Of men het nu graag heeft of niet, het is een feit dat uit het verleden weinig kunstenaressen tot ons gekomen zijn. Het is alvast een verworvenheid van het feminisme dat hier sinds kort een inhaalbeweging is ontstaan, waardoor er op dit moment zeker een evenwicht is tussen de seksen. Tegelijk trachten (meestal vrouwelijke) wetenschappers een aantal kunstenaressen aan de vergetelheid te ontrukken, waarin ze onder druk van de (mannen)maatschappij zijn terechtgekomen. Deze aanhangers van het gelijkheidsdenken voelen zich niet in de eerste plaats man of vrouw maar kunstenaar.
Een tweede stroming die uit het feminisme is voortgekomen, legt evenwel niet de nadruk op de gelijkheid maar op het verschil. Daarbij beklemtonen zij de zogenaamd “typisch vrouwelijke waarden”. In de literatuur b.v. zou een open einde “typisch vrouwelijk” zijn en in de plastische kunst zeefdruk en multiples. Liliane Vertessen zal zich daar wellicht niet eens van bewust geweest zijn. Terecht, want als men in de Gynaika-brochure de onzin leest over een kromme lijn die vrouwelijk zou zijn en een rechte mannelijk, dan weet je het wel. Vrouwelijke kunstenaars anno 1996 willen op de eerste plaats als kunstenaar erkend worden. Dat ze daarnaast toevallig ook nog vrouwen zijn, is bijzaak.

Het eigenaardige hierbij is dat kunst in haar geheel tot de “vrouwelijke waarden” wordt gerekend (emoties i.p.v. zakelijkheid, intuïtie i.p.v. ratio, schoonheid i.p.v. nut), terwijl op het vlak van “scheppende” kunst er toch een merkwaardige discrepantie bestaat tussen b.v. mannelijke en vrouwelijke componisten (zeker als men dat gaat vergelijken met het evenwicht dat er bestaat bij “uitvoerende” musici). In de plastische kunst ligt het nog ingewikkelder, want enerzijds verzet men zich tegen de term “vrouwelijke kunstenaar”, aangezien dit al een discriminatie inhoudt (men spreekt immers nooit van een “mannelijke kunstenaar”, vgl. de opmerking van Tom Lanoye over “homo-erotiek” tegenover “erotiek” tout court). Men voert dan aan dat “kunstenares” geen “mooi” woord is, terwijl “meesteres” (tegenover de “meesters” van de schilderkunst) dubbelzinnig is.
Anderzijds geeft men wel toe dat het goed is om “vrouwelijke kunstenaars” uit de vergetelheid op te diepen, maar tegelijk voegt men eraan toe dat daar geen vrouwelijke “meesters” bij terug te vinden zijn. Die zijn er immers niet. O.a. omdat zij kunst beoefenden binnen de anonimiteit van een klooster. Zo schrijven Bonnie S.Anderson en Judith P.Zinsser in “A history of their own, women in Europe from prehistory to the present” (Penguin 1989): “The nuns (…) sat and embroidered decorative cloths for the churches and vestments for male officials. They cooperated on hangings like that designed to circle the chapel at Bayeux. This imaginative rendering of the eleventh-century Battle of Hastings was worked in woolen thread on linen by the nuns of Normandy to commemorate their duke’s conquest of England. The Bayeux Tapestry is like a manuscript, with the whole story shown in the pictures, from the comet portending the death of Edward the Confessor to the arrow in Harold Godwinson’s neck. Multicolored horses look over the sides of the Viking boats; Norman and Saxon warriors go hunting; sailors load the ships in their bare feet. The dead decorate the margins along with fanciful beasts and erotic scenes.”
“The names of a few artists and designers from the seventh and eighth centuries have survived: Herlind and Reinhild at Maasryck in the Low Countries; the Abbess Agnes at Quedlinburg for her curtain showing the marriage of Philology to Mercury. No names of artists from the later centuries remain, but the sacristies of every great cathedral of Europe still display the jewel-embossed robes woven and embroidered in gold and silver thread by the women of the convents. Their lace still graces the altar cloths from which the priests administer the sacraments.”
“Women expressed their artistic talents within the context of their religious life in other ways. Herrad of Landsberg’s Hortus deliciarum and Hildegard of Bingen’s Scivias were famous for their illustrations as well as their theology. Just like a male establishment, a convent might have a scriptorium, a place for copying and illuminating books for use by the nuns or for a patron of the house. Although they never had the resources to do big works and confined themselves to the calligraphy, to illuminating the borders, and to decorating capital letters, some of the artists of the eleventh to the fifteenth centuries have been remembered, particularly from German and Italian houses. Diemud (c. 1057-1130) of the convent of Wessobrun has left the greatest number of works: forty-five books including a Bible in two volumes, which her monastery used to acquire a manor.”
(p.201)
“With the coming of painting in fresco and oil, the nuns of Italy experimented with these new forms. Single works in fresco and oil done for the churches survive in Brescia, in Siena, in Florence and Rome. In the seventeenth century Lucrina Fetti (c. 1614-1651), sister to a painter and an Ursuline nun, came under the patronage of the Duke of Mantua. She did religious scenes for the convent of Sant’Orsola and portraits for the Gonzaga family.” (p.202)
Dit laatste was uitzonderlijk, want aangezien vrouwen niet aanwezig mochten zijn bij de lessen naaktschilderen, konden ze zonder grondige kennis van de anatomie dus ook niet de “verheven” portretkunst beoefenen, maar moesten ze zich doorgaans beperken tot landschappen en stillevens. De Gentse Agnes vanden Bossche b.v. mocht wel de steun van Hugo van der Goes genieten, het werk dat ze kreeg toegeschoven was “decoratief textiel” en “tuinornamenten”. En zus Margaretha Van Eyck zou haar broers Jan en Hubert een handje geholpen hebben bij het tot stand komen van het Lam Gods, maar dat mocht natuurlijk niet geweten zijn.
Algemeen wordt Artemisia Gentileschi (1593-1653) als de eerste vrouwelijke kunstschilder beschouwd, onder meer ook omdat ze “naar de natuur” schilderde, ook als het naakt betrof (al werd dit haar reeds voorgedaan door Sofonisba Anguissola). Niet toevallig is een van haar bekendste schilderijen “Judith onthoofdt Holofernes”, geschilderd kort na haar verkrachting door haar leermeester in het perspectief Agostino Tassi. Een tijdlang kon hij het geheim houden, maar uiteindelijk diende Artemisia’s vader Orazio (zelf een kunstschilder, waar Artemisia ontzettend naar opkeek – sommigen spreken zelfs van een incestueuze liefde – en die ze tegelijk trachtte te overtreffen, een Elektra-complex met andere woorden) toch klacht in, nota bene pas nadat hijzelf door Tassi werd opgelicht. Het proces werd voor haar een vernederende ervaring (met zelfs een martelproef!), maar liep wel af met een veroordeling van Tassi. In 1997 wijdde de Franse cineaste Agnes Merlet een filmportret aan haar (ook hier ziet men dus dat het een vrouw is, die een werk maakt over een andere vrouw), waarin zij een heel andere versie geeft van de feiten: Artemisia en Tassi zouden minnaars geweest zijn en de jaloerse vader zou daar een stokje hebben voor gestoken. Dat is wel in tegenspraak met de documenten van het proces die nog steeds bestaan, net als het slot, waarbij Artemisia ongebonden de wereld instapt. In werkelijkheid werd ze uitgehuwelijkt aan alweer een andere schilder, Pietro Antonio Stiattesi. Het huwelijk hield niet lang stand en alhoewel verder niet veel van haar leven is geweten, verwijzen twee satirische grafschriften in Napels toch naar haar als een onverzadigbare nymfomane (ze had twee dochters, één van Stiattesi en één van een onbekende minnaar).
De bekendste kunstenares uit de 19de eeuw, Rosa Bonheur, schilderde paarden. Hiervoor had ze aan de politiecommissaris toelating gevraagd om in mannenkleren te mogen rondlopen. Zo kon ze immers naar de paardenmarkten. “Dat ze in broek en met kortgeknipt haar rondliep, deerde haar vriendin niet,” zegt de ongehuwd gebleven Rosa tegen haar biograaf, “maar als dat wel zo was, zou ze onmiddellijk weer vrouwenkleren hebben aangetrokken.” Ze voegt eraan toe dat ze niet gehuwd is om zich volledig aan haar kunst te wijden, maar dat het huwelijk toch wel de hoeksteen van de maatschappij is en patati en patata. Je kan je echter wel afvragen of ze met dit soort gezwans haar eigen levenswijze niet wou veilig stellen…
Veel recenter nog is het tragische verhaal van Elsa De Boever, de getalenteerde dochter van de Gentse “socialistische” schilder Jan Frans De Boever (1872-1949), die zijn vrouwenhaat (in zijn werken staan de vrouwen altijd voor dood en/of onderdrukking) zo ver dreef om zijn debuterende dochter in 1921 van plagiaat te beschuldigen, zodat zij stopte met schilderen. Zij weigerde wel haar vader nog te zien.
Een derde richting tenslotte is minder geïnteresseerd in het eindproduct, maar eerder in het groeiproces. Deze deconstructivisten proberen inzicht te krijgen in de wijze waarop de machtsposities worden verdeeld tussen het mannelijke en het vrouwelijke in theorieën, opvattingen en ideologieën enerzijds en fantasieën, mythes, verhalen, teksten, beelden en films anderzijds.
Dankzij het feminisme is er sinds kort een inhaalbeweging ontstaan, maar de weg is nog ver. Om maar één voorbeeld te geven. Aan kunstscholen en -academies in Vlaanderen studeren jaarlijks 60% vrouwelijke studenten af, terwijl in expositieruimten kunstenaressen slechts voor 15% aanwezig zijn.
In het kader van de tentoonstelling “Begeerte heeft ons aangeraakt” van het AMSAB, het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging, werd een internationaal colloquium gehouden over “Gender en Klasse in de 20ste eeuw”. Boeiende sprekers uit heel Europa vertelden over politiek, kunst, prostitutie, geboorteregeling, armoede en werksituaties. De begrippen mannelijkheid en vrouwelijkheid gekoppeld aan de arbeidersklasse vormden hier de rode draad. De merkwaardigste bijdrage was die van Sabine Van Cauwenberge, die de sarcastische titel meekreeg: ‘L’art de nous charmer, l’art de nous inspirer, voilà l’art de la femme’.
Zoals men kan vaststellen, is dit alles zo boeiend dat de commissie cultuur van de Nationale Vrouwenraad in december 1994 de vzw Gynaika heeft opgericht met als voorzitster Marijke Seresia. Door programmatoren aan te zetten op zoek te gaan naar vrouwelijke kunstenaars worden zij meteen geconfronteerd met het aandeel van vrouwen in hun programma’s.
Tegelijk trachten (meestal vrouwelijke) wetenschappers een aantal kunstenaressen aan de vergetelheid te ontrukken, waarin ze onder druk van de (mannen)maatschappij zijn terechtgekomen. Deze “vergeten” artiesten worden stilaan in eer hersteld, terwijl er tevens onderzoek wordt verricht naar de positie van de hedendaagse vrouwelijke kunstenaars in het licht van de huidige politieke tendenzen.
Meer in de marge van het gebeuren wordt er ook sociologisch onderzoek verricht naar de vrouw als consument van cultuur, waarbij uiteraard weer de postmoderne topic bij uitstek over het onderscheid tussen hoge en lage cultuur aan bod zal komen. Dat alles resulteert in een aantal publicaties, zoals “Oude meesteressen” (dus toch?!?) van Leen Huet en Jan Grieten over markante kunstenaressen uit de lage landen of “An Unexpected Journey”, een reeks van essays, luxueus geïllustreerd met kunstwerken van vrouwen. En last but not least is er een virtuele kunstengalerij van vrouwelijke kunstenaars toegankelijk gemaakt via het internet.
Daarnaast zijn er allerlei projecten. Zo was er het grootschalige trein-project “Zij-Sporen”, waar vrouwelijke kunstenaars hun aspiraties in konden uitleven. Maar ook kleinschaliger initiatieven, zoals de tentoonstelling “Beelden van Stilte – Beelden uit Bosnië” bewezen het bestaansrecht van Gynaika. En twee leraressen van de Gentse Academie lieten op de tentoonstelling « Vice » hun werk contrasteren met dat van leerlingen.
Ingrid Castelein en haar twee leerlingen Tinus Vermeersch en Chris Van Glabeek tekenen, Anne-Mie Van Kerckhoven maakt installaties en dat doet ook haar leerlinge Veerle Persijn. De zwoele sfeer die zij oproept, vormt een overgang naar het werk van Evert De Franck, die een muur heeft beschilderd met een tekst over zijn erotische avonturen. Beginnend met een tongzoen en (voorlopig) eindigend met bordeelbezoek. Wie door het kijkgaatje in een ijskast gluurt, ziet een vrouwenbeen in ijs. Los van dit concept zijn er nog foto’s van de Amerikaanse Catherine Opie.
In oktober 1996 vertrokken twee lijnbussen en een jeep richting Sarajevo. De bussen werden door de vervoersmaatschappij De Lijn geschonken aan het ziekenhuis Dom Zdravlja in Sarajevo om daar ingeschakeld te worden in het transport van ziekenhuispersoneel. Gynaika stuurde enkele vrouwelijke fotografen mee. Zij trokken een maand rond in Bosnië om een reportage te maken over dit zwaar geteisterde gebied en zijn bevolking. Het resultaat: een installatie, een film en harde zwart/wit foto’s die ons de naweeën tonen van een burgeroorlog.
Uit deze samenwerking met De Lijn groeide nu ook “Piazza dell’Arte”. Tien kunstenaressen kregen een bus toegewezen die ze ombouwden tot een kunstwerk. Het verschil met “Zij-Sporen” is dat de rijdende tentoonstelling zich deze keer niet tot “het grote publiek” in het algemeen richt, maar concreet tot de schoolgaande jeugd. De bussen hebben dan ook iedere week een andere standplaats aan een school of een plein in een achtergestelde buurt.
De bedoeling is dat de jongeren door deze confrontatie met hedendaagse kunst zich bewust worden van hun eigen creatieve mogelijkheden. Die kunnen zij dan ook multidisciplinair uitleven in traditionele kunstuitingen, maar ook in songs of scenario’s schrijven, in improvisaties en natuurlijk ook in digitale beeld- en geluidsverwerking. Dit laatste gebeurt in een zogenaamde “multimediabus”, terwijl een “persbus” dan weer eerder voor “rapporterend” werk is geschikt. Al wordt ook hier resoluut voor de nieuwe media gekozen, want alle artikels, interviews of foto’s zijn uiteraard voor het internet bestemd.
En dan was er de tentoonstelling in het gerestaureerde pand van Loes Kouijzer in de Belfortstraat tijdens de Gentse Feesten 1998. Betty De Leye, de vrouw van professor Piet en de moeder van kunstenaar Tom Frantzen schildert vooral grootse werken die dicht bij de natuur (bomen, rotsen) staan. De grafiek van Marie Framhout zijn vooral miniatuurtjes met minimalistische onderwerpen (keien), maar ook een sfeerimpressie van Istanbul b.v. Maria Carla Garzoli tenslotte is gefascineerd door archeologie en meer bepaald de Etruskische cultuur. Dit weerspiegelt zich in haar werk, dat op het eerste gezicht uit runentekens lijkt te bestaan.
Ook het werk van Sylvia Kristel (zie aldaar) maakte deel uit van een tentoonstelling door uitsluitend vrouwen. Vaak heel sensueel, zoals in het geval van de Japanse Leiko Ikemura, maar ook soms te zeer toegespitst op het anecdotische (de afwas van Henriette Van Egten, de kapstok van Monica Droste). Het werk van Valérie Favre, Yu Hiraï, Malgorzata Paszko en Gwendoline Robin heb ik niet goed kunnen inschatten.

Referenties
Ronny De Schepper, Gynaika wil kunstenaressen herwaarderen, De Hoogste Tijd oktober 1995
Ronny De Schepper, Stiekem gluren naar een ijzig vrouwenbeen, Het Laatste Nieuws 22 maart 1996
Gynaika vzw, Handelsbeurs, Twaalfmaandenstraat 1, 2000 Antwerpen, tel.03/232.22.29, fax 03/232.57.80, e-mail info@gynaika.be.
Marius Vachon, La femme dans l’art, les protectrices des arts, les femmes artistes, Paris, 1893.
L’Art Moderne, XVIII. Nr.23, 3 juni 1888, L’Education des Femmes, A Madame X., pp. 179‑181.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.