In 1992 maakt Raymond Van het Groenewoud een theaterprogramma, “Intiem”, deze keer helemaal solo, dat vergezeld wordt van een CD met dezelfde titel.

Hierop een herneming van Mijnheer de postbode, Niets heeft nog zin (zonder jou), Omdat ik van je hou, Hallelujah ze is van mij, M’n leven lang, Mama en papa (Een slechte film), Naar de Groenstraat, Bostella (uit Brel), Toujours l’amour, In m’n huis, Intimiteit, In de gracht, Geen boodschap, Zo graag dicht bij je zijn, Oorlog, Onverschilligheid, De lotgevallen van Engelbert Humperdinck (eigenlijk al een nummer uit 1981), Weg met Boudewijn (Leve Fabiola), Ik wil je hier bij mij en Toetje. Intimiteit is ook de nieuwe (succesrijke) single met als b-kant Liefde is een wortel.
Bij het ontbijt in Leningrad op 15 december 1988 discussiëren Jaak Smeets, Fons Mariën, Toni Smeulders en ikzelf over wat nu eigenlijk nieuwswaarde heeft, vooral wanneer het zich in de privé-sfeer situeert. De aanleiding is dat Toni weet te melden dat Raymond van het Groenewoud van zijn Mie gaat scheiden om met haar zus Nana te trouwen. Gebruik je dit nu of niet? Fons vindt van niet, Jaak vindt van wel. Fons verzint dan ter plekke meteen ook maar een titel voor Jaaks stuk: “Het is een feit: Raymond van het Groenewoud scheidt”.
Zelf ontmoet ik Raymond niet lang na dit gesprek, omdat ik als laatste interview voor De Rode Vaan (in vast dienstverband wel te verstaan) graag met de man wil spreken, die ik heel die tijd zo op de voet heb gevolgd. Ik leg hemzelf het probleem voor en Raymond vindt ook dat dit niet kàn. Toch staat hij enige tijd later, mét een foto van zijn nieuwe vrouw, in Story. Zijn andere “ex”, Danielle, zou deze “story” toch niet geschreven hebben, zeker?
Om die reden ontmoet ik Raymond begin 1989 in Hotel Metropole op het Brusselse Brouckèreplein. Helemaal in overeenstemming met de opvatting voor de nieuwe rubriek “het bezoek” is dit dus niet. Maar er zijn gegronde redenen om ons hieraan niet te storen: in 1977 deed ik mijn eerste interview voor De Rode Vaan met de toen ook voor het eerst erg populaire zanger van “Meisjes.” Nu ik bijna twaalf jaar later aan mijn zwanezang toe ben, wil ik – romantische jongen als ik ben – ook met hem afsluiten. En hij – romantische jongen als hij is – stemt in met een “intiem” gesprek.
Gedurende al die tijd heb ik (op één uitzondering na, nl. de elpee “Habba”) hem ook steeds verafgood. In een artikel over VTM lees ik een confrater van “Het Laatste Nieuws” de levieten omdat hij zo ongegeneerd voor deze zender supportert, op het eerste gezicht zondig ik hier dus tegen mijn eigen principes. Maar juist opdat ik toch maar niet van idolatrie beschuldigd zou kunnen worden, ben ik integendeel soms erg scherp geweest tegenover Raymond. Na een radio-interview heb ik van zijn moeder eens een ontroerende brief gekregen, waarin ze mij vraagt “mijn communistische harnas” af te leggen. Over misverstanden gesproken! Zelfs “Habba” vind ik trouwens eigenlijk niet zo slecht. Alleszins de live-optredens uit die tijd waren in mijn ogen nog altijd even schitterend. Ook al irriteerde het mij soms dat Raymond zijn eigen nummers niet altijd ernstig nam (vooral “Je veux de l’amour”), toch kan ik mij geen enkel optreden herinneren dat ik niet één moment ontroerd was of gedurende tenminste één nummer op (een al dan niet denkbeeldige) tafel heb staan dansen. En dan moet je weten dat ik geen enkele zanger ooit zoveel heb weten optreden. “Centimeter” Mich Verbelen vroeg zich in 1979 reeds verwonderd af: “Ben jij ons nu nog altijd niet beu?” Nee, Mich, zelfs tien jaar later nog niet.
EEN ROCKGROEP STAAT OF VALT MET DE DRUMMER
Hoeveel interviews ik in al die jaren heb afgenomen van Raymond kan ik bij benadering niet meer schatten. In het begin van het gesprek wordt het dus eerst een beetje aftasten in welke zin het gaat verlopen. Omdat we toch volop in de nostalgie zitten, rakel ik de periode met de Centimeters nog even op. Zowel voor het grote publiek als voor mijzelf was dat dé glorieperiode van Raymond. Samen met Jean Blaute, drummer Stoy Stoffelen en reeds genoemde bassist Mich Verbelen vormde hij toen een hechte groep in mijn overtuiging, terwijl nu de groepsleden zodanig snel wisselen dat het haast niet meer bij te houden is. Raymond vindt van niet.
“Kris Roose aan de keyboards en bassist Hans De Backer zijn er altijd al bij geweest een ook gitarist Rik Aerts van The Bet draait nu toch al lang mee. Maar ik heb altijd al last met drummers gehad. (Stoy Stoffelen is nochtans de enige Centimeter met wie Raymond in zijn nieuwe groep nog heeft samengewerkt, R.D.S.) Nu is het Walter Mets en in mijn ogen is dat de drummer die ik nodig had. Wat nog maar eens bewijst dat een rockgroep staat of valt met de drummer. De rest mag aanmodderen of geniaal spelen, dat heeft niet zoveel belang, als de drummer hét maar heeft. Zelfs de zanger moet dan niet veel meer doen… En als dan toch de puntjes op de i worden gezet: ook de Centimeters waren slechts een eindpunt na Louisette en Bien Servi, waarin Jean-Marie Aerts (later vooral bekend van TC-Matic) nog meespeelde. Het probleem met die succesperiode is dat dit nogal gemakkelijk uit zijn verband wordt gehaald. Buitenstaanders beschouwen dat als hét stuk van mijn leven, maar dat is wel een zeer romantische visie.”
Als ik later in het gesprek mij laat ontvallen dat ik de elpee “Ethisch Reveil” destijds wellicht wat te hoog heb ingeschat, beaamt hij dat. “Dat kon ook niet anders, ik kan me niet inbeelden dat een elpee goed zou zijn, als ik me ellendig voelde toen ik ze aan het maken was. Omdat ik me min of meer gedwongen voelde om dingen te doen waarin ik geen zin had.”
We gaan er niet op in, maar wellicht wordt hiermee een allusie gemaakt op de verslechterende sfeer in de groep. Kortom, het is de “Let it be”-elpee van de Centimeters… Overigens voegt Raymond daar onmiddellijk aan toe dat hij van de B-kant (“Brussels by night”, “Ys” en “Markies de Sade”) nog altijd een “stoned gevoel” krijgt. Bij een andere gelegenheid merkt Raymond trouwens op dat hij zijn composities als zijn “kinderen” beschouwt en dat hij er eigenlijk geen kwaad woord wil over horen, ook al beseft hij natuurlijk zelf ook wel dat er af en toe eens iets fout gegaan is. “Platen zijn per definitie net zo goed een momentopname als een optreden. Je kunt je daar onnozel aan sleutelen, maar dat is mijn genre niet. Bovendien kun je er in België met studiotijd niet zo maar luchtig omspringen. Vandaar dat er elpees zijn waarop ik zelf wel wat aan te merken heb en andere die ik koester, zoals mijn eerste, ‘Je moest eens weten hoe gelukkig ik was’ en verder ‘Nooit meer drinken’, ‘Ontevreden’ en … och ik ga ‘Intiem’ niet vernoemen, omdat het te gemakkelijk is. Ik denk wel dat het zo zal zijn, maar daarover kan ik pas later oordelen. Het is alleszins een elpee die ‘warm’ klinkt.”
Daarna gingen Raymond en de Centimeters dus uit elkaar. De Centimeters gingen te samen nog eens op pad, eerst met Roland, nadien met Jan De Wilde, maar meestal werkten ze totaal apart. Jean Blaute werd een bekend producer (Clouseau o.a.) en TV-figuur (“Drie Wijzen”), Stoy Stoffelen kon hier en daar toch nog wat drumwerk afleveren (bij der Polizei, bij Ben Crabbé en diens Floorshow en bij de Notenclub b.v.), maar Mich Verbelen verdween helaas bijna helemaal uit beeld.
Waar Raymond ook al die tijd mee te maken heeft gehad, zijn de zogenaamde “luisterfreaks.” Die vinden het dan constant jammer dat hij zijn teksten “verdrinkt” in zware rock’n’roll. “Die mensen kunnen niet overweg met die barbaarse elementen, hé. Rock’n’roll is altijd al apenmuziek geweest, al van bij Elvis Presley. En het wàs ook apenmuziek, verdomme, opzwepende apenmuziek. Dat is precies wat me zo aanspreekt. En dan niet via een plaatje, tenzij misschien in een discotheek. In zo’n geval heb ik zelf geen problemen met wat men dan disco noemt, want ook over dat woord bestaat er wel eens spraakverwarring. Tot en met new beat. Als je dat hoort pompen in een discotheek, dan versta je wel dat de mensen daar even hun hersenen bij kwijtraken. Dat is trouwens ook de bedoeling. Net zoals bij de primitieve volkeren. De hersenen kunnen wel wat aan, maar niet alles. Voorbij het medium taal gebeurt er veel meer. Een gedicht kan ook wel meer oproepen dan enkel datgene wat er in woorden staat. Maar iemand die begint te drummen doet in mij sowieso meer ontwaken dan iemand die mij een krant doet lezen. Het doet het bloed sneller vloeien. Misschien niet letterlijk, maar als je dat gevoel hebt, is dat voldoende. Wanneer ik aan de hemelpoort zal staan, zal ik niet zeggen dat ik die of die tekst schreef, maar dat ik altijd de bedoeling had met anderen iets te leren en dat zo goed mogelijk door te geven: dat is wat brandt. Als ze maar weten dat ik zo graag speel.” Dat laatste zei hij dan tegen Peter Vantyghem in De Standaard van 4/11/95.
HET HIER EN HET NU
Anderzijds zijn de lievelingsnummers van die “tekstenfreaks” wellicht ook mijn favorieten. Ik denk aan “Wachten op de wagen in de nacht”, “Omdat ik van je hou”, “Danielle”… Maar ik vind dat dit ook rock’n’roll is…
“Ik begrijp wat je bedoelt en ik ben het er uiteraard mee eens. Ik denk dat je het verschil kunt horen met iemand die uit de kleinkunstacademie komt en die zo’n nummer maakt. Ik geef daar trouwens soms les, dus ik kan het weten. Dat zit’m gewoon in de uitstraling van de stem. Je kan dat moeilijk onder woorden brengen.”
Het heeft ook met jazz te maken: even wachten, een lettergreep iets langer aanhouden of integendeel juist afbreken…
“Dat telt allemaal mee, heel zeker. En ook de manier om het live te brengen. De modale kleinkunstenaar zal zichzelf steeds maar kopiëren op het podium. Die zal er trots op zijn dat het net zo mooi klonk als op de plaat. Terwijl ik daar reeds vanalles mee heb gedaan, ook met die tere nummers. En ik slaag er nu toch stillekesaan in om de mensen daarvoor te winnen. Natuurlijk is er altijd wel iemand ontgoocheld omdat er iets opzettelijk niet klopte. Ik vang dat meestal op door bij zo’n nummer aan te kondigen dat ik nu eens heel goed mijn best zal doen. Dan begint het in de zaal al te kriebelen. En ik doe dat niet omdat ik er de pest aan heb sommige nummers steeds maar opnieuw te moeten spelen, ik doe dat heel bewust om de muziek te her-creëren. Ik heb het reeds eerder gezegd: slechts voor de veiligheid heb ik een programma, voor als ik geen inspiratie heb. Maar soms voel ik plots dat ik absoluut iets nieuws wil gaan doen. En dan moet ik dat ook doen, want anders belazer ik de mensen – al weten die dat niet, natuurlijk. Tenzij dan wat ik noem de fijnproevers. Die zouden gezien hebben dat het de automatische piloot was. Dat zou ik eigenlijk wat meer kunnen doen, maar ik verbruik tijdens mijn optredens altijd ontzettend veel energie omdat het bij wijze van spreken telkens het laatste zou kunnen zijn. Of beter nog: ik wil de indruk wekken dat het allemaal op het ogenblik zelf uit de grond wordt gestampt. Het hier en het nu maximaal beleven, daar komt het voor mij op aan. Ook in het gewone leven trouwens. Ik zeg niet dat ik daar altijd in slaag, soms zit ik er net naast en alle krampachtige pogingen ten spijt, geluk ik er maar niet in op de juiste golflengte te komen. Dat kan dan al van ’s morgens vroeg het geval zijn. Er zijn van die dagen waarop ik schijnbaar alles lijk omver te stoten, waarop de dingen niet op hun vertrouwde plaats lijken te staan. Eigenlijk zou je dan beter in bed blijven.”
Iedereen schrijft liefdesliedjes, weinigen haatliedjes. Raymond wel. Een pijnlijk thema. Muzikaal meestal even sterk als andere nummers, maar de teksten van “Ik heb genoeg van jou” en “Niet te vertrouwen” gaan werkelijk door merg en been. En net zoals bij zijn liefdesliedjes voel je dat ze met een bepaald iemand voor ogen geschreven zijn.
“Inderdaad, maar ik vind wel dat het niet uit te maken is, vooral omdat ik een mengeling heb gemaakt uit elementen van verschillende mensen. Zeker ‘Ik heb genoeg van jou’ dat eigenlijk bestaat uit verschillende versies die ik reeds geruime tijd had liggen en die misschien elk op zich wel over één persoon handelden, maar die ik dan heb gemengd op basis van uitspraken die muzikaal het beste klonken.”
Opvallend is dat het bij haatliedjes altijd over mannen gaat (“Total loss” zelfs over Hollanders!). En de liefdesliedjes voorlopig ook nog uitsluitend over vrouwen…
“Ik ben geen vrouwenhater, zoveel is duidelijk,” grinnikt hij. “Op het domein van de erotica kunnen mannen misschien wel een plaats innemen, maar als het op tederheid aankomt, moet ik me toch altijd weer tot vrouwen wenden. Wat ik bij gasten trouwens erg vind, is altijd hetzelfde: dat ze zo duur doen, dat ze zich zo gauw iets gaan inbeelden. Iemand kan bij wijze van spreken ‘Broeder Jakob’ op piano spelen en vindt dat het hem daardoor toekomt allerlei filosofieën te gaan verkondigen.”
Het is wel een mes dat langs twee kanten snijdt: juist omwille van dergelijke scherpe teksten kunnen buitenstaanders wel eens de indruk hebben dat die Van het Groenewoud zelf ook onuitstaanbaar moet zijn.
“Al wat je zegt, ben je zelf. Jaja, ik kan daar inkomen, al heb ik tot nu toe nog geen dergelijke reacties gehad.”
Ook de liefdesliedjes zijn vaak tot één bepaalde persoon gericht en ook daar legt hij heel zijn ziel in. Toch blijft hij die ook zingen lang nadat de relatie afgelopen is.
“Soms valt er toch iets voor een tijdje weg, hoor. Maar dat kan natuurlijk moeilijk mijn hele leven lang zo blijven, dat zou al te erg zijn.”
Schrijft hij véél?
“Niet meer zoveel als vroeger, maar dan ging het ook te snel. Dan was ik te rap tevreden. Nu begin ik er pas aan als het eigenlijk al af is.”
Onwillekeurig moet ik aan die heerlijke scène uit “Amadeus” denken als Schikaneder aan Mozart vraagt of “De Toverfluit” reeds af is. “Ja,” antwoordt Woolfie, “hier in mijn hoofd.” Raymond lacht uitbundig, het is een vergelijking die hij blijkbaar kan appreciëren.
DE DAG DAT MAMADOU OP HET PODIUM SPRONG
“Ik werk het liefst thuis. Als de omstandigheden optimaal zijn. Ook al is een nummer als ‘Gelukkig zijn’ inderdaad tot stand gekomen toen ik heel depressief was. Het ene sluit trouwens het andere niet uit. Ook als alles goed schijnt te gaan, krijg ik nog geregeld een depressieve bui. Je zou wel kunnen stellen dat ik manisch-depressief ben,” grinnikt hij. “Gelukkig ligt dat voor optredens helemaal anders. Soms ben ik zo depressief dat ik helemaal achteraan wegkruip in de camionet, dat ik niet mee ga eten, dat ik gewoon zeg: roep me maar als het zo ver is. En dan ga je op dat podium en patat! Dat kan zelfs een heel goed optreden worden. Je bent immers je talenten niet kwijt en tegelijk stel je geen hoge verwachtingen in jezelf. En voor je het weet, ben je alweer goed vertrokken. Precies daarom zijn premières hopeloos. Want dan word je wel in de richting geduwd van: laat nu maar eens zien wat je kunt!”
“Nee, geef mij maar een optreden waarop wordt gedanst. Daarvoor wil ik heel mijn repertoire opgeven. Als ik zie dat er ambiance is, dan denk ik niet zozeer aan mijn eigen composities. Dansmuziek is een verhaal apart. Er is hier echter geen traditie, geen infrastructuur. We vormen jammer genoeg geen Afrikaanse volksstam, hé. Ik word elke keer wel zot en mijn muzikanten ook, anders zouden ze mijn muzikanten niet zijn, maar we zijn absoluut marginaal daarin. We zouden met onze kop tegen de muur lopen als we daarop onze boontjes zouden te week leggen. Ik mag dus de hemel prijzen dat ik ook dat andere talent heb, dan van songschrijver. Zelf ben ik niet de ultieme drummer. Maar soms is er zo’n moment, waardoor ik alweer voor een half jaar verder kan. Ik denk b.v. aan dat kampioenenbal van Club Brugge in het Casino van Middelkerke, waarvoor Franky Van der Elst me had gevraagd. Dat was allemaal wel o.k., maar het barstte toch maar echt uit zijn voegen toen Mamadou Tew op het podium sprong terwijl wij ons enige ‘Afrikaanse’ nummer speelden, ‘Het maakt me niet meer uit’. Die was zo zot als een deur en meteen zie je alle blanken in de zaal ook twee étages omhoog klimmen omdat ze net als hem proberen te dansen.”
74 superfanDaarmee hebben we het meest essentiële wel gehad, vind ik. We rekenen af en schermen buiten onze ogen af tegen de laagstaande zon. Een oudere dame profiteert van de gelegenheid en valt Raymond spontaan om de hals. Ook voor groupies heeft de tijd blijkbaar niet stilgestaan. Ze wil ook weten wie ik wel mag zijn. Door een plotselinge inval stel ik mij, naar analogie met Dylanologen voor als een Groenewoudoloog. “Ja,” lacht Raymond, “als er zo’n gasten zouden bestaan dan kom jij wel als eerste in aanmerking.” Ik wéét dat het een dubbelzinnig compliment is, maar toch doet hij mij ontzettend veel plezier. Wanneer er niet genoeg kandidaten opkomen voor een fanquiz op de BRT-televisie, geeft Raymond trouwens mijn naam op (dat blijkt niet uit de bijgevoegde brief, maar nochtans is het zo gegaan, ik zweer het; ik was even verbaasd als eender wie toen ik die brief in de bus vond). Uiteraard sla ik dat aanbod af, maar ik stel voor dat Roddy de test zou doorlopen. Omdat die negatief is, doe ik het zelf eens voor de lol. Op die manier ontmoet ik Marc Van Camp, die me werk bezorgt bij Stepsmagazine en Nitro. Komt het dus toch nog goed!
Dat jaar schrijft Raymond ook nog de soundtrack voor “Sailors don’t cry”, de derde film van Marc Didden, waaruit Elsje Helewaut de titelsong vertolkt.
In 1990 werkt hij mee aan het coverproject van Radio 1 “Neem je tijd” met covers van “I want you” van Elvis Costello en “Ces gens là” van Jacques Brel. Hij speelt ook mee op de platen “The last tribe” en “A hole in my soul” van Roland en op “Turalura”, de hulde-CD van rockers aan het monument Will Tura, ook al heeft hij daar zo zijn eigen mening over: “Ik vind het een vervelende zanger. Het valt mij echter op dat men hem geweldig de hand boven het hoofd houdt, ook mensen die anders zeer scherp te keer gaan, zoals Humo en Knack. Ik betwijfel niet dat het een vriendelijke kerel is, maar ik word helemaal melig als ik hem hoor.”
Deze CD werd geproduceerd door Jean Blaute. Deze vertelt in Humo over Raymonds bijdrage: “Hij zei maanden vooraf al dat hij niet met zijn eigen groep kwam, en vroeg of ik de muziek wou opnemen, zodat hij alleen de zang moest inzingen. Dus heb ik voor ‘Mijn airhostess’ zélf de klavieren, de gitaren en de blazers ingespeeld (gesampelde blazers) en de ritmesectie heb ik opgenomen met Mich Verbelen en Stoy Stoffelen. Raymond is dat komen inzingen, was heel tevreden en heeft niet eens gevraagd wie er op die backing tracks speelde… Dus zonder dat hij het weet, heeft hij eigenlijk voor het eerst sinds jaren weer een song met de Centimeters opgenomen. (lacht) Hij zal het te weten komen via dit interview, zoals wij vroeger altijd dingen te weten kwamen via zijn interviews!”
Op het einde van het jaar brengt Raymond de single “Ik ben de man” uit, wat de voorbode blijkt te zijn van een nieuwe verzamel-CD “Meisjes”, die wordt voorgesteld op 7 november in een meisjesschool. Deze keer is de ondertitel “Het beste van R.v.h.G.” veel meer terecht dan tien jaar geleden. Bovendien heeft men zich niet beperkt tot een louter samenbrengen van de oude hits, het meeste materiaal werd opnieuw opgenomen. Dit procedee roept natuurlijk meteen verhitte discussies op. Wie immers de originele versies wil hebben, zal dus nog altijd op zoek moeten naar de haast onvindbare exemplaren van Raymonds vroegere elpees. Men kan redetwisten over een nieuwe interpretatie van een nummer, men kan van oordeel zijn dat ondanks een prachtige uitvoering op déze plaat er aan het origineel eigenlijk toch niets meer diende te worden toegevoegd (“Brussels by night” b.v.), maar men kan niet ontkennen dat zowel de uitvoerende artiesten als de jongens achter de knoppen hier uitstekend werk hebben verricht. Deze CD klinkt heerlijk. Vaak lekker heavy, maar zonder dat het een muzikale brij wordt, alle instrumenten worden perfect naar voren geloodst en het geheel is gemixt met een aan Spic en Span grenzende helderheid.
Tweede vraag: komt deze CD op het gepaste moment uit? Is Raymond niet passé? Vallen de “meisjes” nu niet voor Clouseau en is de Brugse bard niet naar meer “intieme” oorden verbannen i.p.v. de podia van Torhout-Werchter of Pink Pop zoals dat vroeger het geval was? Ook hierop dient een krachtig NEEN als antwoord, al geef ik toe dat dit misschien meer met wensen dan met werkelijkheid heeft te maken. Zowel de Kreuners als Clouseau hebben nu de plaats opgeëist die Raymond eigenlijk toekomt, vooral als je rekent dat er van beide groepen (die ik nota bene ook soms wel goed vind, maar dan hebben we het niet over hetzelfde niveau) geen sprake zou zijn indien Raymond hen niet de weg had gewezen. Nederig merkt Raymond dan wel op dat hijzelf toch ook veel te danken heeft aan het voorbeeld van een Peter Koelewijn b.v., maar zijn relatie tot dit Nederlandse boegbeeld is toch veel losser, dan bij de andere twee het geval is. In een radio-interview (de Soundtrack van Expo 58, 23/3/2008) verklaarde Raymond b.v. dat het grote verschil met Koelewijn is dat hij (Raymond dus) geen “studentikoze” teksten à la “Kom van dat dak af” wilde schrijven, maar wel zaken die hem echt aan het hart gingen. Onnodig te zeggen dat, enkele maanden na “Nooit meer drinken”, Peter Koelewijn op zijn beurt met “Het beste in mij is niet goed genoeg voor jou” deze stelregel zelf ter harte zou nemen.
Om sentimentele redenen zal ik de Centimeters nooit afzweren maar wat Rik Aerts, Hans De Backer, Kries Roose en Walter Mets hier als Vlaamse Mustafa’s bakken, swingt toch als een tiet. Dat geldt trouwens voor àlle versies van de Centimeters-periode, waaruit uiteraard de meeste hits werden gesprokkeld. Over die naam Mustafa’s zegt Raymond o.a.: “Natùùrlijk zou ik een bal van het Vlaams Blok ook doen. Anders vragen ze iemand anders en ik denk dat, zeker bij die gasten, ik er beter kan staan dan een andere. Door wat ik zeg en zing, door mijn lichaamstaal, doordat mijn groep de Vlaamse Mustafa’s heet, zou ik daar al een statement zijn op zich.”
“Vlaanderen boven”, waaraan vele Vlaams Blokkers zich nog wel altijd zullen ergeren, krijgt b.v. een krachtiger arrangement mee, al blijf ik het een redelijk flauw nummer vinden. Ik vermoed trouwens dat Raymond er ook niet zo hoog mee oploopt, maar op een “Greatest Hits” mocht het natuurlijk niet ontbreken. Merkwaardig is ook dat de zin “Waar een diploma geen zin heeft en de koning geen kind heeft”, waar destijds nogal wat om te doen was, meer dan tien jaar na datum vervangen wordt door “waar een diploma geen zin heeft en de koning ook al niet.” Maar Francis Bay mag nog altijd het orkest dirigeren ondanks het feit dat zelfs Freddy Sunder ondertussen aan kant is gezet!
“Bierfeesten” daarentegen is met z’n zeven minuten een overweldigende belevenis. Een superlatief onder de superlatieven. Toch wordt deze beklemmende uitvoering, ongelooflijk maar waar, nog overtroffen door het “vervolg” op dit nummer, “Wat een fijne dag”, dat hier ook tot bijna zeven minuten wordt gerokken. Voor het eerst verschijnt ook “Liefde voor muziek” op plaat. Deze Vlaamse gospelsong wordt de nieuwe megahit van Raymond en meteen ook de eerste Vlaamse nummer één in Nederland worden sedert… “De wilde boerendochter”. In de studio speelt André Brasseur orgel en zingen Sofie en Johan Verminnen in het koortje, bij Jan Van Rompaey mag ook Annemarie Van Bever meezingen.
Van “Je veux de l’amour”, “Danielle”, “Cha cha cha” en “Het verschil met mijn vriend Jan” heeft Raymond uitzonderlijk géén nieuwe versie opgenomen, in de eerste twee gevallen omdat hij die nummers nu veel te veel relativeert, zodat een nieuwe versie ongetwijfeld de kracht van het origineel zou missen, bij de andere omdat ze met typische “Latijns-Amerikaanse” muzikanten werd opgenomen zoals Raymonds vader Nico Gomez. Tot slot werden nog twee nummers niet heropgenomen, maar dat komt dan omdat ze nog te recent waren. Er is op de eerste plaats de nieuwe single “Ik ben de man” natuurlijk, maar er is ook het nog altijd aanstekelijk leuke “Intimiteit”. Alhoewel Raymond van het Groenewoud conservatorium heeft gevolgd, zal het overigens ook voor hem, neem ik aan, als een verrassing overkomen dat ik er onlangs achter gekomen ben dat het bekende themaatje van “Intimiteit” precies dezelfde opeenvolging van noten is als een thema uit het 123ste sonnet van Petrarca, zoals dat door Frans Liszt op muziek werd gezet! En waarlijk, met deze CD verdient Raymond van het Groenewoud een plaats naast deze Groten der Aarde!
In 1991 speelt Raymond mee op de live-CD “Vriend en Vijand” van Bram Vermeulen. Een jaar later brengt hij “Sensatie” uit.
In 1993 doet hij weer een theatertournee. Eerst samen met Frank Boeijen en Harry Sacksioni (niet gezien! dat moet de eerste keer zijn!), later als “Minister van Ruimtelijke Ordening”. Hierin zitten zeven nieuwe nummers, gaande van het aangrijpende “Jarig” (zowaar over de honger in de wereld) over het erg persoonlijke “Eigen stem” tot het hilarische “Arme penis” of de leuke meezinger “Hoppah”, opgedragen aan de sympathieke voetbalbelg Josip Weber. Voor de begeleiding werden de Vlaamse Mustafa’s aan kant geschoven. Occasioneel zal Raymond nog wel met sommigen onder hen samenwerken, maar hij wil nu voor ieder programma een specifieke begeleidingsgroep samenstellen. De ex-Mustafa’s konden dus maar beter naar ander werk uitkijken. En zo vinden we in de zomer van 1994 Kries Roose terug bij Haboe, een kinderrockgroep, die zowaar door het Davidsfonds is opgezet om de Boeboek-boeken van jeugdschrijver Marc de Bel te promoten. Andere leden van Haboe zijn Antoon Lamon, Tommy Vlaeminck en Dominiek de Decker, die samen ook Man X vormen, een countrypopgroep met als zangeres Elf de Bel, de dochter van.
De begeleiding voor deze “ruimtelijke ordening”-tournee was duidelijk op jazz geïnspireerd: drummer César Janssens, saxofonist Bertus Borgers en de nieuwe bassist, Vincent Pierins. In interviews verklaart Raymond dat hij voor deze theatertournee heeft geopteerd omdat hij het beu was steeds maar boven het feestgedruis te moeten uitschreeuwen, dat hij Willem Vermandere of Paolo Conte achterna wil. Als ik hem echter vertel dat ik in de clinch ben gegaan met één die luidop doorheen “Ze weet niet wat ze doet” zat te praten, schijnt hij dat anderzijds toch niet te appreciëren. Wat wil hij nu eigenlijk?
Tijdens het zomerfestival van de Ancienne Belgique zie ik Raymond samen met Noordkaap aan het werk in het Brusselse Warandepark en met een strijkkwartet en één percussionist (César Janssens) hoorde ik Raymond op 15 september 1993 in een “spiegelpaleis” van de Botanique in zijn zoveelste poging om bij het Franstalige publiek door te breken. Alhoewel Raymond een heel sterke set bracht, was het toch opmerkelijk dat de tent zo goed als leegliep. Misschien omdat hij maar een drietal nummers in het Frans zong (waaronder de nieuwe single “L’étranger c’est mon ami”)?
In de zomer van 1995 was er een smaakvolle tentoonstelling in het Gentse Sofitel van Jan Verschueren. Deze kunstenaar uit Lint laat zich bij zijn schilder- en beeldhouwwerk vooral inspireren door liederen van Raymond van het Groenewoud. Hoe kwam hij op dat idee? “Eigenlijk maakte ik oorspronkelijk gewoon werken zoals iedereen, maar bij het zoeken naar een titel, viel ik nogal dikwijls terug op een songtekst van Raymond. Nadien ben ik dan ook soms omgekeerd gaan werken en mij echt laten inspireren door een tekst van Raymond.”
Dat is ook duidelijk in de tentoonstelling. Sommige werken, zoals “Alles is ijdelheid en het ruisen van de wind”, staan eigenlijk volledig op zichzelf. Voor andere helpt het toch wel dat men de RVHG-song min of meer kent. Soms krijgen verschillende werken ook dezelfde titel mee (b.v.”Wachten op de wagen in de nacht”).
De meeste composities geven een cynische bitterheid weer, iets wat wijzelf ook vaak menen terug te vinden bij Raymond. Maar vindt hij dat zelf ook? “Raymond is eens op bezoek geweest in mijn atelier,” zegt Jan Verschueren, “en dat was een beetje een nare ervaring, want het spreekt vanzelf dat onze meningen soms uiteenlopen. Maar over het algemeen was hij wel tevreden.”
Die bitterheid wordt plastisch vooral opgeroepen door het gebruik van ruwe materialen zoals hout en roestijzer. Spijkers in een kop is een weerkerend thema, maar niet voor het voor de hand liggende “Nooit meer drinken”. Andere opgemerkte stukken: in “Troonsafstand” kan men in zekere zin koning Boudewijn herkennen en “Ik wil de grootste zijn” wordt weergegeven met behulp van fietsonderdelen. De ijdele hoop van onze renners in de Tour?
Twee maand later hoor ik Raymond opnieuw in het Warandepark, maar voor het eerst verlaat ik zijn concert halfweg. Te veel funk, vind ik.

Referenties
Ronny De Schepper, “Opzwepende apenmuziek, dat is wat mij aanspreekt”, De Rode Vaan nr.7 van 1989
DSRG, Raymond Van het Groenewoud te bewonderen in de Gele Zaal, Het Laatste Nieuws, 17 februari 1994
Ronny De Schepper, Switch ontmoette de minister van ruimtelijke ordening, Switch, maart 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s