“Is het met de film bijna afgelopen, of zijn we nog maar nauwelijks begonnen?” zo vroeg Orson Welles bij leven en welzijn zich af. “Wie zal het zeggen? Het doet me denken aan die rake opmerking van Chesterton: ‘Niemand weet,’ zei hij, ‘of de wereld oud is dan wel jong’.”
Het heeft geduurd tot 1975 vooraleer George Lucas met de opbrengst van zijn “Star wars” het speciale-effectenbedrijf Industrial Light & Magic (ILM) opricht en op die manier de filmeffecten uit de folklore kan halen. Misschien niet toevallig viel dit min of meer samen met de popularisering van de videocassettes, want nu kon de strijd tegen de huisbioscoop opnieuw in alle hevigheid oplaaien.
Aan de computerwereld is ook de zogenaamde “virtual reality” ontleend. In de film konden we daarmee voor het eerst kennismaken in “Lawnmower man” van Brett Leonard uit 1992 naar een verhaal van Stephen King (die zich echter wel van de film distancieerde) met Jeff Fahey als de debiele tuinman die door een gekke geleerde (Pierce Brosnan) als proefkonijn wordt gebruikt. Niet alleen wordt Fahey op die manier een bijzonder intelligent superwezen, hij mag ook rekenen op de gunsten van sexy Jenny Wright. Tiens, is dit niet de plot van “The Mask”?
Het draaien van “The Mask” (Chuck Russell) nam amper vijftig dagen in beslag. De “postproductie” evenwel (de synchronisatie, de montage, de afwerking en vooral de “special effects”) duurde een gans jaar! Dàt is de filmproductie anno 1995, exact honderd jaar nadat Auguste en Louis Lumière hun nieuwe uitvinding hebben voorgesteld op het congres van de fotografische verenigingen in Lyon.. Maar “virtual reality” speelt b.v. ook een belangrijke rol in “Disclosure”. “Virtual reality” is zoveel als driedimensionele computersimulaties, waar je zelf kunt instappen en buiten de film werd het b.v. ook toegepast tijdens de Golfoorlog. Want dààrvoor is het natuurlijk op de eerste plaats bedoeld. De toepassingen in de film zijn slechts een “spin-off”.
In 1993 was er al “Jurassic Park” met “levende” dinosaurussen en een jaar later kon Tom Hanks in “Forrest Gump” John Lennon de hand drukken via computertechnieken. Als we sindsdien het filmaanbod bekijken, dan is het duidelijk dat de computer de overhand begint te halen op de camera.
Dat komt vooral omdat dit een weerslag heeft op de budgettering van bepaalde films. Roland Emmerich van “Independence Day” heeft het reeds gezegd: “Binnenkort zal het mogelijk zijn om in je garage een blockbuster te verfilmen.” Niet dat zijn SF-succes voor een appel en een ei is gemaakt, maar de kosten werden toch zwaar gedrukt door het ontwerpen van eigen computertechnieken. En dat geldt o.a. ook voor “Twister”, “Dragonheart” en “Jumanji”.
En wat de toegankelijkheid van die technieken betreft, die is ook veel “democratischer” geworden. “Jurassic Park” kon ons nog met verstomming slaan, maar dezelfde technieken worden nu b.v. aangewend om Eddie Murphy in “The nutty professor” of Michael Keaton in “Multiplicity”, eigenlijk twee B-filmpjes, zowaar met zichzelf te laten acteren.
Om je een idee te geven wat nu het verschil is met vroegere films waarin één acteur meerdere rollen speelde, kan het b.v. instructief zijn om nog eens naar “The Family Jewels” van en met Jerry Lewis te gaan kijken. Dat niveau is nu zo amateuristisch dat men dat niet meer zou aanvaarden.
Maar hoe het ook zij, in de Indiana Jones-films, E.T., Who framed Roger Rabbit, Jurassic Park, Forrest Gump, The Mask en vele andere films worden de visuele effecten voor het grootste deel via de computer gegenereerd, terwijl de werkelijkheid zelf nog amper beweegt. Denken we maar aan het gebruik van het “blauwe scherm”, waarbij een acteur als het ware in de actie wordt “geprojecteerd”. Door met die effecten over te stappen van “bewegende beelden” op “beeldende beweging” kende de bioscopen een nieuwe opleving (nu weer in de strijd tegen de dvd), zij het natuurlijk enkel wat visueel stuntwerk betreft, zodat echte filmliefhebbers toch niet helemaal tevreden zijn met deze gang van zaken.
In deze opsomming ligt er eigenlijk nog eens een breekpunt bij “Jurassic Park”. Daarvóór maakte men immers gebruik van zogenaamde “computer graphic images”. Eerst in “Tron”, later vooral in de James Cameron-films “Terminator II” en “The Abyss”. Het is echter sinds “Jurassic Park” dat voor de creatie van “levensechte” dinosauriërs men de computertechnieken zodanig op punt stelde dat het in de toekomst mogelijk wordt films te maken zonder acteurs. Eigenlijk is dat zelfs al gebeurd, maar dan wel slechts voor een klein fragment van “The crow”, waarin de overleden Brandon Lee via computertechnieken vertrekkende van bestaande opnamen werd “gekloond” en van een komische western met John Candy, die eveneens tijdens de opnames overleed. En kijk, men belooft meteen een TV-serie, die “Tales from the Crypt” heet en het procédé als bindmiddel hanteert. Met andere woorden, men zou telkens een nieuw “verhaal” fabriceren met in de hoofdrol een overleden personage. Zo zou Isabella Rossellini o.m. tegenover Humphrey Bogart komen te staan (met een duidelijke knipoog naar “Casablanca”, waarin haar moeder Ingrid Bergman zijn tegenspeelster is). Volgens mij is die serie echter nooit gedraaid.
Wat er wél gekomen is, zijn films met een zogenaamd “motion capture”-pak. Dit pak heeft rasterpunten, waarop de computer achteraf het uiterlijk van het personage “tekent” (ik geloof zelfs dat het een Vlaamse firma is die hierin is gespecialiseerd). Later werd het pak nog geperfectioneerd tot een “performance capture”, waarbij de acteur ook echt kon “acteren” (vooral de gelaatsuitdrukkingen zijn een fantastische vooruitgang tegenover vroeger). Een specialist (als acteur dan) is Andy Serkis, die eerst King Kong speelde en daarna Gollum in “The lord of the rings”, Caesar in “Rise of the planet of the apes” en Kapitein Haddock in “Kuifje”.
Voorlopig moet je in de bioscoop nog geen speciale helm opzetten of speciale “data gloves” (handschoenen) aantrekken, maar ik twijfel er niet aan dat dit voor eerstdaags is. In de Verenigde Staten zijn er trouwens al een paar cinema’s die dergelijke simulaties erg nabij komen. Voorlopig zijn ze echter net zo’n “freak shows” als de eerste filmvertoningen op de kermissen, waarmee we terug bij “af” zijn.

HONDERD FILMS VOOR HONDERD FILMJAREN

Op 22 maart 1895 stellen Auguste (1862-1954) en Louis (1862-1948) Lumière in de besloten kring van de “Maatschappij tot Aanmoediging van de Nationale Nijverheid” een filmpje voor: Auguste die een roeiboot afduwt. Drie dagen eerder hadden ze hun eerste filmpje gedraaid: het zijn de arbeiders van hun fabriek in Lyon die op de middag door de poort naar huis terugkeren. “La sortie des usines Lumière” staat hiermee geboekstaafd als de eerste film. In juni 1895 stellen ze hun nieuwe uitvinding voor (de “cinématographe”) op het congres van de fotografische verenigingen in Lyon. Het is een snelle opeenvolging van een reeks foto’s waardoor de indruk ontstaat dat de personen op die foto’s bewégen.
Film was dus in de eerste plaats beweging (denk maar aan het Engelse woord “movie”). In eerste instantie was het nog enkel de werkelijkheid die bewoog, later zal ook de camera zelf bewegen, maar film wordt pas echt “kunst”, wanneer de grootste “beweging” voortkomt uit de montage van de verschillende sequensen. Daarom zou men film kunnen definiëren als “een ritmische ordening van geprojecteerde beelden”. De cinématographe kon (en kàn, want het spul werkt nu nog steeds) overigens zowel beelden opnemen als projecteren. Het grootste probleem daarbij was de filmrol stabiel te houden. Hiervoor gebruikten de gebroeders Lumière het procédé van… de naaimachine. Hier wordt de stof immers gedurende een fractie van een seconde stilgehouden, opdat de naald heen en weer zou kunnen gaan, en dan een heel klein beetje opgeschoven. In hun geval wordt het beeld dus een fractie van een seconde voor de lens geprojecteerd, waarna er een ander verschijnt. Opdat men de zwarte strook tussen de twee prentjes niet zou zien, wordt de lens bliksemsnel agedekt door een sneldraaiend toestelletje, het zogenaamde Maltezer Kruis. Dat gebeurt allemaal zo vlug dat door de traagheid van ons oog we het niet eens merken. “La sortie des usines Lumière” is op 10 november 1895 voor beperkte kring (o.a. burgemeester Buls) reeds te zien in Brussel en op 28 december 1895 wordt hij samen met “Le repas de bébé” en “Arrivée d’un train dans la gare” in het Grand Café in Parijs voor het eerst in het openbaar vertoond. Daarmee worden de gebroeders Lumière eigenlijk voorbijgestoken door de vertoning op Broadway van een gefilmde bokswedstrijd op 20 mei 1895 en door de Duitse broertjes Max en Emil Sklandanowsky die op 1 november van dat jaar in de Berlijnse Wintergarten zeven minuten film vertonen met een boksende kangoeroe, een Russisch volksdansje en de onvermijdelijke serpentine-danseres. Hun procédé heette de “bioscope”. Tien dagen later legde de Italiaan Filoteo Alberini het patent vast op “zijn” projector. En nog eerder zouden de Rus Jossif Timstjenko (1893) en de Pool Kazimierz Proszynski (1894) ook reeds succesvolle vertoningen hebben gehouden. Aangezien al deze procédé’s echter omslachtiger waren dan dat van de Lumières, moesten ze uiteindelijk de duimen leggen. Al waren er op die eerste vertoning immers slechts 33 betalende toeschouwers (wat dus 33 fr. opbracht), dan brachten de filmpjes een maand later reeds 7.000 fr. per week op!

De eerste publieke vertoning in België vindt plaats op 1 maart 1896 in de redactielokalen van het progressief-liberale blad “La Chronique” in de huidige “Galérie du Roi” te Brussel en datzelfde jaar krijgt Maxim Gorki ze zelfs reeds in Nijni Novgorod te zien. Gorki voorspelt al onmiddellijk dat men binnenkort filmpjes zal te zien krijgen als “Le déshabillé galant” of “Madame prend un bain”. En inderdaad, een Braziliaanse medewerker van Thomas Edison (ik heb vruchteloos naar zijn naam gegoogeld) draait dat jaar de eerste “blue movie”.

Bij het begin van 1897 maakt een verfilming van het einde van de Broadway vaudeville “The widow Jones” ophef omdat het niets meer is dan een kus van de twee hoofdvertolkers, May Irwin en John C.Rice. De film werd dan ook bekend als “The Kiss” en alhoewel hij niet meer toont dan wat de titel aangeeft, zorgt hij voor relletjes op de kermissen, waar de cinema dan nog thuishoort. De eerste cinemabarakken waren trouwens ook vooral bedoeld om aan rijke burgers filmprojectoren te slijten.

De grote populariteit van filmbarakken op de kermis was vooral op deze manier te verklaren, namelijk door het feit dat film nóg realistischer is dan lichtbeelden of mechanische poppen die daar vroeger te zien waren. Dit dateert natuurlijk uit een tijd dat de mensen juist een zo groot mogelijk realisme van dit medium verwachtten. Nu is het net het omgekeerde: de realiteit is immers wansmakelijker gebleken dan de meest groteske fantasie. De visuele verwarring riep verschillende vragen op bij de negentiende-eeuwse mens. Blijkbaar stond zichtbaarheid niet langer gelijk aan waarheid. Dit werd ook bevestigd door de vele re-enactments die men te zien kreeg in het variététheater. Deze re-enactments maakten deel uit van de zogenaamde “actualités”, maar waren geen directe opnames van waargebeurde feiten. De “re-enactments” waren namelijk waar gebeurde feiten die werden nagespeeld in de filmstudio. Zo waren de meeste gevechtsscènes uit de vroegst verfilmde oorlogstaferelen ‘re-enactments’, omdat het onmogelijk was met de eerste camera’s vanop een veilige grote afstand te filmen. Zo maakte Méliès in 1898 ‘re-creaties’ van gevechtscènes uit de Spaans-Amerikaanse oorlog, maar ook van de Dreyfus-affaire. Slechts de best opgeleiden uit het publiek konden de gespeelde scènes van de “echte” onderscheiden. Dit toont aan hoe dun de grens tussen werkelijkheid en fictie werd, waardoor we alweer wat beter de staat van verwarring van de negentiende-eeuwse burger kunnen begrijpen. Om zijn verhaal te kunnen “vertellen” vindt Méliès trouwens ook het storyboard uit: een soort van stripverhaal, dat meteen ook de camerastanden weergeeft. Nog altijd in 1898 gebruikt G.A.Smith in “Grandma’s reading glass” voor het eerst de groot- of detailopname (ook wel “gros plan” genoemd), waarbij het hoofd van een persoon of een (deel van een) voorwerp het hele scherm vult. Voor zover men in die tijd reeds van “scenaristen” mag spreken, moet vooral de naam van journalist Roy McCardell worden onthouden en die van Anita Loos, de “uitvindster” van de “captions”, de teksten die tussen de beelden van een stomme film verschenen.

In 1899 roept “Cripple Creek Barroom”, een filmpje van de Edison studio’s reeds het “wilde westen” op. Nog in dat jaar vraagt de Fransman Auguste Baron reeds een patent aan voor een apparaat dat geluidsfilms kon maken. Edison volgt kort daarna met zijn Kinetofoon (een combinatie van zijn twee vorige uitvindingen, de Kinetoscoop en de Phonograph). Dans was ook een geliefd onderwerp in de vroegste films. Edison filmde vele dansers en beschreef zijn Kinetoscoop dan ook als ‘een machine die de afzonderlijke beelden doet dansen’. Bij de opkomst van de films werden ze graag gebruikt omdat ze het mechanisme van ‘bewegende beelden’ zo mooi illustreerden. Na 1904 werden de dansfilms iets minder talrijk.

Op de Wereldtentoonstelling van Parijs (1900) wordt door Gaumont korte filmfragmenten getoond, waarbij ook klank werd opgenomen, maar dan wel los van de film (op plaat). Het kwam er dus op aan om de plaat synchroon met de film te draaien. Zo was o.a. Sarah Bernhardt (1844-1923) te zien en te horen in “Hamlet”. Nog in 1900 wordt de eerste “echte” montage, nl. een actie opgenomen uit verschillende standpunten en daarna in een welbepaalde volgorde aan elkaar geplakt, toegeschreven aan de Brit James Williamson in Brighton. Datzelfde jaar is Méliès opnamen aan het maken van het verkeer op de Place de l’Opéra in Parijs, als plots de camera blokkeert. Even nadien is het euvel al verholpen en draait de camera opnieuw verder. Als de film ontwikkeld is en Méliès het resultaat van zijn documentaire opnamen bekijkt, ziet hij dat er op een bepaald moment een autobus in beeld verschijnt die plots in een lijkwagen verandert. Tot zijn eigen grote verbazing had hij een van de allereerste filmtrucages ontdekt…

In 1901 is er de kroning van Edward VII. Aangezien Méliès de kroning zelf niet kon draaien, mengde hij documentaire opnames met een eigen geënsceneerde kroningsscène, die zo goed nagebootst was dat Edward VII, toen hij de film later zag, beweerde dat hij zichzelf kon herkennen.

In “Life of an American Fireman” (1902) imiteert Edwin S.Porter de trucages van Méliès, o.a. de surimpressie (b.v. droomscène), terwijl hij ook het procédé van de verschillende camerastanden toepast. Bovendien voegt hij er iets aan toe, waarmee hij zich zeker een plaats garandeert in de filmgeschiedenis: de close-up.

In 1903 gaat zijn “The Great Train Robbery” de geschiedenis in als de eerste echte “western”. Gekoppeld aan “Square dance” is het tevens het eerste experiment met “kleurenfilm” (d.w.z. ingekleurde film).

In 1904 presenteert de Duitser Oskar Messner op de Wereldtentoonstelling van St.-Louis zijn “Biophon” (geluidsfilm), terwijl ook in Engeland (Vitaphone) en in Frankrijk (Gaumont met zijn Chronophon) gelijkaardige procédé’s worden uitgewerkt. Georges Méliès draait zijn “Voyage à travers l’impossible”.

In 1905 is er “Sherlock Holmes Baffled” van Arthur Marvin. “It is the earliest known film to feature the character of Sherlock Holmes. The film, which had a running time of about 30 seconds, was shown in Mutoscope machines in arcades.” In datzelfde jaar doet de Spaanse filmer Segundo de Chomon weer totaal toevallig een belangrijke uitvinding. Terwijl hij bezig is met de opnames van de tussentitels voor zijn stomme film gaat een vlieg erop zitten. Omdat het materiaal in die tijd niet erg lichtgevoelig is, moet Chomon erg langzaam draaien om de belichtingstijd op die manier te rekken. Zo wordt er bij de projectie een vlieg zichtbaar die zich merkwaardig schuifelend voortbeweegt. Zo ontstaat de idee voor een camera waarmee beeld voor beeld kan worden opgenomen: de weg naar de tekenfilm ligt open.

Die is er al in 1906: “Humorous phases of funny faces” (J.Stuart Blackton), een opeenvolging van gezichten die voortdurend van mimiek veranderen, is voor sommigen de eerste tekenfilm.

In 1907 draait Georges Méliès “Le rêve de Shakespeare”. De Engelse titel “Shakespeare writing Julius Caesar” zegt méér over de inhoud. In dat jaar draait hij ook een parodie op de uitvinding van de draadloze telegrafie door Marconi: hij laat de uitvinder een foto van drie meisjes uit de Folies Bergères “draadloos” doorsturen.

Alhoewel er in Italië ook een “artistieke” beweging zou ontstaan (“Film d’Arte Italiano”, 1908) zijn het toch vooral spektakelfilms, die ermee worden gedraaid. De invloed van bepaalde spectaculaire opera’s (“Aida” of “Samson et Dalila” b.v.) is hierin duidelijk voelbaar.

“Gertie the Dinosaur” is in 1909 reeds vreselijk populair. Striptekenaar Winsor McCay voert meer dan tachtig jaar voor “Jurassic Park” immers reeds een dinosaurus op. In vaudevilleshows stond hij zelf op het podium en gaf allerlei “bevelen” aan het getekende figuurtje, die deze dan uiteraard ook trouw uitvoerde. Hij had immers eigenhandig de 10.000 tekeningen gemaakt om de tekenfilm tot stand te brengen.

De komiek Fatty Arbuckle, ook wel “The Prince of Whales” genoemd omwille van zijn lichaamsomvang (whale = walvis), draait in 1910 “The sanitarium”. Arbuckle was enorm populair omwille van zijn goedmoedige uiterlijk. In werkelijkheid was hij seksueel geperverteerd. Zo stierf de jonge actrice Virginia Rappe in 1921 nadat hij haar had verkracht.

In 1911 vindt bij het draaien van “The Lonedale Operator” de cameraman van David Wark Griffith, G.W.”Billy” Bitzer, ook alweer toevallig door een ongelukje, de fade-out uit, waardoor later het in- en uitblenden ontstaat: het in- en uitvloeien en nog later het overvloeien. Datzelfde jaar verschijnt het eerste filmblad, “Photoplay”.

In 1912 is er de allereerste Amerikaanse langspeelfilm, “The Squaw Man” van Cecil B.De Mille. Deze was ook producent samen met Samuel Goldwyn en zijn schoonbroer Jesse Lasky (1880-1958). Het was hun eerste productie en tevens de basis voor het ontstaan van Hollywood. De Mille wilde immers niet langer in een studio werken en om buitenopnames te maken, week men liever uit naar een streek met een zonnig klimaat, Californië dus. Zijn voorbeeld werd nagevolgd en niet enkel door regisseurs die westerns wilden draaien. Ook al omwille van de goedkopere arbeidskrachten dan in New York. Het quasi-monopolie van Hollywood op wereldniveau werd kort daarop gelegd tijdens de Eerste Wereldoorlog toen alle Europese filmindustrieën met één klap werden weggeveegd.

In 1913 creëert Charlie Chaplin zijn typische zwerverspersonage (The Gentleman Tramp).

In 1914 schrijft Giovanni Pastrone met “Cabiria” geschiedenis als uitvinder van de travelling door de camera op een “carello” te plaatsen. En zo gaat men steeds maar verder. Zo is er het panoram(is)eren (draaien op de as) en de panotravelling, een combinatie van de twee. Maar eigenlijk moet men toegeven dat de travelling reeds door de cameramannen van Lumière was uitgevonden namelijk toen ze filmden vanop een rijdende trein of vanuit de lift van de Eifeltoren.

Volgens sommigen begint de filmgeschiedenis overigens pas echt als D.W.Griffith in 1915 “The Birth of a Nation” draait. Deze film over de Amerikaanse Burgeroorlog bracht namelijk miljoenen op en vanaf dat moment werd film een echte industrie.

In 1916 werd “Thaïs” gedraaid, één van de grote flops uit de vroege jaren van de bioscoop. Hoe kon het ook anders? In deze tijd van stomme films poogde men de opera-diva Mary Garden te portretteren in haar glansrol in deze opera van Massenet. Het was wel de eerste film die op het Vatikaan werd vertoond. Ongetwijfeld wegens het moraliserende einde. Of zou de paus dan toch eerder geïnteresseerd zijn geweest in de erotische toestanden die eraan voorafgingen?

In 1917 is Mary Pickford op het hoogtepunt van haar roem als “America’s sweetheart” in “Rebecca of Sunnybrook Farm”. Twee jaar later sticht ze samen met Douglas Fairbanks, Charlie Chaplin en D.W.Griffith United Artists, nog een jaar later huwt ze met Fairbanks.

In 1918 is er “Cleopatra” met Theda Bara, die de geschiedenis is ingegaan als de eerste “vamp”, het prototype van de Latijnse (dus zwartharige) femme fatale.

Lenin vond “van al de kunsten de kinematografische kunst voor ons de belangrijkste”. Niet te verwonderen dat tamelijk vlug na de revolutie, in september 1919 om precies te zijn in Moskou de eerste filmschool ter wereld wordt geopend. Datzelfde jaar was er “Das Kabinett des Dr.Caligari” van Robert Wiene die over het algemeen als de eerste “kunstfilm” wordt beschouwd. Het was de periode van het expressionisme, al zat dit volgens sommigen enkel in het toneelmatige van de film (en met name in de bewust onrealistische decors) en niet zozeer in de film zelf.

Max en Dave Fleischer zorgen met hun “Out of the inkwell” reeds in 1920 voor het samengaan van gefilmde en getekende figuren, maar dan uiteraard wel veel primitiever dan in “Mary Poppins”…

In 1921 was er “The Sheik” met Rudolph Valentino. Dit liefdesverhaal katapulteerde Rudolph Valentino tot superster in Hollywood. Als geen ander verbeeldde hij een explosieve cocktail van ambigue seksualiteit en exotische etniciteit.

In 1922 was er “Häxan” van Benjamin Christensen, de eerste niet-documentaire film met volledig naakt, maar dan wel op de rug en door de semi-documentaire aanpak (nagespeelde realiteit) ook totaal niet erotisch.

June Mathis is één van de eerste filmscenaristen, die deze naam verdienen. Ze slaagde er o.m. in “Greed” van Eric von Stroheim (1923) van tien en een half uur tot vier en een half uur terug te brengen.

In 1924 is er “The navigator”, van en met Buster Keaton, de komiek die nooit lachte.

Op 23 december 1925 zorgt de vertoning van “De Pantserkruiser Potemkin” van Sergei Eisenstein in het Bolshoïtheater voor sensatie, vooral op het gebied van de montage.

Fritz Lang draaide in 1926 “Metropolis”. Alhoewel een klassieker, hou ik toch niet zo erg van de film omdat er duidelijk anti-semitische elementen in zitten. Dat had de heer Hitler ook wel gemerkt. Die vond de film zo goed dat hij Lang vroeg om directeur te worden van de Duitse filmindustrie. Maar Hitler vergiste zich. De film gaf niet de ideeën weer van Lang, maar van diens minnares Thea von Harbou, die het scenario had geschreven. Lang hield zelfs niet van de film en ook niet van Hitler. Hij week dan ook bijna onmiddellijk uit naar Hollywood.

In 1927 is er “The jazz singer” van Alan Crosland. De eerste gesproken film was eigenlijk een “gezongen” film, want tussendoor werd er nog wel met “captions” gewerkt, maar de revolutie zat hem in de bijgeluiden (applaus, een voorbijrijdende trein enz.) en een paar monologen van Jolson, af en toe onderbroken door een tussenwerpsel van zijn “moeder” Eugenie Besserer. Daarom veroorzaakte de film toch een revolutie bij de acteurs, maar ook bij de scenaristen. De oude scenaristen werden afgedankt omdat deze geen dialogen schrijven, zodat men dan maar een beroep deed op toneelschrijvers van Broadway en (merkwaardig genoeg) journalisten. Toch vindt men in deze aanvangsfase alles wat geluid maakt veel interessanter dan het beeld. En wat maakt er het mooiste geluid? Muziek natuurlijk. Bovendien kon men daar door gebruik te maken van de playback-techniek, meer wervelende camerabewegingen maken (al bleef de overgang tussen zang en gesproken woord stroef verlopen). Musicals verdringen dan ook de westerns als populairste genre.

Hal Roach, die twee jaar eerder de Engelsman Stan Laurel en de Amerikaan Oliver Hardy als komisch duo had samengevoegd, schrijft voor hen “Leave ‘em laughing” (première op 28 januari 1928), dat wordt geregisseerd door Clyde Bruckman.

In 1929 was er “Tabu” van Friedrich Wilhelm Murnau. Hij maakte daarbij gebruik van “footage” van Robert Flaherty, een pionier op het gebied van documentaires, die ook populair succes kende, omdat zijn documentaire aanpak hem toeliet veel méér te tonen dan normaal mogelijk was. Vele van zijn films speelden zich af op paradijselijke eilanden in de Stille Oceaan en daar was het véél te warm om kleren te dragen.

“Der Blaue Engel” (Josef von Sternberg, 1930), de eerste “echte” film met Marlene Dietrich.

In 1931, het jaar van James Whales “Frankenstein” met Boris Karloff als het monster, doet Tod Browning, de gewezen assistent van D.W.Griffith voor “Intolerance”, een beroep op de Hongaarse Shakespeare-acteur Bela Lugosi om in zijn filmversie van “Dracula” de rol te creëren. Het zal twee horror-klassiekers opleveren en beide acteurs zullen tot de top in het genre blijven behoren.

De eerste Tarzan van de geluidsfilm was meteen ook de beste: Johnny Weissmuller in “Tarzan, the ape man” van Woody Van Dyke uit 1932.

Merian Cooper kon de studio (RKO) overhalen dat hij samen met zijn maatje Ernest Schoedsack “King Kong” mocht draaien in 1933 (Cooper en Schoedsack waren gevechtspiloten in de Eerste Wereldoorlog en als dusdanig treden zij ook op in hun eigen film bij de beschieting van King Kong).

Een van de meest opzienbarende films uit 1934 is “Ecstasy”. In deze Tsjechische film komt een 10 minuten durende sequentie voor waarin de heldin zich volledig uitkleedt, frontaal wordt gefilmd terwijl zij door een wei loopt en zich daarna in een vurige liefdesscène stort. Hoewel de film lyrisch en symbolisch bedoeld is, raakt hij internationaal berucht door deze sequentie (zelfs al werd ze in de meeste landen zwaar gecensureerd). Het was de 20-jarige Hedwig Kiesler die zoveel opschudding veroorzaakte door dat partijtje naaktzwemmen. Louis B.Mayer (de tweede M van MGM) is erdoor zo van de kook dat hij ze naar Hollywood haalt en haar Hedy Lamarr doopt. Daar mocht ze echter niet meer uit de kleren gaan, want datzelfde jaar komt dus de fameuze “Hays Code” in voege die het “morele niveau” van de Hollywood-films wil hoog houden.

In “A night at the opera” (Sam Wood, 1935) zien we het hoogtepunt van The Marx Brothers. Zo had je Chico (eigenlijk Leonard, 1891-1961), de slungel met het petje die praatte met een Italiaans accent en piano speelde met één vinger. Dan was er Harpo (Adolph Arthur, 1894-1964), de stomme pantomime met de enorme krullenpruik, die praat via een autotoeter, blondjes najaagt en (overigens wél briljant) harp speelt. En dan is er Goucho (Julius Henry, 1895-1977) met de valse snor, het typische brilletje, de enorme sigaar en de rare manier van lopen. Als vierde man had je eerst nog Gommo (Milton), die echter reeds gestopt was nog voor er films gedraaid werden (hij begon een artiestenbureau) en daarom vervangen werd door Zeppo (Herbert, 1901-1979), de lover boy die af en toe een nummertje kweelde, maar er na vijf films al uit stapte om in zaken te gaan.

In 1936 draait Charles Chaplin “Modern times”. Opvallend is dat Chaplin de introductie van het geluid grotendeels aan hem laat voorbijgaan, met uitzondering van de muziek die hij vaak zelf “schreef” (zijn bijnaam was “the whistler of Hollywood” omdat hij geen muziek kon lezen of schrijven).

Het was bchtans met de succesvolle toepassing van het geluid in de tekenfilm “Sneeuwwitje en de zeven dwergen” (1937) dat Walt Disney de concurrentie de nekslag toebracht. Deze film gaat tevens door voor de eerste avondvullende tekenfilm, maar dat is niet het geval. Twintig jaar eerder was er reeds een langspeeltekenfilm in Argentinië en in Europa was er “Prins Hamad” van Otto Reiniger.

“Bringing up baby” van Howard Hawks uit 1938, waarin Katharine Hepburn met haar tijger de beendercollectie van professor Cary Grant om zeep helpt, moet zowat tegelijk het beste en ook het meest bekende voorbeeld zijn van het komische genre dat we kennen onder de naam “screwball comedy”. Het genre was in die tijd zo populair dat zelfs de “Pride and Prejudice”-verfilming met Laurence Olivier en Greer Garson en met als scenarist Aldous Huxley werd aangekondigd als “Bachelors beware! Five gorgeous beauties are on a madcap manhunt!”

Op 15 december 1939 gaat in het Grand Theater van Atlanta “Gone with the wind” (Victor Fleming), de eerste grote Amerikaanse blockbuster in kleur in première. Noch de vroegere pogingen met twee kleuren (tegelijk met de klankfilm), noch de tekenfilms in kleur hadden het grote publiek met dat fenomeen kunnen verzoenen. “Frankly, my dear, I don’t give a damn,” had Jan Publiek net zoals Clark Gable hiertegen gezegd.

In “The Great Dictator” (1940) zet Charlie Chaplin een genadeloze parodie op Adolf Hitler neer. Dit moet wel hard aangekomen zijn, want Hitler was juist een grote fan van Charlie. Zelfs zodanig dat zijn beroemde snorretje gekopieerd is van hem.

“Citizen Kane” (Orson Welles, 1941) is niet meer weg te denken uit het canon van de filmgeschiedenis. De invloed van deze film op de ontwikkeling van het medium is zeer groot. Onder invloed van de Europese traditie, zoals het Duitse expressionisme en het Franse poëtische realisme, maakte Orson Welles een film die vernieuwend was op verschillende vlakken. Welles gebruikte vernieuwende cinematografische en narratieve technieken en experimenteerde met innovaties in fotografie en geluid. Zo zien we een onconventioneel gebruik van belichting, van overlappende geluidsmontage en het gebruik van deep focus cameratechniek en subjectieve camera.

Tijdens de oorlog namen de vrouwen de plaatsen in van de mannen die naar het front waren. Dat was ook in tal van films te zien (b.v. “Tender comrade” van Edward Dmytryk) en zo speelde in 1942 Katharine Hepburn samen met Spencer Tracy in de film “Woman of the Year”. Ze bleken een gouden koppel te zijn. Ze zouden samen nog acht films maken.

Als op 14 januari 1943 Churchill, Roosevelt en De Gaulle bij elkaar komen in Casablanca, besluit Warner Brothers dat het moment gekomen is om de film met dezelfde titel uit te brengen, waarmee ze eigenlijk niets als miserie hadden gehad. Zo hadden zowel de hoofdrolspeler als de oorspronkelijke Viktor Laszlo verstek gegeven. Deze laatste was overigens ene Ronald Reagan. Rick Blaine zou echter ook hier vertolkt worden door George Raft, maar net zoals bij “High Sierra” en “The Maltese Falcon” liet deze de film over aan Humphrey Bogart, die het stilaan beu werd steeds als vervanger van Raft op te draven, maar dit zal hij zich toch niet beklagen…

Leo McCarey, die in 1944 “Going my way” draait, is altijd een hevig anti-communist geweest en was dan ook maar al te zeer bereid om tien jaar later te komen getuigen voor de heksenprocessen van senator McCarthy. Daar werd uit zijn mond ook opgetekend waarom zijn films in de Sovjet-Unie totaal geen succes kenden. “Omdat er iemand in voorkomt waar ze niet van houden!” “Bedoelt u Bing Crosby?” vroeg de advocaat van de commissie. “Nee… God!” antwoordde McCarey zonder een spier te vertrekken.

Ingmar Bergman (1918-2007) draait in 1945 “Hets” (Engelse titel “Frenzy”, in de VS “Torment”): het is de debuutfilm van de Zweedse cineast die het symbolisme in de film tot hoge bloei bracht.

In 1946 draait David Lean “Great expectations”. Later zal hij megasuccessen oogsten met blockbusters als “Bridge over the River Kwai” of “Dr.Zhivago”, maar dit blijft z’n beste!

In “Jour de fête” (Jacques Tati, 1947) is er een rol weggelegd voor een op dat moment actieve profwielrenner, namelijk Marcel Dussault. Het is niet duidelijk of hij ook de stunts van de fietsende postbode voor zijn rekening neemt.

Over fietsen gesproken, in “Ladri di biciclette” (1948) koos Vittorio de Sica voor zijn neorealistische film de metaalarbeider Lamberto Maggiorani voor de hoofdrol. Die dacht dat hij daarna wel in de film aan de kost zou komen, maar uiteindelijk stierf hij in 1983 op 73-jarige leeftijd in armoede.

In 1949 wint “The third man” van Carol Reed de Gouden Palm in Cannes. Deze verfilming van Graham Greenes (1904-1991) gelijknamige roman vertelt het verhaal van de geheimzinnige Harry Lime (met Orson Welles in een meesterlijke vertolking) die wordt achternagezeten door zijn vroegere vriend (Joseph Cotton), ondertussen een schrijver van wild‑west romannetjes. Met bekende leitmotiv van Anton Karas (1907-1985) telkens Harry Lime in beeld verschijnt.

Oorspronkelijk begon de film “Sunset Boulevard” (1950) met doden die in een “hotel” aankwamen en daar vertelden over de manier waarop ze gestorven waren. Omdat ze zich echter lieten “registreren” door een briefje aan hun grote teen, lokte dit gelach uit bij een testpubliek en dat wilde regisseur Billy Wilder niet. Daarom begint de film nu met de beroemde zin: “Ik had altijd al een zwembad willen hebben…” (terwijl men het lijk ziet drijven van degene die dit zegt).

In ‘African Queen’ (1951) van John Huston gebruikt de Canadese avonturier Charlie Allnut (Humphrey Bogart) zijn oude stoomboot met die naam om in Kongo, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, afgelegen dorpen in Oost‑Afrika te bevoorraden. Wanneer Duitse troepen een missionaris doden, aanvaardt Bogart om Rose (Katharine Hepburn), de zeer preutse zuster van de missionaris, terug te brengen naar de ‘beschaafde’ wereld. Bogart en Hepburn moeten het niet alleen opnemen tegen de natuur en de Duitsers, maar ook en vooral tegen elkaar. Het resultaat is een onverwoestbare avonturenfilm, met snedige dialogen en ijzersterke vertolkingen.

Wat heeft “High noon” (Fred Zinneman, 1952), de western waarin de rechtschapen sheriff Gary Cooper het heel alleen tegen vier outlaws moet opnemen, omdat het ganse stadje hem laf in de steek laat, nu met senator McCarthy te maken, zal je zeggen (zeker als je weet dat Cooper één van zijn supporters was). Maar als hij op het einde zijn sheriff-ster vol misprijzen in het zand gooit, dan wil scenarist Carl Foreman (1915-1984) daarmee zijn ontgoocheling uitdrukken over de lakse houding der gewone Amerikanen tegenover de heksenjachten. Er wordt van Gary Cooper altijd beweerd dat hij zowat het mannelijke equivalent was van “het domme blondje” en voor deze film zou dat dus wel kunnen kloppen, als hij de symboliek niet eens had begrepen. John Wayne had dat alvast wél gedaan, want volgens hem was dit “de meest on-Amerikaanse film” die hij ooit had gezien. Hij nam Howard Hawks onder de arm en samen draaiden ze “Rio Bravo”, waar “goeden” en “slechten” duidelijk herkenbaar zijn en de “goeden” zich allemaal als helden gedragen. Nochtans had Wayne zelf weinig redenen om zich voor te doen als de onkreukbare: hij was er b.v. toch maar netjes in geslaagd om aan zijn oproeping voor de Tweede Wereldoorlog te ontsnappen…

William Wyler draaide in 1953 “Roman holiday” met Audrey Hepburn en Gregory Peck. Scenarist Dalton Trumbo kreeg er een oscar voor in… 1993, vijftien jaar na zijn dood. Aangezien Trumbo van 1951 tot 1960 op de Zwarte Lijst van Joseph McCarthy stond, werkte hij immers met een “front”, d.i. een stroman die ervoor zorgde dat geschrapte scenaristen toch nog aan de slag konden. “The Front” is trouwens een film van Martin Ritt uit 1976 met in de titelrol Woody Allen. Het scenario was geschreven door Walter Bernstein, die net als de acteurs Zero Mostel, Herschel Bernardo, Joshua Shelley en Lloyd Gough eveneens tot de uitgestotenen behoorde. En zo kwam het dat de oscar die Trumbo voor “Roman holiday” kreeg, oorspronkelijk in ontvangst genomen werd door zijn vriend Ian McClellan.

In “Bad day at Black Rock” (John Sturges, 1954) is Spencer Tracy een éénarmige oorlogsveteraan die in een onooglijk dorpje een medaille wil overhandigen aan de Japanse vader van zijn makker die het leven liet door het zijne te redden. Maar racistische elementen in het dorp hebben met de stilzwijgende medeplichtigheid van de anderen de Japanner vermoord. Dit was de eerste Hollywoodfilm die de onheuse behandeling van Amerikanen van Japanse afkomst tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde aanklagen.

In de Actor’s Studio ontmoet Elia Kazan in 1955 James Dean, die er echt als een angry young man uitziet. Daarom – en alleen daarom – kiest hij hem voor “East of Eden”. Elia Kazan verklaarde over James Dean: “Alhoewel ik er met ‘East of Eden’ zelf toe bijgedragen heb, vind ik het beeld dat Jimmy Dean de jongeren voorspiegelt vals. Voor mij zijn het in de eerste plaats nietsnutten, vol medelijden met zichzelf. Daarom dat ik hem ook als Cal heb gecast. Echte acteertechniek had Dean niet. Als hij een oudere man moet vertolken in ‘Giant’, zie je wat hij eigenlijk is: een beginneling. Alhoewel ze vaak worden vergeleken en Jimmy hem mateloos bewonderde, is hij zowat het tegendeel van Marlon Brando.”

In 1956 volgt dan “The ten commandments” van Cecil B.DeMille, die hiermee een remake bracht van zijn eigen stomme film uit 1923.

In 1957 brengt Roger Vadim “Et Dieu créa la femme” uit, die overal veel ophef veroorzaakte. Zo ook in Gent: “De rector van het Sint-Barbaracollege in Gent kwam in hoogsteigen persoon in de klas met onheilspellende stem meedelen dat in de Capitole de slechte film Dieu créa la femme zou worden gespeeld en dat het ten strengste verboden was… En inderdaad. Van de dag af dat de wulpse contouren van Brigitte Bardot in potjeskleuren op een kartonnen paneel boven de helverlichte ingang van de bioscoop de haren van alle deftige Gentenaars ten berge deden rijzen, de dag ook dat er in de glazen kast foto’s hingen van het sensuele kind-vrouwtje, van die dag af patrouilleerde een waakzame surveillant onafgebroken in de buurt.” (Vic De Donder, Kom eens naar mijn kamer, Elsevier, 1986, p.122).

Alfred Hitchcock, de meester van de suspens, mag natuurlijk ook niet ontbreken in dit overzicht. Mijn voorkeur gaat uit naar “Vertigo” uit 1958.

Billy Wilder heb ik al eens vernoemd n.a.v. “Sunset Boulevard”, maar zijn “Some like it hot” uit 1959 verdient zeker ook een vermelding. Al was het maar omwille van de vrouwelijke hoofdrol: Marilyn Monroe. Toen zij n.a.v. deze film werd geïnterviewd door een vrouwelijke journaliste, vroeg ze deze quasi achteloos of zij er iets op tegenhad dat ze ondertussen d’r haar zou kammen. Uiteraard niet, antwoordde de journaliste, waarop Marilyn ongegeneerd haar schaamhaar begon te kammen…

In Cannes 1960 is de Gouden Palm voor “La Dolce Vita” van Federico Fellini. Journalist Marcello Rubini (Marcello Mastroianni), uitgeput door de vereisten van zijn beroep en de eisen van zijn minnares Emma (Yvonne Fourneaux) brengt de nacht door bij Maddalena (Anouk Aimée), de dochter van een rijke industrieel. Daarna ontmoet hij de Zweedse filmster Sylvia (Anita Ekberg), waarmee hij de beroemde scène in de fontein van Rome draait. Haar vriend Lex Barker (later zal blijken dat hij in het echte leven zijn tienjarige stiefdochter Cheryl Crane, dochter van Lana Turner, herhaaldelijk heeft verkracht) kan daar niet mee lachen. Daarop probeert Emma zelfmoord te plegen. Het mislukt, de zelfmoord van zijn vriend Alain Cuny lukt echter wél, nadat hij eerst zijn twee kinderen heeft vermoord. Marcello vlucht naar een wilde party waar hij Nadia Gray ontmoet, die ophef maakt met een striptease op muziek van een hitje uit die tijd, “Patricia”. De “echte” muziek van deze film is uiteraard van Nino Rota, maar ook Adriano Celentano maakt een opgemerkte verschijning met een versie van “Ready Teddy”. Het Vatikaan is “not amused”.

In “West Side Story” (Robert Wise, 1961) schrikt men er niet voor terug om de stem van Natalie Wood naar aloude traditie te vervangen door die van een professionele zangeres (Marni Nixon).

Stanley Kubrick draaide “Lolita” in 1962 in Engeland (om de Amerikaanse censuur te ontwijken), zeven jaar nadat de naar Amerika uitgeweken Russische professor Vladimir Nabokov (1899-1977) het boek had gepubliceerd, waarop de film is gebaseerd. Want dààr gaat het dus over: de verliefdheid van een oudere man (Humbert Humbert, gespeeld door James Mason) voor een meisje in haar prepuberteit (Lolita alias Sue Lyon).

In 1963 volgt “Cleopatra”, de duurste spektakelfilm tot dan toe. Zelfs René Goscinny kon er niet aan weerstaan en hij kondigde zijn stripverhaal “Asterix en Cleopatra” dan ook aan als “het grootste avontuur dat ooit getekend werd. 14 liter Oost-Indische inkt, 30 penselen, 62 zachte potloden, 1 hard, 27 vlakgommetjes, 38 kilo papier, 16 rolletjes schrijfmachinelint, 2 schrijfmachines en 67 liter bier waren nodig voor de totstandkoming van deze monsterproductie!”
De kosten van de “echte” Cleopatra liepen nochtans vooral op omwille van problemen bij het draaien. Regisseur Rouben Mamoulian wordt vervangen door Joseph L.Manciewicz en de locatie gaat van Londen (waar Liz Taylor zwaar ziek werd) naar Rome (waar ze haar beroemde affaire met Richard Burton begint), maar de kosten blijven de pan uitswingen. Het succes van “Cleopatra” was uiteindelijk kleiner dan verwacht en de rage van de spektakelfilms was meteen over.

In “Goldfinger” (Guy Hamilton, 1964), de beste James Bond-film ever, zit een zware sneer van Bond aan The Beatles zonder dat daar ook maar de minste aanleiding voor is. Vlak vóór ze wordt vermoord (de beroemde scène waarbij ze in goud wordt geschilderd), geeft James aan Jill Masterson immers enige duiding over de manier waarop men Dom Pérignon moet drinken, “want dat kan men niet zo maar doen, net zoals men niet naar The Beatles kan luisteren zonder oordoppen…”

Die quote moet mij destijds als Beatlefan ontgaan zijn, want in 1965, het jaar waarin iedereen tenminste tien keer “The sound of music” van Robert Wise wil zien, gaf ik ontegensprekelijk de voorkeur aan “Help” (al moet ik toegeven dat de tand des tijds de balans ondertussen naar de andere kant heeft doen doorslaan). Tegen de gangbare opinie in vond ik deze tweede film van The Beatles ook beter dan “A hard day’s night”. Regisseur Richard Lester wint dat jaar de Gouden Palm in Cannes met nog een derde film (deze keer zónder Beatles): “The Knack”.

In “Belle de jour” (Luis Bunuel, 1966) is Séverine (Catherine Deneuve) is ogenschijnlijk gelukkig getrouwd met de geneesheer Pierre (Jean Sorel). Séverine koestert echter masochistische fantasieën (uit een flashback blijkt dat dit teruggaat naar een incident uit haar jeugd). Om deze uit te leven wendt Séverine zich tot haar vriendin (Françoise Fabian) die haar madame Anaïs (Geneviève Page) aanraadt, die een bordeel bezit. Haar eerste klant is een industrieel (Francis Blanche), maar het is vooral de gangster Marcel (Pierre Clementi) die daar op haar verslingerd geraakt en zij op hem in een SM-verhouding, die echter in het gedrang komt als de cynische vriend van Pierre, Husson (Michel Piccoli), hen ontdekt. Catherine Deneuve vertelt over deze film (nadat ze haar beklag heeft gedaan over het “walgelijke” gedrag van Bunuel op de scène, die haar de naaktscènes voortdurend liet overdoen in het bijzijn van een voltallige crew): “Ik vind het – echt waar – de meest erotische film aller tijden. Dat zou er natuurlijk op kunnen wijzen dat Bunuel gewoon de enige juiste werkwijze hanteerde, dat de vernedering een essentieel onderdeel van het creatieve proces uitmaakte.”

“A fistful of dollars”, “For a few dollars more” en “The good, the bad and the ugly” van Sergio Leone uit 1967 worden algemeen beschouwd als een keerpunt in de filmgeschiedenis. Tot dan toe waren (artistiek én commercieel) succesvolle westerns uitsluitend afkomstig uit de Verenigde Staten met regisseurs als John Ford (“The man who shot Liberty Valance”, “Stagecoach” en “Fort Apache”), Raoul Walsh (“High Sierra”), Howard Hawks (“Red River”, “Rio Bravo”, “Eldorado”) of John Sturges (“Gunfight at the O.K.Corral”, “The Magnificent Seven”). Eigenlijk is dat natuurlijk logisch, want de Amerikanen, die altijd en overal “the biggest” willen zijn, zijn uiterst gefrustreerd over het feit dat zij zo goed als geen geschiedenis hebben (“I know people who’ve got whisky older than the United States,” schrijft Julie Burchill). Hun “roots” liggen immers hier, in Europa. Het enige waarop zij kunnen terugvallen, is de verovering van hun huidige vaderland op de oorspronkelijke bewoners, de indianen. Nù kijkt men daar anders tegenaan, maar vroeger beschouwde men dat als een heldhaftige strijd, waarbij de Cultuur het haalde op de barbarij, de Religie op het heidendom. Een gevolg van deze opvatting was dat de onkreukbare Held het centrum van de western uitmaakte. Zo keken o.m. Alan Ladd, Gary Cooper, James Stewart en andere John Waynes ons van onder hun cowboyhoed recht in de ogen, terwijl ze wijdbeens de handen losjes op de patronenhouder lieten rusten. Na Sergio Leone zal dit alles niet langer hetzelfde zijn…

My God, it’s full of stars!” waren de laatste woorden van astronaut Keir Dullea alvorens hij begon aan zijn finale, onthutsende, psychedelische odyssee ver voorbij de grenzen van tijd en ruimte. Nadat ik een vijftal malen de film “2001, a space odyssey” (Stanley Kubrick, 1968) heb gezien en zowel het boek als het vervolg “2010” heb gelezen, begrijp ik nog altijd niet de essentie van het verhaal… Men zou het einde kunnen afschilderen als de schrik voor “The black hole” (een latere film van Gary Nelson), maar uit het slot leid ik eerder af dat het optimistische verlangen (naar een “Superman” zoals die van Richard Donner?) wel blijft bestaan. Door de foetus-idee heeft dit verlangen zelfs een heel menselijke gedaante, alhoewel science-fiction nochtans vooral één thema vooropstelt en dat is juist dat de wereld verandert, dat er geen “eeuwige” mens is, enkel het heelal.

“Easy rider” (Dennis Hopper & Peter Fonda, 1969) betekent het ontstaan van de zogenaamde “road movie”. Het thema van het zwerven is al te vinden in bepaalde Amerikaanse films van de jaren dertig en veertig, zoals “The grapes of wrath” van John Ford en “New York Miami” van Frank Capra. Toch zijn dit eerder voorlopers. Het is pas “Easy rider” die de “canon” van de road movie vastlegt, omdat het tevens ook een kritiek op de American dream inhoudt.

“Woodstock” van Michael Wadleigh (1970) is de film die ik het meeste heb gezien. Na al die jaren kan ik steeds minder in de hippie-theorieën komen, die in de film worden gepropageerd, maar de muziek blijft uitstekend.

In 1971 is er “Deliverance” van John Boorman met het beroemde banjo-duel.

“Jeremiah Johnson” van Sydney Pollack uit 1972 wil ik aanhalen als een voorbeeld van de “nieuwe western” (de eerste ecologische western trouwens), maar vooral ook als hulde aan Robert Redford.

“La nuit américaine” van François Truffaut laat me in 1973 kennismaken met de oogstrelende Jacqueline Bisset, die later echter helaas in bijna uitsluitend nikszeggende films zal optreden.

In “Chinatown” van Roman Polanski uit 1974 staan andermaal twee verbluffende acteurs tegenover elkaar: Jack Nicholson en Faye Dunaway.

In 1975 is er “Novecento” van Bernardo Bertolucci. Stijn Coninx heeft er voor “Daens” blijkbaar heel goed naar gekeken. Dat is geen verwijt, dat is een groot compliment.

De Japanse regisseur Nagisa Oshima scoorde in 1976 een schandaalsucces met “Het Rijk der Zinnen” (”Ai no corrida”) omdat voor het eerst in een “normale” film de hoofdacteurs elkaar echt penetreerden (tenzij die “eer” de Nederlandse film “Blue movie” toekomt), zoals tot dan toe enkel in een pornofilm gebeurde. Daarom kopte Maria Rosseels in De Standaard met letters die men bij Het Laatste Nieuws was gaan lenen: “Noem het kind bij zijn naam: pornografie”. En in Duitsland was men het klaarblijkelijk daarmee eens, want in het rapport om de inbeslagname te justifiëren staat letterlijk “dat aan het gezicht van de vrouw te merken is dat seksuele praktijken plaatshebben”.

Zoals men wel weet zijn de films van de “Star Wars”-cyclus van George Lucas niet in de “juiste” volgorde gedraaid. De eerste film uit 1977, die trouwens oorspronkelijk enkel als “Star Wars” bekend stond en niet als “A new hope”, zoals men later beweerde, is eigenlijk dus pas de vierde film in de chronologische rij. Toch was het complete verhaal wel degelijk zo gepland en zijn de latere pre- en sequels geen louter commerciële spin-offs. Het hele verhaal had George Lucas destijds op veertien paginaatjes neergeschreven. De producers kozen er toen een passage uit die volgens hen het best kon worden verfilmd met de mogelijkheden van die tijd. Er werden wel veranderingen aangebracht. Zo werd de vernieting van de Death Star pas voor deel zes voorzien, maar Lucas had een spetterend einde van zijn eerste film nodig en schoof die ontknoping alvast een stuk naar voren. Met de opbrengst van zijn eerste film kon Lucas overigens het special effects-bedrijf Industrial Light & Magic (ILM) oprichten en op die manier de filmeffecten uit de folklore halen.

“The Deer Hunter” van Michael cimino uit 1978 was voor velen dé ultieme Vietnamfilm, maar een jaar later zou “Apocalypse now” van Francis Ford Coppola al een einde maken aan die mythe.

In 1979 was er “The life of Brian”, de schitterende Monty Python-pastiche op het leven van Christus: always look on the bright side of life!

David Lynch mag natuurlijk ook niet ontbreken in een dergelijk overzicht. Toch vind ik zijn “Elephant man” uit 1980 nog altijd stukken beter dan “Blue velvet”, “Wild at heart” of andere “Twin Peaks”.

In “The raiders of the lost arc” (Steven Spielberg, 1981) is Harrison Ford Indiana Jones, ook al was oorspronkelijk Tom Selleck daarvoor voorzien. Gelukkig dat dit niet is doorgegaan!

Een jaar later pakt Spielberg opnieuw uit, deze keer met “E.T.” (1982). Een reusachtig succes dat bij de oscaruitreiking echter alweer slechts matig wordt gehonoreerd: twee oscars voor alweer “visual effects” en twee voor het geluid, waaronder één voor de soundtrack van John Williams. En toch had Spielberg het beste van zichzelf gegeven: iemand die op zulk een korte tijd zoveel succes gekend heeft, begint er beter de sleutels van te kennen en weet hoe hij de massa dient te bespelen.

Na een stilte van vijftien jaar draaide de Franse regisseur Jean Becker in 1983 de meeslepende thriller “L’été meurtrier” met een sensuele, provocerende vertolking van de bloedmooie Isabelle Adjani. En zeggen dat ze mijn pleegdochter had kunnen zijn, indien het enigszins anders was gelopen.

“Amadeus” van Milos Forman zorgde in 1984 in brede kring voor een heropleving van de belangstelling voor Mozart en heeft vooral bewerkt dat de jeugd belangstelling is gaan koesteren voor deze oneerbiedige rebel, een provocateur die “épater les bourgeois” zo al niet bewust, dan toch onbewust hoog in zijn vaandel had geschreven. Sedert “Amadeus” is de muziek van Mozart niet langer oubollig en symbool voor een conservatieve maatschappijopvatting, maar speels en revolutionair. Een niet geringe verdienste. Neem nu b.v. de 26-jarige banketbakker, die eind ’97 zijn platencollectie voorstelde op Radio 3. Die bleek voor 60% uit Mozart te bestaan en de overige 40% werd dan nog vooral ingenomen door Haydn en de jonge Beethoven, kortom de Weense klassiek. Nochtans was deze jongeman vóór de film (toen hij dus 14 was) nooit in contact gekomen met klassieke muziek, laat staan dat hij er enige belangstelling voor zou vertonen.

In 1985 draaide de Franstalige Canadees Denys Arcand de erotische praatfilm “Le déclin de l’empire américain”, waarop twee vervolgen euh… volgden. Met alleen maar praten een erotisch meesterwerk brengen, dat is geen kattepis!

In 1986 was er “The mission” van Roland Joffe. Schitterende fotografie, maar de muziek van Ennio Morricone verdient ook een een aparte vermelding!

“Good morning Vietnam” (Barry Levinson, 1987): over de heilzame werking van popmuziek.

De fotosessie van Lena Olin en Juliette Binoche in “The unbearable lightness of being” (Philip Kaufman, 1988) heb ik verkozen tot de meest erotische filmscène aller tijden. Auteur Milan Kundera is het daarmee niet eens. Hij vindt dat de film té erotisch is geworden. Met een boutade stelt hij dat hij de “Khomeiny-versie” verkiest. In Iran is door de censuur de film immers van drie naar één uur teruggebracht…

In 1989 bewerken twee regisseurs hetzelfde boek: “Les Liaisons Dangereuses” van Choderlos de Laclos. Omwille van het scenario (ook een toneelstuk) van Christopher Hampton wint “Dangerous liaisons” van Stephen Frears het van “Valmont” van Milos Forman.

“Dead poets society” van Peter Weir geeft in 1990 ontelbare ontmoedigde, getergde en overspannen leraars weer zin in het leven.

Tijdens de opnames van “Dances with wolves” van Kevin Costner in 1991 sprak men van “Kevin’s gate” of “Costner’s last stand” (een allusie, eerst op de enorme flop “Heaven’s gate” van Michael Cimino, daarna op de nederlaag van generaal Custer), maar het bleek uiteindelijk een reusachtig succes. En terecht. “Dances with wolves” zorgde voor een heropleving van het genre, maar dan wel heel anders dan in de tijd van John Ford of zelfs Sergio Leone, al kan b.v. “Broken arrow” van Delmer Daves als een voorloper van “Dances with wolves” worden beschouwd. De jongste jaren worden films immers vooral getoetst op hun “political correctness” en dat mag dan zowel voor de zwarten als voor de indianen zelf een zegen zijn, eerlijkheidshalve moeten we toch aanstippen dat de films zelf er vaak een zeurderig karakter door krijgen.

1992 was het jaar van de erotische thriller. “Basic instinct” van Paul Verhoeven was de beste uit de hoop.

“Jurassic Park” (Steven Spielberg, 1993): wat dode dichters voor de humane wetenschappen deden, doen levende dinosaurussen voor de natuurwetenschappen!

En we eindigen in 1994 met “Four weddings and a funeral” van Richard Curtis. Want “een lach en een traan”, that’s what it’s all about in the movies!

Referenties
Ronny De Schepper, Een eeuw cinema in een notedop, Stepsmagazine, november 1993.
Ronny De Schepper, Honderd jaar film, Graffiti nr.88, mei 1994.
Ronny De Schepper, Van bewegende beelden naar beeldende beweging, Stepsmagazine, editie Mechelen, februari 1995.
Ronny De Schepper, Van bewegende beelden naar beeldende beweging, Stepsmagazine, editie Gent, april 1995.
Ronny De Schepper, Van bewegende beelden naar beeldende beweging, Switch, december 1995.
Ronny De Schepper, Van bewegende beelden naar beeldende beweging, Film, januari 1996.
1001004004567127

3 gedachtes over “Honderd jaar film

    1. De klassieker is natuurlijk die uit 1935 van Frank Lloyd met onder andere Charles Laughton en Clark Gable. De film uit 1962 van Lewis Milestone mag dan minder hoog aangeschreven worden, voor hoofdvertolker Marlon Brando was het alvast een keerpunt in zijn persoonlijk leven. Persoonlijk vind ik de versie uit 1984 van Roger Donaldson met onder andere Mel Gibson en Anthony Hopkins beter dan algemeen wordt aangenomen. Ik vond dit vooral erg erotisch, al is dit ook wel het geval voor de film van Milestone. Uit Wikipedia leer ik dat er ook nog twee oudere versies bestonden. Een stomme film uit 1916 van Raymond Longford met onder andere John Storm en “In the Wake of the Bounty”, een film uit 1933 van Charles Chauvel met onder andere Errol Flynn. Over deze films kan ik niets zeggen, want ik heb ze (nog) niet gezien. In het algemeen kan ik echter wel zeggen dat oude films (en dan vooral uit de tijd van de stomme film) vaak niet moeten onderdoen op erotisch vlak. Denk b.v. aan “Tabu” van Robert Flaherty. Deze films werden namelijk gedraaid vóór de zogenaamde Hays Code, die Hollywood aan banden legde.

      Like

      1. Hartelijk dank voor deze extra info, de laatste drie ken ik alle vrij goed, om nostalgische redenen prefereer ik de “minste”, de Milestone-versie, ondanks de vele kritiek erop. Kan ook vanalles te maken hebben met het feit dat ik gewoon Brando, zeker in deze combinatie met Trevor Howard en Richard Harris meer aan vind spreken. Direct volgen dan uiteraard de andere 2 [Laughton fenomenaal] en idd Anthony Hopkins in de nu laatste verfilming zijn amper te vergelijken, doe ik ook liever niet!
        De eerste 2 zijn pas later tot me doorgedrongen, en evenals u nooit gezien, een wonderijk feit is
        dat ze me gewoon nooit vervelen! Er nog bij voegend dat ik omstreeks de Milestone-productie als bioscoop-operateur ben gaan werken, hier kan ik geen last but not least zeggen, in hun soort zijn ze [ondanks
        verhaallijnverschillen] prachtig! Mag ik het even voor zover hierbij laten? lange stukken kan ik nooit tikken. trialk.

        Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s