Zondag in de late namiddag. Een volks café in Zele-Heikant, in de schaduw van de kerktoren. Tegen de muur een twintig à dertig duiven. Tentoonstelling van lokale kampioenen en verkoop van een aantal geschonken exemplaren. Verkoop ten voordele van de plaatselijke maatschappij, om een mosselsouper te financieren. Het laatste avondmaal, de laatste tentoonstelling. De cafébaas is onlangs overleden en zijn weduwe en zoon nemen wel het café en de winkel over, maar niet de duivenmaatschappij. « Je kan niet alles alleen blijven doen, nietwaar mijnheer ? »
Het café loopt langzaam vol. De burgemeester is er. De schepen van de sport ook. En dan, natuurlijk, vooral duivenliefhebbers. Reeds oudere mensen meestal, de jongeren aanwezig zijn eerder lid van de voefbalploeg en de wielertoeristenclub die ook van dit café hun lokaal hebben gemaakt. Er wordt een krop doorgeslikt en hier en daar een zakdoek bovengehaald, als de ontslagnemende voorzitter een laatste huldewoord uitspreekt aan het adres van de overledene. Aan onze tafel wordt een stoel bijgeschoven voor de secretaris, de zoon, Dirk Blancquaert.

— Kun je, heel in het kort, iets vertellen over de geschiedenis van de duivensport ? Zowel in het algemeen als hier ter plaatse ?
D.B.
: De duivensport is al heel oud, dateert al uit de oudheid. Toen stak men een briefje aan de poot en waren er ook reeds lossingsplaatsen en zo. Hier op Heikant, een wijk die 1600 inwoners telt, waren vroeger een zestal duivenmaatschappijen. Met de onze verdwijnt nu de enige overlevende. Vroeger speelde iederéén met de duiven. Het was toen ook meer een hobby, terwijl het nu de allures krijgt van een geldspel.
— Hoe zit het duivenspel eigenlijk in elkaar ?
D.B.
: De jonge duif wordt geboren rond nieuwjaar. Eind april, begin mei worden ze reeds « opgeleerd ». Dat wil zeggen dat we ze leren vliegen buiten het hok. Eerst in een cirkel van een paar honderd meter, dan 500 m. van het hok, dan een paar kilometer en zo gaat men verder. En dat altijd in zuidelijke richting. Hier in Zele begint men op te leren in Lede, zo gaat men verder naar Burst, Geraardsbergen. Eens ze dat achter de rug hebben, mogen ze mee naar Quiévrain. Dat zijn, wat men noemt, de vitesse-vluchten. Dat geldt ook voor Noyon. Dat wil zeggen tot en met 200 km vogelvlucht. Dan hebben we de halve fond tot een 500 km, terwijl Barcelona en zo de fondvluchten uitmaken. Het duivenspel hier op Heikant is echter vooral gebaseerd op de vitessevluchten.
— Hoeveel kost duiven houden eigenlijk ? Over de inzetten bij het spel zelfs niet eens gesproken.
D.B.
: Een beginnend duivenliefhebber moet eerst en vooral een degelijk hok bouwen of laten bouwen. Een treffelijk, maar toch redelijk klein hok kost nu reeds zo’n vijftig duizend frank (hierbij dient ook gewezen op het feit dat in het kader van de urbanisatie het bouwen van een duiventil aan heel wat normen onderworpen maakt en vaak ook gewoonweg uitsluit; dit schrikt ook menig potentieel liefhebber af, red.). Dan moet hij zich voor enkele honderden of enkele duizenden franken een paar duiven aankopen. Die duiven moeten worden gevoed. Een pak duiveneten van 50 kg kost op dit moment zo rond de 370 fr. Maar goed, gewoon vogelen kweken of postzegels verzamelen dat kost ook geld, nietwaar ?
06 blancquaert— Maar dan is er het spelen zelf ?
D.B. : Inderdaad, zoals ik heb gezegd, begint het met het opleren. Dat is vier frank per duif. Als je een 20-tal duiven hebt, kost je dat toch ook reeds enkele honderden frank. Bij het « echte » spel komt er ook « uitleggen » bij te pas. Dat kan per duif variëren van 100 tot 5.000 fr. Als je denkt, dat je goeie duiven hebt, dan kan je veel uitleggen, maar dan kan je natuurlijk ook veel verliezen. Een voorbeeld : de kermisvluchten hier van enkele weken geleden. Men mag rekenen op een gemiddelde van rond de 500 fr. per duif. En als er tien duiven worden ingetekend, zijn er laten we zeggen twee winnaars bij, twee die hun geld terugwinnen en zes verliezers. Daar komt bij dat de maatschappij veel waarborg moet geven. Laten we zeggen honderdduizend frank. Als de liefhebbers dat bedrag niet halen, moet de maatschappij zelf dat aanvullen. Als er echter 110.000 fr. wordt ingelegd, moet de maatschappij die tienduizend erbij geven voor de liefhebbers. Vroeger speelde men echter « voor een frank rond », zoals men dat zei, dat wil zeggen dat men niet veel moest uitleggen en dat men dan ook niet veel kon verliezen. Dan was het meer een vriendenspel. Een duivenlokaal was dan voor de café-uitbater ook een winstgevende zaak. Zowel bij de inschrijving als bij het delen van de prijzen bleef iedereen immers plakken. Nu zijn het echter de kampioenen die het spel kapot maken. Die leggen veel uit maar ze winnen ook veel. Een liefhebber die met duizend frank in zijn portefeuille komt tekenen kan er niet veel mee doen. En als je weinig uitlegt, hou je er in feite niets aan over.
Er zijn nu ook meer duiven dan vroeger, want iedereen tracht zoveel mogelijk duiven te houden om goed te kunnen selecteren. Vroeger was een hok van tien duiven normaal, maar nu geraakt men gemakkelijk aan een hok van honderd duiven. Dat kost natuurlijk geld, zodat iemand die weinig prijzen speelt, automatisch moet stoppen.
— En dan hebben we het nog niet eens gehad over de rol van de overheid… Er hangt een zwaardere belasting in de lucht ?
D.B.:
Wij hebben dat ook vernomen uit de kranten. De maatschappijen zijn daarvan niet officieel op de hoogte gebracht of geconsulteerd, wat uiteraard al geen goede werkwijze is. Talrijke liefhebbers kwamen bij mij te rade, maar ik wist er eigenlijk even weinig van af als zijzelf. Wat is de overheid van plan ? Ik heb daarnet het voorbeeld gegeven van iemand die duizend frank per week uitlegt, dan zou hij daarop 110 fr. belastingen moeten betalen. Daarbij komt nog dat elke liefhebber, als hij duizend frank aan prijzen wint, hij 70 fr. aan de maatschappij moet laten voor alle onkosten, wat in feite normaal is. En ook de Belgische Duivenliefhebbersbond vraagt reeds een redelijke prijs, namelijk 10 fr. per ring en een soort van lidmaatschap van 100 fr.
Op landelijke gemeenten zoals de onze wordt het duivenspel in stand gehouden door de kleintjes, maar deze mensen hebben het al moeilijk in de huidige economische omstandigheden en als er dan nog eens een extrabelasting op hun hobby zou bijkomen, dan zouden er velen tussenuit vallen. Als die wet er ooit komt, durf ik toch voorspellen dat dit voor 30 % van de liefhebbers het einde betekent. Daarbij, iemand die postzegels verzamelt en er voor 20.000 fr. verkoopt, die moet ook geen 11 % afdragen, nietwaar ?
— Heel opvallend is dat de duivensport in oorsprong een sociale sport is, dat die met de hulp van overheidsinstanties kapot wordt gemaakt, terwijl we anderzijds zien dat men dan kunstmatig weer de wijk, de buurt tot leven tracht te wekken, terwijl initiatieven die uit het volk zelf voortkomen in feite worden gefnuikt ?
D.B.
: Inderdaad. De grote duivenliefhebbers hebben daar natuurlijk ook schuld aan. Die houden dan verkopen van rond het half miljoen — in het zwart — en vandaar dat men natuurlijk met die 11 % is komen aandraven, maar het is de kleine man die daarvan het grootste slachtoffer is.
— Jij bent erg jong. Heel opvallend is nochtans dat er weinig opvolging is bij de jongeren.
D.B.
: Zeker. En juist om de redenen die ik zojuist heb opgesomd. Het kost immers een massa geld. Ik kan ze eigenlijk geen ongelijk geven. Beginnen betekent immers de investering van een klein kapitaal en je loopt steeds het risico dat je geen goede duiven hebt, zodus…
— En er kan b.v. een ziekte grote kuis houden in het hok ?
D.B.
: Natuurlijk, maar kijk, dat is ook weer zoiets. Nu loopt men onmiddellijk naar de veearts. Omdat het zo kostelijk is, moeten de duiven immers optimaal in conditie zijn. Zo zijn er die wekelijks een bezoek brengen aan de veearts. Er zijn dan ook duivenliefhebbers die een hele kast vol prutsen hebben staan.
— Kunnen we het woord doping laten vallen ?
D.B.:
Dat zou ik niet zeggen. Het zijn eerder vitamines. Maar goed, als wij gezond zijn, dan nemen we ook geen vitamines, nietwaar ? Dat is niet alleen dom, het kost ook weer veel geld. En daar kan een jonge liefhebber alweer niet tegen op.
— Tot slot een technisch vraagje dat nogal in een waas van mysterie is gehuld : hoe herkent een duivenmelker zijn duif in de lucht ?
D.B.:
Wel, dat is een soort van ingeving. Dat kan je niet leren. Als je naar die duiven hier kijkt tegen de muur, dat zijn nu toevallig allemaal blauwen. Zelfs als je er zo vlak voor staat zijn het net allemaal dezelfden. Toch haalt een liefhebber zijn duif eruit als ze hoog in de lucht komt aangevlogen. Waarom ? Ja, waarom komt een doelwachter op een bepaald moment uit zijn doel ? Dat is een kwestie van aanvoelen. Een duivenliefhebber kent zijn duiven door en door, voor hem zijn dat allemaal zonen en dochters. Hij geeft die namen, hij spreekt ermee, hij heeft daarmee een innige relatie zoals een mens ook met een hond kan hebben.
(Op de derde foto zien we Paul De Coninck, de “soigneur” van de duiven van Dirk Blancquaert. En op de eerste en de laatste foto zien we mijn vader die vergeefse pogingen doet om mij tot de duivensport te bekeren.)
00 hoe laat is't

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s