Net als Hugo Claus was Louis Paul Boon erg geïnteresseerd in film. Claus twijfelt er zelfs niet aan dat indien hij geboren was in een land met een echte filmcultuur hij in de film zou gegaan zijn i.p.v. in de literatuur. Misschien is dit ook wel het geval met Boon.
In Vooruit van 28/2/1972 doet hij in zijn beklag over het gebrek aan Vlaams ‘vrouwelijk schoon’ voor zijn Fenomenale Feminatheek. En hij gaat verder: “En erger nog, beroemde Filmsterren hebben we bij ons niet, we zijn helaas geen filmland, anders had ik zelf reeds lang cineast of akteur geweest. Wat dacht ge, als ik Louis Gabin zou geheten hebben?”
In een interview met “De Rode Vaan”, ongeveer een jaar voor zijn dood, herhaalt hij nogmaals: “Had ik zelf geld gehad dan had ik films gemaakt. Ge kunt trouwens nagaan dat m’n eerste romans gemaakt zijn als scenario’s: eerst een gros plan en daarna een close-up.”
Hij voegt er trouwens meteen aan toe dat een verfilming van “De bende van Jan de Lichte” met Geraldine Chaplin in de vrouwelijke hoofdrol om financiële redenen op de klippen is gelopen. Ongetwijfeld zou de “Daens” (1992) van Stijn Coninx een balsem op de wonde zijn geweest! Bij de avant-première in Aalst zei de schepen van cultuur reeds: “Deze film is wat de stad Aalst aan Boon geweigerd heeft: een monument.” Zelfs het feit dat de film op last van de pauselijke afgevaardigde pater Ettore Segneri oorspronkelijk op het Festival van Venetië niet mocht worden vertoond, zou Boon van zijn grote gelijk hebben overtuigd, méér wellicht nog dan de Speciale Vermelding die de film er naderhand nog ten deel viel, nadat de Vlaamse geestelijkheid de schriftelijke vermaning van paus Leo XIII aan het adres van Daens met documenten had gestaafd.

Enkele jaren later was er “Vergeten straat” van Luc Pien. Ook deze maal gaat het om een initiatief dat in gang werd gestoken door Robbe De Hert, maar dat deze zelf niet kon afwerken. In het eerste geval omdat hij de strubbelingen met de filmcommissie niet meer aankon: “Ik heb daar heel hard voor gevochten destijds. Veertien keer heb ik het in de commissie ingediend en steeds werd het afgewezen. De ene keer omdat ze vonden dat ik geen geschikte lokaties zou vinden, de andere keer weer omwille van een andere onnozelheid, maar toen Stijn zijn film goed en wel af had, gaf men eindelijk toe dat het destijds op politieke gronden was dat het script werd afgewezen. Maar kom, op een gegeven moment begint ge u te interesseren voor andere projecten en toen Dirk Impens vroeg om ‘Daens’ voor hem te regisseren, was ik niet meer vrij.”
In het geval van “Vergeten straat” is De Hert met compaan Pien in ruzie gevallen. Nochtans is “Vergeten straat” voor De Hert wat “Het recht van de sterkste” ooit voor Boon was: voor het lezen van dit boek op school werd hij zwaar gestraft. Dat “Vergeten straat” overigens werd uitgekozen, mag geen verbazing wekken. S.van Duijn had er reeds een scriptie aan gewijd onder de titel “De filmische roman”.
Wim De Poorter wijdde in De Morgen van 10/5/1989 een uitgebreide beschouwing aan “L.P.Boons Hollywood-dromen”. Daaruit leren we dat reeds uit de briefwisseling met zijn jeugdvriend Karel Colson blijkt dat Boon enorm enthousiast over “The Big Parade”, “The Crowd” en “Hallelujah”, allemaal films van King Vidor. Het werk van Vidor zag Boon in 1930, wanneer hij door ziekte van zijn vader verplicht is te gaan werken in Brussel, in een atelier waar ze auto’s verfden met het pistool. Maar ook in Aalst ging Boon, zoals alle jonge snaken, veel “met zijn lief” naar de bioscoop (Cinema Moderne). Jeanneke Boon getuigt: “We gingen veel samen naar de cinema: Potemkin, Bounty, Titanic. Van Charlie Chaplin was hij stekezot.” (GVA, 8/5/1999)
Op die manier begon Boon ervan te dromen ooit zelf films te realiseren. In 1946 verschijnt in De Vlaamsche Gids zelfs een heus scenario: “De Atoombom of het mannetje met de bolhoed”. Andere scenario’s zouden later verschijnen in het tijdschrift van het Honest Arts Movement (H.A.M.), de vereniging die nu nog jaarlijks een Boonprijs uitreikt.
Voor “Niets dan wat oorlog” uit 1952 zette hij zelfs al de technische ploeg en de rolverdeling op papier, al kan men zich afvragen of het hem wel ernst was als we zien dat als “metteur en scène” zijn vriend Maurice Roggeman wordt vermeld (wel schilder en journalist, maar zonder ervaring in de filmwereld). Verder zou zoon Jo Boon een dertien à veertienjarige jongen spelen en ‘Jeanne Boon-De Wolf’ de moederfiguur. Voor zichzelf eist Boon de rol op van de verzetsman ‘Arsène met zijn knevel’, alias ‘Arsène de Brusselaar’.
In het begin van de jaren zestig draait hij wel enkele filmpjes op 8 mm, maar vooral van belang is aan te stippen dat hij bij “Vooruit” vanaf 9/11/1954 aan de dagelijkse rubriek “De 4 hoeken van de wereld” werkt. In deze rubriek, die hij tot 18/7/1961 verzorgde, wijdt hij o.a. honderden bijdragen aan de carrières van filmsterren als Martine Carol, Jayne Mansfield, Gina Lollobrigida, Sophia Loren, Brigitte Bardot en uiteraard Marilyn Monroe, over wie hij later een boek zal schrijver “De Paradijsvogel”, zij het dat hij haar daarin Beauty Kitt heeft gedoopt. Dat was noodzakelijk omdat Boon niet gewoon de realiteit wou weergeven. Dat interesseerde hem niet. Bart Vanegeren formuleert in Muziek en Woord van juni 1992 waar het hem wél om te doen was: “Hollywood is Boons geliefde metafoor voor de menselijke drift om hogerop te komen.” Of zoals De Poorter het formuleert: “Aan de hand van de anekdotiek van de Hollywood-sprookjes gaat hij op zoek naar de realiteit die achter geld, glamour en glitter schuilt. (…) Boon koestert een liefde-haat-verhouding met Hollywood, de leugenfabriek zoals hij de filmfabriek meermaals noemt. Enerzijds ontmaskert hij de Hollywoodsprookjes, anderzijds houdt hij van die sterrenwereld als van een droom.”
Zo heeft hij het in “Vooruit” van 7/3/1961 over een zekere Ezra Goodman, een Amerikaan, die een boek heeft geschreven over Hollywood, “waarin hij nog eens zwart op wit heeft gezet wat we reeds lang wisten: dat ook de gouden wereld van Hollywood maar een protserig wereldje is. ‘Vijftig jaar valse schijn’ heet zijn boek.”
De Poorter wijst er ook op dat hij over een van die sterren uit de periode van de stomme film, met name Lya de Putti (1901-1931), zelfs schrijft dat ze verantwoordelijk is “voor mijn latere kijk op de dingen dezer wereld: terwijl zij zich in onze bioskopen nog steeds voor de belaagde onschuld deed doorgaan, gooide ze zich ergens van een dak te pletter op de straatstenen: deze tedere bloem, deze onschuld zelf, bleek zich aan het gebruik van verdovende middelen te buiten gegaan” (Boontjes 1959-1960, p.10).
Deze filmsterren komen ook nog voor in andere rubrieken die hij in Vooruit onder zijn bevoegdheid heeft, zoals “Vertraagde Film” en “Het kort verhaal dat echt gebeurde”. Later maakt hij daarvan nogmaals een herwerking, onder de titel “Koninginnen met kronen van karton” (1958).
Maar zijn voorkeur ging dus vooral uit naar Marilyn Monroe. Over haar schrijft hij n.a.v. de dood van zijn hondje Monroe: “Ik heb zo heel veel van Marilyn Monroe gehouden. Omdat ze het van gewoon fabrieksmeisje tot een der mooiste en meest spirituele vrouwen van de wereld bracht. Een moment van schoonheid, en haast even geestig als Bernard Shaw. Enfin, veel te goed om met een romanschrijver te trouwen.” (Vooruit, 1/2/1965).
Een van Boons filmdromen wordt uiteindelijk toch nog werkelijkheid, alweer dankzij cineast Robbe de Hert. In 1967 maakt L.P.Boon immers zijn filmdebuut als pastoor in de korte Fugitive Cinema-productie “Insane”. Robbe de Hert tegen Geert Stadeus in Panorama: “Er was een scène die in een jezuïetencollege moest worden opgenomen. Alles was vooraf geregeld, maar toen we daar opdaagden, mocht Boon niet binnen!”
Twee jaar later, in 1969, krijgt hij naast de Amerikaanse actrice Betsy Blair (wier voornaamste “claim to fame” erin bestond dat ze ooit nog eens met Gene Kelly was gehuwd) de hoofdrol in “De Bom”. Het zou wel zijn laatste optreden worden, ondanks het enthousiasme dat Boon laat merken op elke bladzijde van het gelijknamige acteursdagboek dat hij bijhoudt (1968), rijkelijk geïllustreerd met foto’s van cameraman Louis Celis. Bij een foto van Paul de Vree (1909-1982), in gesprek met Betsy Blair, noteert hij het volgende:
‘Dit beeld heeft er helemaal niets mee te maken. Het is gewoon een van de beheerders van Fugitive Cinema – hee, zullen sommigen zeggen, is dat niet de dichter Paul De Vree? – die even bezoek komt brengen aan de set en met Betsy een praatje voert. ’t Zal wel niet over geld gaan, want dan zou zijn lach iets minder fel bloeien.
Eigenlijk is het wel een gekke kombinatie, dichter zijn – ik bedoel, gedichten schrijven – en meteen beheerder van een filmmaatschappij. Maar er gebeuren wel meer gekke dingen, ik heb zelfs een minister gekend die gedichten schreef. De waarheid moet echter gezegd, zijn gedichten waren niet veel zaaks. En als minister was hij ook niet zo bizonder.’

“De Bom” is een bijzonder leuk filmdagboek van L.P. Boon. Maar uit de bladzijde (p. 95) in verband met Paul de Vree klinkt toch wat bitterheid en spot. In wezen ten onrechte. Boon had het verkeerd voor. Ten eerste, De Vree was niet een van de bestuurders van Fugitive, hij was gewoonweg de onmisbare voorzitter. Ten tweede was De Vree niet enkel een zogenaamde dichter, hij was tevens romanschrijver en essayist en daarnaast als organisator de stuwende kracht bij de oprichting en de organisatie van allerlei literaire (tijdschriften o.m.) en artistieke (tentoonstellingen en filmfestivals o.m.) activiteiten. Te veel om ze alle op te noemen.
Vanwaar dan deze bittere regels vanwege een auteur die inmiddels al literair prestige had verworven, maar slechts in de jaren zestig via de televisie bekendheid bij het grote publiek verwierf ?
Eerst en vooral, was er het feit dat de literatuurrecensent Paul de Vree in de jaren veertig zowel Boons romandebuut “De voorstad groeit” (1943), als “Abel Gholaerts” (1944) negatief besproken had. Niet zozeer omwille van de originele structuur en stijl, maar omwille van ‘het opgeven van de opbouw van de innerlijken mensch’. Volgens de toenmalige literatuurcriticus De Vree verloor in Boons eerste roman ‘de massamensch zijn illusies om in een totaal ongeloof of amoralisme te vervallen’. Boon was dit blijkbaar niet vergeten.
Ten tweede is er het feit dat Paul de Vree en L.P. Boon twee totaal verschillende persoonlijkheden waren, zowel als mens als als kunstenaar. Hun background verschilde al te zeer. Zo behaalde Paul de Vree, aanvankelijk onderwijzer, in 1938 voor de centrale jury een universitair diploma in de geschiedenis. Boon was in wezen een arbeider en totale selfmade man, die als ex-krijgsgevangene vol wanhoop en verbittering aan zijn literair oeuvre zou beginnen.
Ten derde. Terwijl Boon uit het niets moest verrijzen, bouwde De Vree ook tijdens de Duitse bezetting, zoals zovele Vlaamse literatoren, voort aan zijn ‘zogenaamde’ carrière. Zo was De Vree tijdens de bezetting secretaris van de VVL (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen).
Ten slotte hadden Boon en De Vree, althans aanvankelijk, een totaal andere artistieke visie. Volgens Ernst Bruinsma, werkzaam aan het L.P. Boon-Documentatiecentrum van de Universiteit Antwerpen, in ”Louis Paul Boon en het modernisme in Vlaanderen” (Boon-Studies 8, 1998), “koesterde De Vree een persoonlijke, esthetische ideologie, die in wezen romantisch was en zou hij om zich te rehabiliteren een extreem modernisme hebben aangehangen, waarbij hij als alibi Van Ostaijen zou hebben gebruikt. Boon daarentegen doorbrak de formalistisch modernistische benadering in zijn politieke zoektocht naar een ander vorm van realisme. Om even Bruinsma te parafraseren.” (Wim de Poorter)
Boon werkte nog wel mee aan de BRT-reeks “De Geboorte”, waarin diverse schrijvers een TV-film zouden leveren, met de geboorte als centraal thema. Ook Boon had een scenario geschreven en alweer Robbe de Hert was kandidaat om het te regisseren, maar het werd geweigerd door de BRT. De Hert: Hugo Claus deed mee, Johan Daisne en Ward Ruyslinck ook, maar Boon had gewoon het beste scenario geschreven. Het ging over een vrouw die zwanger raakt terwijl haar man in een concentratiekamp zit, en dat ging ‘de bazen’ te ver. Toch had Boon perfect rond het thema geschreven, terwijl alle anderen het er bij de haren hadden bijgesleurd.”
Boons oude filmdromen steken in 1977 nogmaals de kop op, wanneer dezelfde Robbe de Hert hem vraagt mee te werken aan “De Witte”. Deze vraag lag niet voor de hand aangezien Boon in de rubriek “Kunst en Letteren” van “De Roode Vaan” in de periode onmiddellijk volgend op de oorlog had geschreven: “Hoe was het mogelijk dat een deel onzer schrijvers, Claes en Timmermans, Verschaeve en De Pillecijn, zonder het minste protest de nazi-overheersching aanvaard hebben, en zelfs, zoals Verschaeve, aan deze overheersching meewerkten?”
En hij antwoordt zichzelf: “Zij hebben een gemakkelijke literatuur gezocht. En een succesrijke. Zij hebben slechts ontspanningsliteratuur gegeven. Zij hebben het volk vermaakt en amusante verhalen gegeven, terwijl het geestelijk doodbloedde. Terwijl het hongerde naar geestelijke ontvoogding. Zij hadden niet den moed, of zij waren niet groot genoeg om stroomopwaarts te gaan. En toen de vreemde overweldigers ons land overrompelden, en onzen geest der twintigste eeuw terug in de kooi der middeleeuwen trachtten te stoppen, gingen deze schrijvers van amusante verhalen verder met hun gemakkelijken weg te bewandelen. En omdat het hun bevolen werd smukten zij hun verhalen op met holle frazen over volksverbondenheid.”
En hij besluit: “Niet het succes moet een schrijver nastreven. Of ook moet hij niet geven wat een deel van het volk toevallig vraagt. Hij moet in zijn werk zichzelf geven, volkomen.”
Toch gaat Boon akkoord en schrijft voor de Hert een synopsis. In een interview met Juul Anthonissen vertelt Robbe hierover: “We hebben heel wat meer pellicule geschoten van Wannes Raps dan we behouden hebben. Hierop werd trouwens aangedrogen door Louis Paul Boon. Wat meer is, Louis Paul Boon zou de rol van Wannes Raps vertolkt hebbben. Door zijn overlijden hebben we het dan aan Julien Schoenaerts gevraagd, maar dat is afgesprongen.”
Twee jaar later is er ook nog “Menuet” van Lili Rademakers, maar – ondanks het feit dat het scenario werd geschreven in samenwerking met Hugo Claus – wordt deze film niet zo goed ontvangen. De “feministische” draai die eraan wordt gegeven, spreekt niet iedereen aan (zie ook de scriptie van L.Van den Broek).
Over Hugo Claus gesproken, in 1986 schreef deze het scenario voor “Het gezin van Paemel” (Paul Cammermans). Misschien had er daar anders wel een cameo-rolletje voor Boon in gezeten, zoals in 1972, toen hij postbode speelde in een toneelopvoering door amateurs van “Het gezin”, waarmee hij alsnog zijn bewondering voor Buysse wilde uitdrukken.
In het kader van de tentoonstelling “Fabrieksstad Aalst” werd in de jaren negentig een selectie van tien films getoond, die diverse aspecten van Boons belangstelling voor het medium film willen voelbaar maken. Wat de grootstad en het pacifisme voor de jonge Boon betekende, moet duidelijk worden bij de vertoning van “The Crowd” en “The Big Parade” van King Vidor. De montagetechnieken die Boon aan de film ontleende vindt men onder andere terug in “Berlin, die Sinfonie einer Grossstadt” van Walter Ruttmann. Verder worden films vertoond van Boons geliefde cineasten Georg Willem Pabst, Sergei Eisenstein en Charlie Chaplin. “Les Tricheurs” van Marcel Carné toont aan hoe Boon ook de film vrijelijk citeerde in zijn eigen boeken.
In de “wandeltentoonstelling”, die tegelijk was te bezichtigen, was ook plaats ingeruimd voor film. Met name de atmosfeer van Cinema Moderne werd opnieuw opgeroepen met een montage van een aantal fragmenten uit lievelingsfilms van Boon.

Referentie
Ronny De Schepper, Louis Paul Boon en de film, Periodiek Verschijnsel september 1999

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.