Abraham Yehoshua (foto Wikipedia) is één der belangrijkste hedendaagse Hebreeuwse auteurs. Hij werd geboren in Jeruzalem, maar zijn moeder was Marokkaanse en zijn vader stamt van Sefardische joden. Deze afkomst mag (deels) zijn interesse voor de politiek en zijn opinie verklaren. Hij bleek een vurig voorvechter van de Palestijnse staat tot hij later overhelde naar de één-staat-oplossing met gelijke rechten voor Palestijnen en Israëli gezien het bestaan van de talrijke nederzettingen.

Zijn meningen, zijn liefde voor het land, de problemen en de suggestie van de vreedzame en duurzame solutie komen – voortdurend maar steeds terloops – ook aan bod in zijn derde roman ‘Molcho’ (1987; in het Nederlands ‘De vijf jaargetijden van Molcho’, Wereldbiblioheek, Amsterdam).

Yehoshua studeerde, na de gebruikelijke legerdienst, literatuur en filosofie aan de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem. Er wachtte hem naast een literaire een universitaire carrière als professor literatuurwetenschap aan de univ te Haïfa; hij was gastdocent aan meerdere buitenlandse universiteiten, Oxford, en in de USA in Harvard, Chicago en Princeton. Zijn twaalf romans, zijn toneelstukken, essays, verhalen werden in 28 landen vertaald en met talrijke prijzen bekroond. Terwijl veel van zijn fictie werd herwerkt voor film, tv, toneel en opera. Men klasseert hem bij de ‘new wave’ van de Hebreeuwse literatuur. Met zijn krasse uitspraken over de diaspora, over de houding van de Joden buiten Israël (“Diaspora Judaism is masturbation“), over de haat die Joden opwekken… Joden die van nationaliteit wisselen alsof ze een andere jas aantrekken – onmogelijk oordeelt hij; hij draagt zijn jas overal mee!
“Molcho”, in het Engels vertaald als “Five Seasons”, verhaalt over de 51-jarige Molcho die net weduwnaar geworden is. Dan moeten we ons verplaatsen in de leefwereld en tradities van de wereld van de Joden. Waar een man in zijn situatie loslopend wild wordt en iedereen hem wil koppelen. Iedereen dat betekent: zijn familie, vrienden, buren, zelfs onbekenden die een potentiële bruid in de aanbieding hebben. In principe zou een nieuw huwelijk pas na een jaar rouwtijd gepast zijn maar wie eerst maalt… De eerste bladzijden van de roman zijn aangrijpend. De wijze waarop Yehoshua verhaalt hoe Molcho het aftakelingsproces, het lijden en het sterven van zijn echtgenote beleeft, is zo indringend dat het van zin tot zin ontroert, naar de keel grijpt. De man beweegt zich tussen zijn huisgenoten, zijn drie kinderen op de grens van volwassenheid, tussen alles wat hem in huis omringt, tussen de schimmiger wordende buitenwereld (werk, zijn schoonmoeder in het nabijgelegen ouderentehuis, zijn moeder in Jeruzalem) nog als een schim in functie van de stervende. Wanneer zij tenslotte overleden is blijkt zij de dominante in zijn gedachten. Heel bizar gesymboliseerd in de twintig doosjes van de dure pijnstillers die hem als stomme aanklacht in de slaapkamer aanstaren en waarvan hij zich wenst te ontdoen maar die hem als een rode draad zullen blijven achtervolgen.

Gebeurde dit in de herfst in Haifa, dan belanden we langzaam in de winter terwijl Molcho reeds geconfronteerd wordt met de suggestie van een nieuw huwelijk. Zelf, veeleer bezwijkend voor de idee dan zelf naar een bruid verlangend vermits de gedachte aan zijn overleden echtgenote dominant blijft, verlieft zich op een collega. Met haar zal hij een, tenslotte mislukte, reis naar Berlijn ondernemen hoewel zij initieel in hem een geschikte partner zag.

In de lente ter gelegenheid van een ambtelijke reis naar een kibboets koestert hij een warme genegenheid voor een elfjarig meisje, een geschikte kandidate ooit?

Volgt de bizarre geschiedenis van een echtpaar, vroegere vrienden, die wensen te scheiden, en de vrouw daarna aan hem willen uithuwelijken. Hoewel Molcho dit, zonder enthousiasme, als rationele oplossing ziet zitten, mislukt het opzet tenslotte. Zodat we tenslotte het jaar gerond hebben en opnieuw in de herfst belanden. En Molcho op verzoek van zijn schoonmoeder een jonge Russische emigrante die in Israël niet kan aarden en naar Rusland wil terugkeren, zal begeleiden naar Wenen en Berlijn om te trachten aan haar verlangen te voldoen. Al zal een terugkeer naar haar vaderland wellicht geweigerd worden zoals iedereen weet – en is het veeleer de bedoeling het meisje aan Molcho te koppelen. Het is buiten de vindingrijkheid van de man gerekend, hij – die inderdaad wel iets voor het meisje voelt – slaagt in het opzet via illegale weg. Terwijl hij in Oost-Berlijn op zoek gaat naar, en ook vindt, de woning waar zijn echtgenote haar kinderjaren doorbracht: deze had nooit naar Duitsland, naar Berlijn willen reizen, de herinneringen waren haar te bitter. Nu beseft hij dat hij zijn echtgenote nog niet heeft losgelaten, en dat dit koppelen een idioot systeem is. “Je moet echt verliefd worden, anders heeft het geen zin, piekerde Molcho verdrietig en een beetje bezorgd, je moet echt verliefd worden.”
Een ontroerende roman die meteen veel leert over dit facet van de joodse cultuur. Tevens maken we kennis met het leven in Haifa, in Jeruzalem en in de kibboets. Terwijl Yehoshua tussen de verhaallijn ook zijn politieke statements poneert. Voeg daarbij de sterke tekening van alle nevenpersonages, vaak met een vleug humor – de kinderen van Molcho, zijn dominante moeder, zijn schoonmoeder. Bovendien is elke relatie een spannend avontuur en zo ook opgebouwd, en leest het avontuur in Oost-Berlijn bijna als een thriller.  

REIS NAAR HET EINDE VAN HET MILLENIUM

Zo’n tien jaar later verscheen zijn magistrale epos ‘Reis naar het einde van het millennium’ (1997, uitg. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1999). Het millennium zijnde het jaar 1000 volgens de christelijke telling, meteen het oudejaar 4759 conform de Jiddische. Voor de christenen een tijdperk van angst. Zal de Messias neerdalen? Is dit de dag van het Laatste Oordeel? Welke rampen zullen nog over hen komen in de aanloop naar de overgang? In die sfeer wantrouwen ze alles en iedereen dat vreemd is, vooral andere godsdiensten. Uitgerekend dan stuurt Yehoshua een bont gezelschap op reis doorheen dat bevende Europa. Wat hem meteen de kans biedt een blik te werpen op Joodse tradities en gebruiken, en op het leven in het Westen.

De Afrikaanse Jood Ben-Atar leidt een zakelijk compagnieschap met zijn neef Aboelafia en met de moslim Aboe Latif. Vanuit Tanger verzamelt hij met de moslim goederen (specerijen, stoffen, juwelen…) die Aboelafia verkoopt in steden in Europa. Deze laatste heeft zich na de zelfmoord van zijn echtgenote, met zijn zwakzinnig dochtertje gevestigd in Barcelona. Daarheen brengen de twee compagnons jaarlijks hun nieuwe koopwaar en wordt meteen de opbrengst verdeeld. Tevens is het de gelegenheid tot het vertellen van de wederwaardigheden over hun tochten, over het reilen van de familie en gemeenschap in Marokko. Meer dan zakenpartners blijken de drie hechte vrienden. Tot neef Aboelafia huwt met de Duitse Jodin, afkomstig uit het Rijnstadje Worms, Ester-Mina, en met haar gaat samenwonen bij haar broer Levinas in Parijs. Wanneer Ester-Mina, opgevoed binnen de strengere Duitse Jiddische opvattingen en interpretaties van de wetboeken, verneemt dat oom Ben-Atar er twee vrouwen op nahoudt, dwingt zij Aboelafia een einde te maken aan de samenwerking. Niet alleen blijven Ben-Atar en Aboe Latif met een karavaan onverkochte waren achter, maar het is vooral de breuk die hen kwelt, de ‘verstoting’.

Werden de goederen tot dan steeds over land vervoerd, dan besluit Ben Atar nu een schip te kopen. Er wordt een bemanning aangemonsterd. Arabische matrozen. Een negerknaap als dienaar. In Spanje zal men rabbijn Albaz uit Sevilla (met zijn zoontje) oppikken die het meer zuiderse standpunt inzake bigamie zal moeten verdedigen in Parijs. Want dat is de eindbestemming. De verkoop van hun waren is secundair – het herstel van het driekoppig compagnonschap daar gaat het om! En daarom zijn ook aan boord: de twee echtgenotes van Ben Atar; zij zullen het bewijs leveren hoe mooi en liefdevol dergelijk samenleven kan zijn…

Dit zo verschillend gezelschap, Joden, moslims, en de zwarte knaap die steevast het mysterie van zijn met de natuur verweven religie uitdraagt, reist wekenlang over de hun onbekende wateren. Een boeiende tocht voor de lezer die kennis maakt met diverse geplogenheden van diverse culturen. Het volgestouwde schip bereikt de monding van de Seine – een eerste halte in Rouaan confronteert de passagiers met het feit dat het cultuurverschil groot is, maar niet onoverkomelijk. De be- en verwondering voor allerlei, ook de ontgoocheling (het grauwe van een kerk t.o.v. de eigen kleurrijke gebouwen), is deels humoristisch.

Tenslotte leggen ze aan in Parijs en wandelen we in die middeleeuwse stad rond (een fascinerende kennismaking!) waar conform de joodse zeden een deel van het gezelschap gastvrijheid geniet in de woning van Levinas, bij Ester-Mina en Aboelafia. Zo vinden zelfs de twee echtgenotes van Ben-Atar daar onderdak. De spanning stijgt ten top – het gerecht zal uitspraak doen. Maar heel gewiekst slaagt de beschuldigde Ben-Atar er in een volksrechtbank te bekomen i.p.v. rabbijnen. Inspelend op emoties, gesteund door de liefdevolle getuigenis van zijn vrouwen, en de overtuigingskracht van zijn advocaat rabbijn Albaz, is de uitspraak gunstig voor hem: zijn neef zal opnieuw compagnon worden. Terwijl iedereen dit vonnis aanvaardt is het net de Spaanse rabbijn die, overmoedig, deze uitspraak bekrachtigd wil zien door de Duitse tak. Het gevolg is dat de belangrijkste betrokkenen de moeilijke tocht richting het Rijnland, naar Worms aanvatten – over land.

De wat schokkende uitspraak daar van de tweede echtgenote, dat analoog met de mannen, zij als vrouw ook een tweede echtgenoot zou willen, heeft een zeer nadelige invloed op het vonnis: dat is niet alleen negatief voor Ben-Atar maar hij wordt in de ban geslagen, uit de joodse gemeenschap gestoten. Zo keert het genootschap terug richting Parijs maar strandt te Verdun waar de tweede echtgenote van Ben-Atar overlijdt – wat opnieuw de situatie wijzigt: er is geen reden meer het compagnonschap te weigeren, en de ban wordt opgeheven. Als bewijs zal het dode lichaam getoond worden aan de familie te Parijs…

Uiteindelijk zal, na een bizar avontuur in de Franse stad waar een beeldhouwer het zwarte jongetje gebruikt als beeltenis voor de komende Messias, het schip afvaren – met aan boord het zwakzinnig dochtertje van Aboelafia, terwijl het zoontje van de rabbijn bij Ester-Mina achterblijft. Met de belofte dat beide partijen elkaar over een jaar zullen ontmoeten om de handel verder te zetten en de kinderen opnieuw aan hun respectievelijke ouders toe te vertrouwen.

Deze roman van Yehoshua zit boordevol avonturen, spanning, verhalen. Maar hij is vooral een roller coaster van gedachten, ideeën, emoties; van confrontaties tussen mensen, religies, waarden, culturen. Dat alles in een barokke taal, kronkelende en ronkende zinnen, poëtische beelden, die garant staan voor telkens weer knappe sfeeropbouw. Wat nooit betekent dat verhaal of al de complexe ideeën die aan bod komen iets aan helderheid zouden inboeten. De auteur verliest nooit de essentie uit het oog: achter het verhaal, achter de (intrigerende, psychologisch verantwoorde) personages blijven andere zaken essentieel. Zo confronteert hij de lezer met een rijkdom aan joodse gebruiken, tradities. Dit is des te boeiender omdat hij de relatie en de botsing duidt tussen fardische en Asjkenazische joden, de verschillen duidt tussen het jodendom zoals het zich ontwikkelde in het open zuiden, beïnvloed door de Islam, en het noordelijke, duister en kil, vasthoudend aan de letter van de wet. Verschillen over de interpretatie van de wetten, het recht, seksualiteit, riten, man-vrouw verhouding…

Veel hiervan kan ons vreemd lijken, absurd zelfs – en ons een monkellach ontlokken; een lachje dat, als we ons niet vergissen, ook voorzichtig tussen de regels van Yehoshua door glinstert, zonder spot evenwel, maar met gevoel, liefde, tederheid – en toch op afstand (zonder letterlijke commentaar) enige bedenking over de absurditeit. Ook de andere religies komen aan bod – vermits hij niet alleen een moslim tot één der compagnons benoemt, maar op het schip ook b.v. de knaap uit de woestijn met zijn natuurgoden nadrukkelijk aanwezig laat zijn. En later het gezelschap meermaals confronteert met christenen, gewone gelovigen, priesters, monniken die voor de joden op de vlucht slaan, kloosterzusters met het betoverend gezang, zelfs met een tot het katholiek geloof ‘bekeerde’ jood die vreest dat, in de nasleep van het millennium-doemdenken, een pogrom en heilige oorlog tegen de joden op komst is.

Daarnaast mag het duidelijk zijn dat de auteur ons meenam op een historische reis die ons over een flink deel van de planeet voerde. Gebruiken, landbouw, kleding, opvattingen, het maatschappelijk leven, het denken… Alles komt tot leven. Vooral de steden Tanger, Rouaan, Worms, en zeker Parijs verrijzen in dit boek dat ongetwijfeld stoelt op grondig historisch onderzoek. Het is alsof Parijs zich langzaam open plooit tijdens de lectuur, de lezer kan het grondplan van dit middeleeuwse stadje volgen, door de straten, over de pleinen dwalen, van de linker- naar de rechteroever varen, de ons nog steeds bekende gebouwen bezoeken maar in het perspectief van duizend jaar geleden; en bevolkt met mensen van toen. Een fascinerende tijdreis door de geschiedenis.

Maar uiteindelijk lijkt het mij dat Yehoshua hier, zonder een theoretisch pamflet te willen schrijven, een boodschap geeft over verdraagzaamheid. Weliswaar opgehangen aan het probleem over de bigamie maar uiteindelijk gaat het in de loop van de roman veel verder. Verdraagzaamheid binnen de Jiddische gemeenschap, het soepele interpreteren van wetten en verordeningen, het lezen van de Thora, komaf maken met kleinzielig gekibbel; en de politiek… Verzoening ook over de grenzen heen, hij toont meermaals hoe mensen die zo totaal onbekend zijn met elkaars zeden en zelfs taal, toch vredelievend en zelfs meevoelend met elkaar kunnen omgaan; hoe ook religieuze opvattingen niet altijd een breuk hoeven te betekenen indien ze niet verblind en star maken. Dat maakt van deze roman, met deze gelaagdheid, meer dan een spannend verhaal. Dat is wat we van de geëngageerde Yehoshua mochten verwachten.   

Johan de Belie

(Dit artikel verscheen oorspronkelijk als de tiende en veertiende aflevering van “De schatkamer van Johan de Belie”.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.