Vechten tegen de hamburgermentaliteit

09 lieve van mileghem« Als je kinderen vraagt wat ze graag eten, dan antwoorden ze : een hamburger bij Quick. En dan zeg jij natuurlijk : dat kan niet elke dag. Maar bij jeugdliteratuur past men dat principe wél toe ! » Een opgemerkte uitspraak tijdens een (overigens futloos) debat op de Boekenboot, waarop de 13de Jeugdboekenweek (beginnend op 16 november 1984) werd voorgesteld.

Inderdaad, met dit (correcte) adagium werden niet alleen de « traditionele » ouders getackeld die hun kinderen maar gemakshalve volstoppen met Walt Disney- en Jommekes-uitgaven, maar ook bepaalde « progressieve » kringen krijgen hiermee een draai om de oren. Daar verwacht men immers alle heil van zogenaamde « kinderjury’s », terwijl het toch stilaan duidelijk moet zijn dat kinderen weinig of geen belangstelling vertonen voor structuur en stijl, twee niet onbelangrijke eisen die recensenten (terecht) stellen aan jeugdschrijvers. Als we die normen immers laten schieten, dan heeft literatuuropvoeding op latere leeftijd ook hoegenaamd geen zin. Toch hebben kinderjury’s ook hun nut. Al te veel auteurs schrijven immers boven de hoofden (en de interessesfeer) van hun lezerspubliek en die verdienen dan ook even op de vingers te worden getikt Het komt ons voor dat de initiatiefnemers van de Jeugdboekenweek, onder de leiding van Clara Haesaert (zie « aan het lijntje »), de gulden middenweg tussen deze twee uitersten willen bevaren en bijgevolg heeft dit initiatief zeker z’n bestaansrecht. Voor ons de gelegenheid om belangrijke activiteiten en nieuwe publicaties even te overlopen.
Daarnaast werd ook het woord gevoerd door Majo de Saedeleer, hoofd van het kersverse Nationale Centrum voor Jeugdliteratuur. Dit pas heropgericht centrum is een archief-, documentatie- en promotie-instituut voor de Vlaamse jeugdliteratuur en wordt als dusdanig door de dames en heren schrijvers uiteraard op luid applaus onthaald. De « consument » kan er terecht voor een knipselarchief over Vlaamse auteurs, een internationale vakbibliotheek en andere vormen van documentatie. Er wordt nog gewerkt aan een archief met recente foto’s, een « oral history » van de Vlaamse jeugdliteratuur, een bulletin met nieuwsjes, contact met het NBLC en andere buitenlandse organisaties die zich met jeugdliteratuur bezighouden. Het centrum is gevestigd in de Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen. Daar had in het ICC op 23 november ook een ongetwijfeld ophefmakend debat plaats, ingeleid door Eric Pochelé over jeugdliteratuur en erotiek. Drie dagen eerder waren in Eeklo, in het Jeugdhuis Beukenhof, Gie Laenen en Liva Willems te gast.
Deze twee auteurs hebben elk ook een nieuw werk op de markt. Dat van Liva Willems, « Een feen van niks » (Infodok, 159 blz., 450 fr), sluit trouwens aan bij het thema dat van den Hove zal behandelen. In een zeer eenvoudige stijl en met charmante tekeningen van Huib Pieters beschrijft zij immers voor eerste lezertjes hoe een vogel van een andere planeet, meer bepaald een feen van de planeet Ix (voelt u ‘em al ?), zich in een bos komt vestigen, maar er ondanks al zijn goeie bedoelingen slecht wordt onthaald. Er komt zelfs oorlog van, maar als vogels en knaagdieren ook een beroep doen op een wilde kat om de feen te verdrijven, dan gaat het al vlug verkeerd en hebben ze uiteindelijk de steun van de feen nodig om deze moordenaar klein te krijgen. De feen laat hierbij het leven in een bosbrand, maar… jawel als een fenix herrijst-ie uit z’n asse. We denken dat dit zo voorspelbaar was dat we hiermee niets verklappen.
Gie Laenen gooit het deze keer over een andere boeg. Spanning en onverwachte wendingen zijn zijn ingrediënten. « Het eiland » is dan ook een boek in de Junior-reeks van Lannoo en richt zich dus tot een flink wat ouder publiek. Lannoo heeft de gelegenheid meteen aangegrepen om met dit boek het tienjarige bestaan van deze reeks, waarin o.m. « Anti-love story », « Zazapina in de zoo », « Rakhi en Sebastiaan », « Sikkelstraat 12 », « Harry van de achterbuurt » en andere klassiekers in het genre zijn verschenen, te vieren. Dat kan de verbruiker maar goed uitkomen, want zo heb je nog eens een boek tegen een betaalbare prijs (120 fr).
Omdat het thriller-effect een essentieel onderdeel is van « Het eiland », kunnen wij niet te veel kwijt over de inhoud van dit boek. Laten we het dus maar op de nota’s houden die u ook op de kaft kunt lezen : scheepsarts Eric Lambert is met een Franse expeditie op zoek naar nieuwe gebieden voor Lodewijk XVI; als ze in februari 1788 de Australische kust verlaten, breekt er een geheimzinnige ziekte uit aan boord van beide schepen; Lambert blijft met een aantal zieken op een paradijselijk eiland achter om het gevaar van een epidemie in te dijken; de zieken sterven echter vlug en als een soort nieuwe Robinson Crusoe blijft Lambert achter op het eiland, maar dan gebeuren er plots rare dingen… Spanning troef dus, zelfs tot op het uiterste, want op bepaalde momenten doet deze « Robinsonade » ook wel denken aan “Lord of the Flies” van William Golding.
In Ninove haalt men dan weer Mariette Vanhalewijn met vlag en wimpel in. Tenslotte wint men niet elke dag een referendum van het Vlaamse Jeugd- en Kinderboek. Dit jaar is inderdaad Vanhalewijn aan de eer en wel met « Kleine Adam », een boek van de uitgeverij Lannoo (325 fr) over een klein jongetje dat de hele rotzooi in de riool keert om zich daarna een nieuwe wereld te tekenen die echter niet veel blijkt te verschillen van de oude. Toch geeft Adam het niet op om de wereld te trachten te veranderen, want — wie weet — als we allemaal als Adam zijn dan lukt het ons misschien wel !
“Met de maan als schuitje” is dan weer een bundeling van negentien verhaaltjes voor het slapen gaan, eveneens van Mariette Vanhalewijn. En jawel hoor, je zou ervan in slaap vallen. Dit is werkelijk zoetekoek van ’t kan niet meer, met natuurlijk een massa verkleinwoordjes. Nu ben ik de eerste om toe te geven dat men onze kleine ukken moeilijk met Gremlins of Ghostbusters te slapen kan leggen, maar spannende indianen- of dierenverhalen kunnen toch geen kwaad, dacht ik zo. Bovendien, misschien om het goedkoop te houden of omdat het toch vooral een voorleesboek is of om er overdag in te kunnen kleuren of wegens weet ik veel welke reden, maar geen enkel kleurtje in een boek met nochtans vele illustraties (Trui Bauters) is toch wel erg saai (Lannoo, 96 bladzijden, groot formaat). Roddy las en “besprak” van haar ook “Wie liep daar?” over twee kinderen die in de sneeuw spelen en hun eigen voetsporen voor die van ijsberen houden.
De man die aan de basis lag van de Kinder- en Jeugdjury is Jos Brabants. Voor volgend jaar dingt hij alvast mee naar de prijs die door hemzelf in het leven werd geroepen met « Joris » (uitg. Lannoo, 117 blz., 240 fr). Het is tevens het eerste boek van een hele reeks die wij u willen voorstellen om het jonge grut alsnog nuttig bezig te houden tijdens deze vakantie.
Of Brabants ook enige kans maakt op zijn eigen prijs ? Zeer onwaarschijnlijk. Dit is namelijk geen jeugdboek. Dit is het boek van een volwassene die terugblikt op z’n jeugd. Goed geschreven, dat wel (Brabants is de moderne leraar Nederlands die eens voordoet hoe het precies moet, maar het zal hem dan wel verdrieten dat zijn literaire hoogstandjes meer dan eens worden verpest door slordigheden van de zetters, een probleem waarmee ook anderen die van het schrijven hun beroep trachten te maken, vaak worden geconfronteerd), maar het ontbreken van enigerlei « plot » maakt dit boek totaal onaantrekkelijk voor jonge lezers.
Ouwe zakken van ’68 zoals ondergetekenden herkennen zich natuurlijk wél in de herrie met ouders en leraars, de vlucht naar de grootouders, de wil om het met de eigen kinderen beter te doen, de eerste erotische ervaringen bij het zien van een zonnebadend buurmeisje. En als het er zo staat dan zou men kunnen stellen : deze thematiek is toch van alle tijden, pubers anno ’85 zullen zich daar toch ook in terugvinden ? Dat zou kunnen, ja, maar Brabants heeft het zodanig vastgeankerd in het oproepen van een tijdsbeeld (wat betekenen namen als Donovan, Procol Harum, ja zelfs Poupou nog voor wie is opgegroeid met U2, Simple Minds en Luis Herrera ? En je zou toch ook geen jeugdboek met voetnoten wensen, hoop ik ?), dat dit totaal aan zijn doelgroep voorbijschiet.
VREEMDE EEND
Merkwaardig is wel de droompassage waarin Joris zich een eend voelt (of moeten we dit aan een overconsumptie van Guus Kuijer wijten ?). Toeval of niet, maar Renate Welsch heeft het in « Als een vreemde eend » (uitg. Westfriesland, 126 blz) ook over de typische puberproblematiek. Het ontwaken van seksuele gevoelens, de eerste confrontatie met de dood, het gevoel van verlatenheid, hier niet bij gebrek aan goede opvang maar door het wegzinken in een groter drie¬generaties-gezin. Ook de thema’s stiefvader, werkloosheid, conflict dorpsgemeenschap-stadsmentaliteit, komen aan bod.
Droefenis alom, maar toch slaagt de auteur die met dit boek de Oostenrijkse Staatsprijs voor het Jeugdboek 1984 en de Prijs van de stad Wenen (!) behaalde, erin haar hoofdpersonage Claudia niet in al deze kommer en kwel te laten verdrinken. Het is een oprechte roman voor de jeugd vanaf 12 jaar, die realistisch en gevoelig een opgroeiend meisje tekent, met alle conflicten die deze overgang naar volwassenheid veroorzaakt, maar ook met de positieve en warme momenten : tederheid, vriendschap… Dit alles kan worden herleid tot het gevoel dat dit boek en dit hoofdpersonage domineert : het niet echt ergens bijhoren, het zoeken naar de bestendiging van de ogenblikken van liefde.
Vooral dankzij deze algemene thematiek wordt de roman zo herkenbaar, terwijl hij dankzij het detaillisme ook realistisch blijft. Voor Claudia is de wensdroom van liefde gepersonifieerd in de figuur van haar echte vader die zij wil terugvinden. Deze droom zal de oorzaak zijn van de belangrijkste evolutie in de getekende levensfase : het ondermijnen van kinderlijke zekerheden, het ontdekken dat de mens genuanceerd en complex is, dat één bijvoeglijk naamwoord niet kan volstaan om iemand te definiëren. De tweede kentering zal komen via haar eerste menstruatie, de aanleiding tot een hernieuwd contact met haar moeder en tot het gevoel ergens bij te horen, verbonden te zijn in het geheim dat zij deelt met de vrouwen die haar nabij zijn. Dat Renate Welsch hieruit geen sentimenteel happy-end breit, bewijst haar kracht.
JOE GOES BANANAS
«Joe Banan en opa Snorkel » (uitg. Lannoo, 111 blz) is een heerlijk waanzinnig boekje van Walter Oliviers voor de jongeren vanaf 9 jaar. De schrijver brengt geraffineerd zijn boodschap. Hij verduidelijkt aan de hand van een prettig, vlot geschreven en spannend avonturenverhaal over een jongetje en zijn oudere vriend, het mechanisme van macht en dictatorschap. Oliviers predikt niet maar laat op eenvoudige wijze zien hoe er gemanipuleerd wordt, hoe mensen misbruikt en vernederd worden. Hij legt zelfs even de concrete link naar Hitler. Dit boek kan een aanleiding zijn tot een gesprek over veel aspecten van de samenleving, maar ook voor de eenzame lezer ontrafelt de auteur op speelse wijze, en bevattelijk, wat er zoal kan misgaan in de wereld. Origineel, boeiend, met aandacht voor spanning en zonder emotionele aspecten te schuwen. Een pareltje.
In dezelfde serie Dolfijnboeken van Lannoo verscheen ook « Een poes in een put in je hoofd » van Hugo Brems. Maarten is een jongen die in zijn fantasiewerelden allerlei gedaanten aanneemt en talloze avonturen beleeft. Een spannend boekje dat aansluit bij de verbeelding van de lezer, terwijl de werkelijkheid toch steeds weer opduikt, vaak in ironische, soms tragische details. Een poëtisch boek ook, met een duidelijke catharsis die alles relativeert. Ik vraag me wel af of de jonge lezer (vanaf 8) deze grillige fantasie, die ongetwijfeld ook wel de zijne is, op papier kan volgen en tot een coherent geheel smeden. Als illustratie voor de ontwikkelingspsychologie is dit zeker een interessant werk, dat de evolutie van de verschillende ikjes en het letterlijk en symbolisch samensmelten daarvan, aantoont. Als illustratie van de leefwereld van het kind zeer aanbevolen; als ontspanningslectuur zie ik het toch voor iets oudere lezers, vanaf 12, die ook de knipoogjes al kunnen begrijpen.
EEN BEESTENBOEL
Of het nu al of niet gefingeerde poezen of eenden zijn, ik kan me haast geen enkel jeugdboek voor de geest halen waarin géén dier voorkomt op de een of de andere manier. Een verzameling dierenverhalen (Jennifer Kavanagh, Een boek vol dierenverhalen, uitg. Westfriesland, 138 blz.) leek me dan ook een uitstekend idee. Toch is het geen meevaller geworden en dat om diverse redenen.
Ten eerste is er de selectie. Altijd een combinatie van zakelijke aspecten (wat mag worden overgenomen en wat niet) en van persoonlijke smaak natuurlijk, maar sommige stijlen zijn toch echt te uiteenlopend om onder één hoedje te worden gevangen. Vooral de allegorieën zijn volgens mij niet op hun plaats (« Hoe de angst ontstond » van Rudyard Kipling en « De dans van de buffalo » van Leon Garfield). Zoals men weet gaat onze « Reinaert de Vos » b.v. ook niet over dieren…
Hetzelfde kan men — om andere redenen — stellen bij « En toen kwam de kat » van Barbara Lacey (overigens vergeten in de voor het overige ook zeer onvolledige inhoudstafel), dat mij niet echt geschikt lijkt voor kinderen. Dat is trouwens zeker niet het geval bij het cynische « Esmé » van H.H.Munro. En ook de mentaliteit van « De verdwaalde zeearend » (T.O. Beachcroft) staat me niet aan (een jongen moet zich helemaal laten openrijten door een zeearend, vooraleer zijn vader een beetje respect voor hem kan opbrengen).
En dan is er de taal. lk zal daarover blijven doorzeuren tot uitgevers daarvoor een beetje respect beginnen te tonen, want vertaalster Corry van der Hulst heeft ze ook hier weer genoeg « opengereten ». De meest merkwaardige woorden en zinswendingen kom je hier tegen. Wist je b.v. dat het meervoud van knecht « knechts » is (blz. 16) ? Om dan nog te zwijgen over de ridicule Hollandse aanpassingen die Tante Corry heeft aangebracht in dit Angelsaksische boek (de Vlaamse kinderen kunnen natuurlijk de pot op) : zo leest de familie Digby-Jones « De Telegraaf » (blz. 29), gaan ze naar « Paleis Soestdijk » (blz. 32) en vieren ze « carnaval boven de Moerdijk » (blz. 32).
Is het dan allemaal huilen met de pet op ? Welnee, om op de traditionele optimistische noot te eindigen : het verhaal « Vechten en veren » van Jan Mark over het allergische jongetje is mooi, terwijl op z’n minst twee van de vier nog niet opgesomde verhalen (we kunnen niet té veel in detail treden) ook aandacht zouden verdienen. Aan u om uit te maken of u daarvoor 380 fr wil neertellen.
Mensen die verdriet hebben, zoeken inderdaad vaak hun toevlucht bij huisdieren. En voor kinderen is dat dubbel waar. Zo heeft Liva Willems El en Els, Paulina uit “Ik ben een wolk” heeft King en Kong en allemaal hebben we misschien ook wel ooit eens hamsters, guinese biggetjes of dwergkonijntjes gehad.
Laten we maar meteen beginnen met het meest aangrijpende werk, “De hond achter het raam”, van Helen Griffiths (uitgeverij Westfriesland). Dit interessante werk dat werkelijk de basithema’s van àlle literatuur bevat, wordt onderbroken gepresenteerd, zodat je haast verplicht bent (ook omdat het zo goed geschreven is), om het in één ruk uit te lezen en dat vraagt dan wel erg veel van je “psyche”, a fortiori van die van een kind. Het verhaaltje is op zich nochtans erg simpel. Alison, een meisje van dertien, leeft wat op zichzelf teruggetrokken. Haar vader heeft ze nooit gekend en haar moeder heeft eigenlijk alleen maar belangstelling voor uitgaan en oppervlakkige dingen. Daarom projecteert Alison al haar liefde op een reusachtige herdershond die, net als zij zou je bijna kunnen zeggen, dag in dag uit voor het venster van een flatgebouw voor zich uit zit te staren. Vooraleer Alison dan uiteindelijk erin slaagt die hond in haar bezit te krijgen, komen er nog een aantal aangrijpende obstakels in de weg die je weliswaar reeds op de kaft kunt aflezen, maar dat vinden we nu wel een beetje overdreven om de inhoud van niet minder dan 123 pagina’s op een totaal van 132 reeds te “verraden”! Maar misschien was de schrijver van die tekst er ook vanuit gegaan dat het eigenlijk niet om feiten ging, maar om gevoelens. En, zoals gezegd, daarvan wordt er een heel scala van bestreken. Relaties spelen bijvoorbeeld een belangrijk rol, liefdesrelaties (huwelijk, echtscheiding, …), maar ook de relatie ouders-kinderen en vriendschap voor mens en dier.
Op een veel aangrijpender manier dan in talrijke “volwassen” romans komt ook de onmacht van communicatie naar boven. Zo begrijpt Alisons moeder helemaal niets van haar liefde voor de hond Wolf. Om haar dochter van haar “waanzinnige” idee af te brengen, zou ze haar desnoods “een peperdure porseleinen herder, bijna precies zo getekend als Wolf (geven), al moest ze daar tien winkels voor aflopen“.
Of er is de relatie van Alison tot Reg, de nieuwste minnaar van haar moeder: “Ze kon hem natuurlijk vragen om nog wat te blijven, maar ze was boos op hem omdat ze de indruk had dat hij waarschijnlijk nog boos op haar was“. Bijna “platonisch” dus, in de betekenis dat menselijke relaties meer op schijn, op indrukken, op vermoedens worden gebaseerd dan op het wezen, de realiteit, zodat je op de duur zoals de punker Jason je gaat afvragen: “Ik? Ik geef om niets. Wat heeft het voor zin? Als je om iets geeft, raak je het kwijt“.
Jammer dan ook dat Alison in haar wanhoop haar bestaansreden buiten zichzelf gaat zoeken, god dus. Op zich maakt het deel uit van dat “zoeken”, zodat het een valabel onderdeel van een jeugdboek kan uitmaken, maar als Reg op haar vraag naar het bestaan van god categoriek antwoordt: “Als hij niet bestond, zou alles volkomen zinloos zijn“, dan werpt dit toch wel een slagschaduw over dit voor de rest prachtige boek. Zelf uitmaken dus of dit zinnetje voor u de overige 132 pagina’s vergalt.
Een andere hond, Piraat, speelt ook een belangrijke rol in “Grapje van Silvester” van Diane Broeckhoven (uitgeverij Lannoo, 100 bladzijden), een boek dat zich echter eerder laat inschakelen in onze rubriek “jeugdboeken over kinderen die van huis weglopen”. Hier is Joke aan de beurt, een Indisch meisje dat door een geitewollesokken-koppel is geadopteerd. Een “Indische mijnheer” sprak haar naam ooit eens uit als het Engelse “joke” (grapje) en zo is het dan ook gebleven. Zoals gewoonlijk is de reden waarom Joke van huis wegloopt inderdaad ook weer een grapje (na een ruzie met haar autochtoon-Vlaamse, jonger broertje). Gelukkig blijven jeugdschrijvers meer fantasie te hebben dan reële kinderen, want anders had de politie de handen vol met het zoeken naar onze ukken allen al, laat staan dat er dan nog bij de CCC zouden aansluiten.
Toch is dit boekje van Broeckhoven een meevaller, want naast Grapje is er ook nog een zekere Silvester die er vanonder muist, zoals de titel al laat vermoeden, en deze man heeft wel degelijk redenen! Hij is zopas opgenomen in een tot bejaardentehuis omgetoverde kleuterschool, waar veel werk kwam daar niet bij te pas, want de bejaarden worden echt als kleuters behandeld: na Sesamstraat het bed in, vinger opsteken als je wil plassen en bij je eten geen ferme pint maar heloranje limonade (“of was het spoelwater van de penselen na de tekenles?“). En in het schetsen van deze problematiek (onder andere de relatie tot Piraat) is Broeckhoven uitstekend geslaagd, tot een gemeende ontroering toe zelfs.
Natuurlijk loopt alles uiteindelijk goed af, want zeiden we niet reeds dat jeugdschrijfsters meer fantasie hebben dan Salvator-nonnen, om maar die te noemen?

Referenties
Ronny De Schepper, Vechten tegen de hamburgermentaliteit, De Rode Vaan nr.47 van 1984
Johan en Jan de Belie-Segers, Vakantielectuur voor de jeugd, De Rode Vaan nr.32 van 1985

Een gedachte over “Vechten tegen de hamburgermentaliteit

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.