een courant gegeven binnen de structuur van een jeugdbeweging.
T.C. : Inderdaad. Wij vinden het ook zeer belangrijk dat er gestopt wordt met jongeren van zestien, zeventien, achttien jaar, die eigenlijk nog aan zichzelf moeten werken, met die een verantwoordelijkheid te geven. De mensen die verantwoordelijkheid moeten dragen voor kinderen, moeten volwassenen zijn, die met zichzelf in het reine zijn.
BEWUST ENGAGEMENT
T.C. : Een andere serie van waarde zijn samenwerking, bewust engagement, zelfontplooiing, rechtvaardigheid en vooral wat de organisatie betreft : zelfbeheer en zelfdiscipline.
— Mag ik even advocaat van de duivel spelen ? In bepaalde milieus zal « bewust engagement » als « indoctrinatie » worden afgedaan en « zelfdiscipline » zal men ook als een lachertje bestempelen : kinderen hebben nu eenmaal leiding nodig, weetjewel…
T.C.
: Als wij als belangrijke waarde « bewust engagement » stellen, dan denk ik dat wij in se tegen indoctrinatie ingaan. Omdat indoctrinatie leidt — en geleid heeft, vooral — tot een engagement waarvan de kinderen zichzelf niet bewust zijn. « Bewust engagement » veronderstelt een aantal accenten in de opvoeding die verlegd worden. Ook daar hebben wij een waslijstje van opgesteld : wij willen te werk gaan volgens een zachte pedagogische aanpak, wij stellen ons dus duidelijk tussen de twee extremen, de anti-autoritaire en de autoritaire opvoeding. Wij willen ook bestaande rolpatronen, taboes en vooroordelen doorbreken, nieuwe leefvormen en minderheden demarginaliseren. Dat allemaal met de bedoeling niet zozeer een model te bieden aan de kinderen, maar om de medaille geregeld om te keren. Kinderen worden nog steeds voor het grootste gedeelte opgevoed in de school en in het gezin, waar die waarden hen niet worden bijgebracht, integendeel waar maatschappij-bevestigende waarden overheersen, en dan is het eigenlijk in het jeugdwerk al belangrijk dat men het nu ook eens vanuit een andere hoek bekijkt. Alhoewel dat natuurlijk niet voldoende is.
— Tot hiertoe, als ik dan al opwerpingen heb gemaakt, ben ik daarvoor in de huid gekropen van conservatieve figuren. Nu, met uw optie om niet anti-autoritair te werken, kunt u ook kritiek verwachten uit de hoek van mensen die zichzelf toch progressief noemen ?
T.C.
: Ik heb daar twee antwoorden op. Ten eerste met dit platform willen wij op korte en middellange termijn werken en daarmee bedoel ik dat wij daarmee nu in Vlaanderen moeten werken en dat de ervaringen die er tot nu toe geweest zijn met groepen die zich bezighouden met anti-autoritaire opvoeding voor ons duidelijk experimenten geweest zijn die voorbestemd waren voor elites. Ten tweede kunnen wij ons zeer moeilijk indenken dat kinderen die in de huidige maatschappij leven en die een strikt anti-autoritaire opvoeding krijgen, weerbaar gemaakt zijn tegenover die maatschappij. Het worden kinderen die voortdurend met hun kop tegen de muur zullen lopen, behalve wanneer die anti-autoritaire elementen tot in het oneindige kunnen voortgaan, maar dat is dus duidelijk voorbestemd voor een elite ! Ik denk b.v. aan de scholen. De alternatieve kleutertuinen die bestáán. Maar als men de kinderen daar niet het slachtoffer wil maken van een pedagogisch experiment vereist dit dat men daarna ook een anti-autoritair lager onderwijs heeft en gevolgd door een middelbaar enz. En dat die jonge volwassenen dan achteraf in een maatschappij terechtkomen die dat accepteert. Maar onze maatschappij is daar gewoon niet rijp voor.
— We zouden dus naast de termen sociaal-sterk en sociaal-zwak voor dit geval het begrip « sociaal-onaangepast » kunnen invoeren ?
T.C.
: Absoluut. Daar waar wij met onze bevrijdende opvoeding mensen willen opvoeden tot weerbaarheid.
KERNEN
— In uw statuten legt u de nadruk op het werken met plaatselijke kernen en ook op de samenwerking op lokaal vlak met andere organisaties, m.a.w. op een soort van bondgenootschappenpolitiek ?
T.C.
: Tot nog toe hebben wij ons concurrentieel opgesteld t.o.v. vooral het katholieke jeugdwerk. In de toekomst willen wij ons aanvullend opstellen. Het is dus vrij duidelijk dat indien wij leemtes willen vullen, wij zullen moeten samenwerken met organisaties die de leemtes vertonen.
— En is die wil bij de andere organisaties aanwezig ?
T.C.
: Uit de eerste contacten, vooral in het Leuvense en het Antwerpse, blijkt vrij grote interesse te bestaan voor ons platform en voor onze manier van werken.
— Men wenst ook actief het plaatselijke jeugdbeleid te volgen. Betekent dat gewoon deelnemen aan de diverse jeugdraden of er meteen voor zorgen dat deze jeugdraden nu eindelijk ook eens wat beter gaan functioneren ?
T.C.
: Onze vertegenwoordigers moeten binnen de jeugdraden zeker strijden voor het uitbreiden van de democratische werking en ook duidelijke standpunten innemen over wat er in hun wijk of hun gemeente gebeurt voor de kinderen en voor de jongeren. En hiervoor zullen zij bondgenoten moeten zoeken. Wij kennen dus aan de plaatselijke kernen een bepaalde politieke rol toe, hoofdzakelijk voor wat het jeugdbeleid betreft. Hoe men dat zal doen hangt volledig af van de plaatselijke omstandigheden. Dat is dus erg belangrijk voor dit platform : wij gaan niet meer af op een model dat overal hetzelfde moet zijn, zowel in Zichen-Zussen-Bolder als in Brussel. We komen hier dus dicht in de nabijheid van buurtwerk. Die werking kan dus ontplooien als kinderatelier of als jeugdfilmclub of als jeugdhuis al naargelang van de plaatselijke noden. Het kan zelfs gewoon een groep van volwassenen zijn die regelmatig een aantal avonden over de jeugdproblematiek inrichten.
JAARPROGRAMMA
– Tweemaal per jaar komen dan die afgevaardigden van elke kern samen in een algemene vergadering waarop dan een jaarprogramma wordt uitgewerkt. Die afgevaardigden dat zijn uiteraard volwassenen ?
T.C.
: Ja, want er is iets dat erg belangrijk is maar dat uit het platform niet zo direct blijkt. Het is immers zo dat het eigenlijk volwassenen zijn die zich solidair engageren om in de zin van dit platform met kinderen te werken. Het zijn dus niet meer de kinderen die lid zijn van de beweging. De kinderen zijn lid van de plaatselijke kernen. En in die zin zijn ook de ouders niet rechtstreeks gebonden aan het platform.
— Dat lijkt mij een vrij unieke vorm van organisatie van een jeugdbeweging. Stelt dit dan geen probleem op nationaal vlak wat subsidies en zo betreft ?
T.C.
: Het Bestuur voor Jeugdvorming heeft reeds ingezien, menen wij, dat er eigenlijk geëxperimenteerd wordt binnen alle jeugdbewegingen. Dat mag dus zeker geen probleem opleveren voor wat de erkenningscriteria betreft aangezien nu i.p.v. de kinderen de kernen lid zijn van de beweging en de kinderen aangesloten zijn bij de kernen, die voor hen verzekering e.d. betalen.
— Bestaat er op dit moment al een dergelijk programma ?
T.C.
: Neen. De eerstvolgende algemene vergadering zal plaats vinden ofwel vlak voor ofwel tijdens de grote vakantie en daar zal een jaarprogramma worden samengesteld voor ’80-’81, vermits er gewerkt wordt met schooljaren. Tot zolang wordt het jaarprogramma verder uitgevoerd dat voorzien was, uiteraard aangepast aan de gewijzigde omstandigheden wat kadervorming en vakanties betreft b.v., maar de nadruk wordt vooral gelegd op het uitbouwen van de organisaties en op het functioneel maken van de vorming.
AUTONOMIE
— In het kader van de autonomie t.o.v. de KP worden twee op te richten organisaties in het vooruitzicht gesteld : de Confederatie van Marxistisch Jeugdwerk en een Jeugddienst voor Kadervorming ?
T.C.
: Iedereen in Vlaanderen die met jeugdwerk bezig is weet dat de Pioniers ontstaan zijn op initiatief van de KP, dat zij tot ’76 organisatorisch zeer nauw verwant waren met de KP, dat zij tot en met ’79 er financieel door werden gesteund. Maar hiermee zal in de toekomst moeten worden gebroken. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat wij volledig afstand nemen van de KP, maar wij willen ons vooral bezighouden niet jeugdwerk. Dat betekent dat wij wat jeugdbeleid betreft ons zowel tot de KP als tot andere partijen in Vlaanderen zullen wenden, maar dat wij als marxistische jeugdbeweging op de eerste plaats zullen te rade gaan bij de ideeën die verspreid worden door de KP, dat wij in onze analyses ook rekening zullen houden met de analyses van de KP.
Maar het is wel zo dat men zeker niet meer kan zeggen dat men bij de Pioniers « kleine communistjes » kweekt. Wij willen met socialisten, christenen, communisten, zelfs Vlaams-nationalisten samenwerken op basis van een visie op de opvoeding. We werken dus in een geest van marxistisch pluralisme. In die sfeer werken we samen met de KJB aan de oprichting van een Confederatie van Marxistisch Jeugdwerk.
— Men zou natuurlijk kunnen opwerpen dat u hiermee de verzuiling verder in de hand werkt…
T.C.
: Luister, we leven nu eenmaal in een verzuilde maatschappij, je kan dat betreuren, maar in de gegeven omstandigheden is zo’n marxistische koepel er nodig ! Het platform voor die koepel zal worden uitgewerkt door de Jeugddienst voor Kadervorming. Wij denken wel dat mensen die zich niet meer thuisvoelen in hun zuil op basis van dat platform met ons kunnen samenwerken.
— Hoe zal dat platform er min of meer uitzien?
T.C.
: Wij streven naar een marxistisch jeugdwerk met een eigen gezicht. Daarom hebben wij afstand genomen van het model van de jeugdbewegingen in de socialistische landen, een model dat wel werd overgenomen kort na de oorlog en zelfs nog in ’72. De reden voor die koerswijziging is dat wij niet langer akkoord kunnen gaan met de opvoedingsvormen die daarmee corresponderen. Een dergelijke jeugdbeweging is immers nogal autoritair gestructureerd en werkt maatschappij-bevestigend. Zo eist men onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, discipline, legt men de nadruk op competitie en vaderlandsliefde en over het algemeen kan men zeggen dat het er nogal militaristisch aan toe gaat.
SLOEBERGAZET
— Wat zijn de objectieven voor de nabije toekomst?
T.C.
: De eerste vereiste is de organisatie uit te bouwen vooral wat de vorming betreft. Er dient hierbij aangestipt dat de marxistische visie op vormingswerk en pedagogie nog in de kinderschoenen staat. Daarnaast willen wij ook onze pogingen om een nieuwe kindercultuur te verspreiden verder zetten. Dat betekent dus concreet dat we nog meer inspanningen gaan leveren om de Sloebergazet, die nu reeds een groot succes is, ze wordt zelfs op sommige scholen gebruikt, te verspreiden. Ook willen we wat meer theoretisch werk afleveren in de vorm van brochures en op korte termijn plannen we ook een eigen verspreidingscentrum voor deze uitgaven en natuurlijk ook voor andere uitgaven die in dezelfde lijn liggen als de onze.

Ronny DE SCHEPPER

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.