Doo-wop

23 the chordsVandaag is het zestig jaar geleden dat The Chords (foto 1) “Sh-boom” hebben opgenomen. Zoals het vaak gebeurde in die tijd werd het pas een grote hit (negen weken nummer één) in de versie van een blanke groep, met name The Crew Cuts die afkomstig waren uit Canada (foto 2). Misschien is het daarom dat mijn Canadese vriend Alcide met deze opname de rage van de doo-wop groepen laat beginnen. Uiteraard is dit een standpunt waarmee niet iedereen kan akkoord gaan. Er zijn zeker voorlopers van het genre aanwijsbaar (zie verder). Maar misschien heeft Alcide een punt met aan te geven dat het refrein (“Sh-Boom, Sh-Boom, Yeah, da-da-da-da-da-da-da-da-da-da”) doorslaggevend was voor al wat nog zou volgen. Hoe dan ook, in 1954-55 was de explosie een feit. Volgens sommige muziekhistorici moeten er toen om en bij de 15.000 doo-wop groepjes zijn geweest, maar dat cijfer wordt door anderen in twijfel getrokken: een 0 minder benadert de waarheid meer, vinden zij.26 crew cuts

Doo-wop is oorspronkelijk een a capella-muziekstijl die in de jaren twintig in de Verenigde Staten opkwam onder de zwarte bevolking. Al tamelijk vlug werden instrumenten toegevoegd, maar de nadruk bleef toch op de close harmony liggen en op de begeleidende vocals die vaak het kenmerkende “doo-wop”geluid voortbrachten. De gospel was de basis: een hoog falsetto-stemmetje, een diepe bas en nog twee of drie background-vocalen. En net als in de gospel, was er het vraag-en-antwoord-spelletje dat ook in de doo-wop werd gebruikt. De lead-stem zong iets voor en de anderen antwoordden. In het begin ging het hoofdzakehjk om ooh’s en aah’s, later werd het iets “gesofistikeerder”: shoo-bop’s of doo-wop’s en varianten daarop kwamen erbij. En het genre kreeg daarvan zijn naam.
Vanaf de jaren dertig waren er al zwarte vocale groepen, die succes hadden. De eerste belangrijke naam in het genre waren de zogenaamde Mills Brothers. Zij ontstonden in 1930 en hadden een jaar later reeds een eerste hit met “Tiger rag”. Ruim twintig jaar hielden zij stand en scoorden in 1952 nog een hit met “Glowworm”.
Zij waren het lichtende voorbeeld voor groepen als The Charioteers, The Delta Rhythm Boys, The Four Knights, The Deep River Boys, The Four Tunes (ook wel gekend als The Sentimentalists) en vooral The Ink Spots (foto 3).
Dit kwartet kwam voor het eerst op de voorgrond omstreeks 1938. Zij begonnen als jazzvertolkers maar schakelden vlug over op ballades. Zij waren vooral populair tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar op het einde daarvan overleed baszanger Orville “Hoppy” Jones. Dit was het begin van het einde van de groep die in 1948 uit elkaar ging.
Enkele van hun hits: “Whispering grass”, “I’ll never smile again”, “We’ll meet again”, “Stompin’ at the Savoy” (later een instrumentale hit van altsaxofonist Earl Bostic) en “Into each life some rain must fall”, samen met Ella Fitzgerald.
Maar het waren The Ravens, gevormd op het einde van de tweede wereldoorlog, die op massale schaal doorbraken en aanleiding gaven tot honderden andere groepen. In 1947 namen zij “Old Man River” op en verkochten er meer dan een miljoen exemplaren van, in Harlem alleen al. Snel daarna kwamen Sonny Til and the Orioles, van wie de grootste hit “Crying in the chapel” was en daarna volgde nog een collectie groepen die zich ook allemaal naar vogels noemden: Sparrows, Swallows, Cardinals, Wrens, Robins, Penguins, Crows. Veel van die groepen waren verbonden met het Atlantic-label, een platenfirma die in 1947 werd opgericht door de broers Ertegun en Herb Abramson, die kenners en liefhebbers waren van de zogenaamde “race music”. Men mag inderdaad niet vergeten dat de platenmarkt in die tijd nog zwaar verdeeld was: zwarten maakten door de band de betere muziek en blanken jatten die, maakten er futloze covers van en pakten de poen. Ook veel doo-wop groepen hebben onder die praktijken geleden, zoals het aangehaalde voorbeeld: “Sh Boom” van The Chords, gejat door The Crew Cuts.
LITTLE ANTHONY AND THE IMPERIALS
In dezelfde stijl werkten ook Little Anthony and the Imperials. Anthony Gourdine heeft vanaf 1955 enkele groepjes, het ene met nog minder succes dan het andere. In 1958 vormt hij The Chesters en ze debuteren met “Tears on my pillow”. Het platenlabel End ziet er iets in en herdoopt de groep in The Imperials. De legendarische deejay Alan Freed voegt er “Little Anthony” bij en met “Tears on my pillow” boeken ze onmiddellijk hun enige million-seller, al hebben ze nadien nog een ganse reeks mindere hitjes.
FRANKIE LYMON AND THE TEENAGERS
In 1956 duiken Frankie Lymon and the Teenagers de hitparade binnen met “Why do fools fall in love”. Frankie is op dat moment dertien jaar. Zijn beroep is op dat moment… jonge zwarte prostituées ronselen voor oude blanke mannen. Daar was hij al mee begonnen toen hij elf jaar was. ’t Ging dus allemaal vlug bij Frankie. Hij zal trouwens amper 26 jaar worden. In 1968 overlijdt hij aan een overdosis heroine. Voor zijn erfenis melden zich niet minder dan drie weduwen, waaronder Zola Taylor, de zangeres van The Platters. Bij één van de drie, Elizabeth Waters, komt vrij vlug vast te staan dat het huwelijk niet geldig was omdat zijzelf nog niet gescheiden was van haar vorige man. Zij is echter wel de enige die een dochtertje had van Frankie. Een dochtertje dat weliswaar op tweejarige leeftijd reeds was overleden.
Ook Joe Negroni en Sherman Garnes, twee andere “teenagers” zijn op jeugdige leeftijd gestorven, zij het aan “normale” ziektes (de eerste een hersentumor, de tweede een open hartoperatie, weliswaar… in de gevangenis).
THE COASTERS
Ook The Coasters ontstonden in 1955 uit een in Los Angeles gevestigde groep: the Robins. Bij geen enkele andere doo-wop groep kwamen ooit de onderscheiden stemmen zo duidelijk tot hun recht. Vaak met een wisselende lead-partij. Zo zong Richard Berry “Riot in cell block n°9” naar de top, Bobby Nunn “Framed” en Carl Gardner “Smokey Joe’s Cafe”. Deze nummers verschenen nog op het Spark-label, waarna ze in 1957 de aandacht trokken van de Ertegun-broertjes bij Atlantic, dat hen opnam op het Atco-label. In handen van het legendarische schrijversduo Jerry Leiber en Mike Stoller, die ook als producers optraden, brachten ze enkele van de markantste rock’n’roll-platen aller tijden op de markt, te beginnen met “Searchin’” (1957). Hierna verlieten Bobby Nunn en Leon Hughes de groep en “Yakety Yak” en “Charlie Brown” (*) in 1958 werden dan ook opgenomen met Carl Gardner en Billy Guy die voor de gelegenheid versterking kregen van Jessie Young en Will “Dub” Jones. Jessie Young verdween even snel als hij gekomen was en samen met Cornell Gunter werd dan het rijtje van “Along came Jones”, “Poison Ivy” (alle uit 1959) en “Little Egypt” (uit 1961) volgemaakt.
Het zijn zonder uitzondering pareltjes van humor (hun live-show was een gechargeerde dolkomische kabaret-routine), inventief geconstrueerd en technisch perfect opgenomen. Vandaar dat men zo op zijn hoede moet zijn voor later uitgebrachte remakes. Zelf heb ik in de kast b.v. een elpee staan die “The World Famous Coasters” heet en inderdaad alle hits van deze fantastische groep uit de jaren vijftig bevat, maar… in remake-versies uit de jaren zeventig die duidelijk de stempel dragen van de toenmalige disco-rage. Zonder tot disco te zijn verwerkt – zo erg is het gelukkig nu ook weer niet! – worden in de nieuwe opname de “onvolkomenheden” uit de oorspronkelijke registratie weggezuiverd, met alle gevolgen vandien: dit is een ontmande plaat, een plaat zonder kracht, zonder kloten. Als je deze elpee ooit tegenkomt in een platenzaak, loop er dan in een wijde boog omheen.
THE IMPALAS
Een speciale vermelding verdienen The Impalas, as they were a racially integrated group. Leadsinger Joe “Speedo” Frazier (born 5 September 1943, niet te verwarren met de bokser) was the only black member. The other Impalas (Richard Wagner, Lenny Renda, and Tony Carlucci) were white.
The group (**) formed in 1958 in Brooklyn, New York. They recorded for the small Hamilton record label before they were discovered by songwriters and promoters Artie Zwirn and Aristides “Gino” Giosasi, who had written the song “Sorry (I Ran All The Way Home)”. Early in 1959 disc jockey Alan Freed heard the group, added his name to the writing credits for the song, and secured them a deal with the MGM Records subsidiary label Cub. The record reached #2 on the U.S. pop chart, #14 on the R&B chart, and #28 in the UK Singles Chart.
The group recorded follow-ups including “Oh What A Fool”, and an album for Cub, and one further single for the 20th Century label, before disbanding in 1961. “Speedo” Frazier went on to sing with Love’s Own in 1973, and in 1980 resurrected the Impalas as a touring act.
Maar toen was het hoogtepunt al lang voorbij. Aan het begin van de jaren zestig waren er blanke groepen als Dion and the Belmonts en de Four Seasons, maar meer dan een kortstondige revival was het niet. De topgroepen verdwenen naar het bekende “oldies-revivalcircuit” en of en toe werd er een plaat gemaakt, die hetzij een doo-wop song hernam, hetzij gebaseerd was op de stijl, hetzij er naar verwees. Voor de vuist weg denk ik aan de Britse groep The Darts, die in de jaren zeventig enigszins populair was met een collectie door doo-wop beïnvloede platen (een hit van hen als “Come Back My Love” werd in 1956 al opgenomen door The Cardinals). Maar ik denk ook aan Cliff Richard die een hit had met “Daddy’s Home” van Shep and the Limelites, aan de Beach Boys met “Barbara Ann” (van The Regents), “Stay” van Jackson Browne (maar eigenlijk van Maurice Williams and the Zodiacs) of Diana Ross met “Why Do Fools Fall In Love” van Frankie Lymon. Zonder Paul Simon te vergeten die een song over de schilder Magritte ombuigt tot een ode aan diverse doo-wop groepen, die hij ook bij naam noemt.
In de liefdevol geschreven hoesnota’s, zegt Tim Hauser (samensteller van de plaat en lid van Manhattan Transfer, een groep die ook altijd respectvol de invloed van doo-wop bands heeft ondergaan): “Deze songs werden gemaakt in een prachtige periode van de Amerikaanse cultuurgeschiedenis, in een tijd dat eenvoud, onschuld en romantiek gevoelens waren die niet alleen werden aanvaard, maar zelfs aanbeden”.

Ronny De Schepper
(met dank aan Jacky Huys en Wikipedia)

(*) Officieel heeft dit nummer niets te maken met The Peanuts-strip, maar dat lijkt mij enkel een verklaring te zijn om copyright-problemen te vermijden. Ik vind dat het nummer wel degelijk over de anti-held van Charles M.Schulz gaat. Merk overigens op: Charlie/Charles…
(**) Niet te verwarren met de meisjesgroep The Impalas, later The (Four) Jewels, uit Washington, D.C.. In 1961 Bo Diddley recorded their debut single “I Need You So Much”, which was released on Checker Records. The record never caught on, and in 1962 producer Bob Lee changed the group’s name to The Four Jewels. The single “Loaded with Goodies” next appeared on Start Records, a local D.C. label, followed by Chess single “That’s What They Put Erasers on Pencils For”. They also sang backup vocals for member Grace Ruffin’s cousin, Billy Stewart and in 1965, the group toured across the U.S. as backing vocalists with James Brown.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.