Het is vandaag al vijftien jaar geleden dat de Antwerpse acteur Julien Schoenaerts is overleden. “Hij wordt unaniem door publiek, pers en theater beschouwd als een van de grootste naoorlogse acteurs in Vlaanderen, een reputatie die soms bijna mythische proporties aannam,” schrijft Wikipedia en inderdaad, die verafgoding stootte mij hevig tegen de borst. Was het daarom, of gewoon uit baldadigheid, of om anders te zijn, of omwille van een paar zaken die ik ben tegengekomen (zie verder), maar ik was géén fan. Zijn beste vertolking vond ik dan ook die van monseigneur Stillemans in Daens, als hij tegen die kruiperige pastoor (gespeeld door Jappe Claes, meen ik me te herinneren) zegt: “Hier neem mijn bisschopsring maar mee, dan kunt ge hem thuis zoveel kussen als ge maar wilt.”

Reeds in 1985 schreef ik in De Rode Vaan: “Ik wéét dat het heiligschennis is, maar ik moet toegeven dat ik nooit een fan ben geweest van Julien Schoenaerts. Hij is namelijk te gemakkelijk te parodiëren, wat inhoudt dat hij een aantal theatertics heeft en als je daar dan niet op valt, ja dan… Maar als verstokt wielerliefhebber ben ik nochtans ook nooit een fan geweest van Eddy Merckx, wat echter niet belet dat ik zijn snelle fysieke aftakeling in de Tour ’77 erg schrijnend vond, als u begrijpt wat ik bedoel… De combinatie van deze twee elementen heeft ervoor gezorgd dat er met Claus’ (*) bewerking van Oidipoes in Kolonos voor Arca geen tweede wonder is gebeurd. Het dient trouwens gezegd dat Claus zich hier veel meer aan de oorspronkelijke tekst heeft gehouden dan in “Blindeman” (aangezien het een soort van “vervolg” is, had ik op z’n minst verwacht dat hij de “vondsten”, zoals dat Oidipoes uiteindelijk niet zijn vader maar diens bediende had vermoord en dat z’n moeder altijd heeft geweten dat hij haar zoon was, verder zou uitwerken, maar dat was voor de specifieke intrige van dit stuk blijkbaar niet mogelijk). Resultaat: prachtige poëzie, die evenwel veel subtiliteit verliest bij een opvoering en die was nu precies ver te zoeken bij Schoenaerts, maar ook bij zijn tegenspeelster Aafke Bruining omdat zij zo opvallend haar best deed om de voorstelling te “redden”. Aangezien Schoenaerts zelf de regie (?) had waargenomen kon het prachtige decor van de Gentse Sint-Baafsabdij ook niet echt ‘functioneren’.”

Schoenaerts kwam in het theater terecht via zijn vader die in Eigenbilzen een eigen amateurgezelschap leidde. In 1948 begon hij aan de toenmalige Studio van het Nationaal Toneel (de Studio Herman Teirlinck) een driejarige theateropleiding. De lessen en opvattingen van Herman Teirlinck hadden een belangrijke invloed op de jonge acteur.
In 1951 werd Schoenaerts lid van het KNS-gezelschap, waar hij onder meer werkte met de regisseurs Fred Engelen, Edward Deleu, Ben Royaards en Maurits Balfoort. Daar stapte hij in 1962 uiteindelijk op wegens onenigheid over het gevoerde beleid. Schoenaerts week uit naar Nederland, naar de Nederlandse Comedie onder de artistieke leiding van Han Bentz van den Berg.
In 1968 keerde Schoenaerts terug naar Vlaanderen. Hij werd lid van het dramatisch gezelschap van de toenmalige BRT, en richtte in 1970 met de zakenman Aimee Proost in Antwerpen het Ringtheater op. Hier zette hij onder andere De huisbewaarder van Harold Pinter op. In 1973 liep de samenwerking ook hier spaak.
In feite begon Schoenaerts nu aan een solocarrière. Vanaf 1978 had hij een engagement met het Arcatheater in Gent, zonder deel uit te maken van het gezelschap (zie bovenstaande foto van Michiel Hendryckx die hij gratis heeft afgestaan, mits naamsvermelding, via Wikipedia). Hij kreeg daar de vrijheid om zijn eigen producties te spelen. Daar ontstond opnieuw een min of meer vaste samenwerking met de regisseur Walter Tillemans, met wie hij reeds samenwerkte in de KNS. Stukken die volgden uit die samenwerking waren onder meer Kaspar van Peter Handke, De Wereldverbeteraar van Thomas Bernhard en Wachten op Godot van Samuel Beckett.
Regisseur (en vertaler) Walter Tillemans verwijten dat hij op het « groteske » aspect van het absurde theater teveel heeft ingespeeld is natuurlijk onzinnig. Vooral als je over twee raspaarden als Julien Schoenaerts (Vladimir) en Jo De Meyere (Estragon) beschikt, die enerzijds genoeg métier hebben om het geheel niet tot een farce te herleiden en anderzijds hopen talent in huis hebben om met een kleine beweging hier of een lichte intonatieverandering daar de bedoelingen van de regisseur en, waarom niet, van de auteur nog beter te doen uitkomen.
Natuurlijk worden er overal vergelijkingen gemaakt met « Eindspel », de vorige productie van het trio Tillemans-Schoenaerts-De Meyere. Ook wij kunnen of willen die niet uit de weg gaan, omdat dit o.m. bijdroeg tot de lijdzaamheid waarmee wij dit stuk hebben ondergaan. Verrassingen zijn er immers niet bij. En als je onze bijdrage wil kennen in het debat wie er nu eigenlijk in vergelijking met « Eindspel » het beste uitkomt, dan is dat Jo De Meyere. Van een andere acteur zeg ik op een bepaald moment dat “hij een trekje begint te vertonen dat ook andere grote acteurs (als b.v. Julien Schoenaerts) kenmerkt, namelijk dat de personages zich aanpassen aan de acteur i.p.v. vice versa.” Maar ook: “Arca buit dit terecht uit door de stukken in functie van de acteurs te stellen en niet andersom. Als duo heeft Schoenaerts-De Meyere op die manier reeds een aantal zowel artistieke als populaire successen behaald, maar vorig jaar werd het bondgenootschap verbroken, allicht door Schoenaerts met wie het steeds moeilijker werken wordt. Regisseurs wil hij ook al niet en ondanks het feit dat hij dat helemaal niet aankan (zie « Oidipoes in Kolonos » vorig jaar) gaat hij dus zélf regisseren. In die opvatting zijn de andere acteurs alleen maar « aangevers », zoals in komische duo’s. Een ondankbare taak en het is dan ook niet verwonderlijk dat Schoenaerts voor Eugene O’Neills « Lange dagreis naar de nacht » oorspronkelijk niet aan een cast geraakte. Slechts goedgelovige zielen zullen trouwens aanvaarden dat hij in Reinhilde Decleir, Carl Ridders en Norbert Kaart uiteindelijk het gewenste trio heeft gevonden.
Dat bleek duidelijk na afloop van de Gentse première toen Schoenaerts weigerde te komen groeten samen met zijn tegenspelers. Vooral Carl Ridders leek ons de boter te hebben gegeten en dan zowaar omdat hij de enige was die verdomme wat vuur in dit toonloze zelfbeklag wilde steken. Want, laten we wel wezen, de eerste schuldige is O’Neill zelf die in dit perfect klassieke drama (hét recept bij uitstek voor saaiheid) als oude knorbeer een gevleid zelfportret van « the artist as a young man » ophangt. Norbert Kaart die deze rol was aangekaart, kon er dan ook bezwaarlijk iets van maken en Reinhilde Decleir, die het hele stuk dooremmert zonder één stemverheffing, zal zich allicht ook wel naar Schoenaerts’ regieopvatting geplooid hebben. Kortom, het is het aloude probleem van hoe verveling op scène uit te beelden zonder zelf vervelend te worden. En Schoenaerts is daarin dus niet geslaagd, ondanks het feit dat hij in zijn zelf ontworpen interieur even Amerikaans is als Ed Begley of Broderick Crawford, terwijl Carl Ridders in zijn beste momenten nog steeds Carl Ridders blijft. En dat is géén tegenspraak.”
Ook daarna zou hij toch nog tal van voorstellingen brengen in Vlaanderen en Nederland, zoals De kleine prins van Antoine de Saint-Exupéry met zijn zoon Matthias, de Apologie van Socrates van Plato (**) en “Fragment de théâtre I” (1960) van Samuel Beckett dat in de Tinnen Pot op 12 oktober 1993 werd opgevoerd in een regie van Marie-Dominique Wiche, op dat moment de vrouw van Julien Schoenaerts.
Het was immers zijn idee om met deze drie “stukjes” onder de noemer “de eenzamen” uit te pakken, zij het dat hij eerst aan zijn zoon Matthias had gedacht als tegenspeler. Uiteindelijk werd het Nand Buyl als een kreupele en Julien Schoenaerts als een blinde vioolspeler, die er maar niet in slagen met elkaar overweg te kunnen, zodat ze uiteindelijk alle twee hulpeloos achterblijven (het is kort na “Fin de partie” geschreven, inderdaad). Julien Schoenaerts slaagt er ongelukkiglijk nog altijd niet in zijn teksten te onthouden. Hij zegt dan ook terecht: “Dat is altijd mijn ongeluk geweest: ongelukkig, maar niet ongelukkig genoeg.”
Daarna volgde “Comment dire” (1989): Nand Buyl ligt wat te broebelen, terwijl Julien Schoenaerts er alleen maar bijzit, omdat dit tesamen met “Impromptu d’Ohio” (1981) werd gespeeld. Hierin leest Julien Schoenaerts moeizaam een tekst voor uit een boek over twee mannen die aan een tafel zitten en waarvan er één moeizaam een tekst voorleest uit een boek. Nand Buyl klopt af en toe eens op de tafel om aan te geven dat Schoenaerts iets moet herhalen. Als hij dat eens vergeet, staan ze later in de wc hierover ruzie te maken. Zijn laatste theaterrol speelde hij in 1995 in Krapp’s laatste band van Samuel Beckett in het Raamtheater.
Schoenaerts debuteerde in 1955 als filmacteur met de hoofdrol in de film Meeuwen sterven in de haven van Roland Verhavert, in 1956 gevolgd door Vuur, liefde en vitaminen van Jef Bruyninckx. In 1966 was er Het afscheid, opnieuw van Roland Verhavert, waarin hij een “frivole, halfnaakte bedscène” (**) heeft met Marlene Edeling. Later speelde hij onder meer in 1983 de rol van Pieter de Coninck in De Leeuw van Vlaanderen in de regie van Hugo Claus en in 1992 dus de rol van monseigneur Stillemans in Daens, geregisseerd door Stijn Coninx. De laatste film waarin hij van de partij was, was Ellektra van Rudolf Mestdagh uit 2004.

(*) Hugo Claus voert Julien Schoenaerts ook ten tonele in zijn roman “Belladonna“, maar dan onder de naam Herman Grootaers.

(**) Ook hierover schreef ik (in 1993): “Ik heb die adoratie van de mythe Julien Schoenaerts nooit begrepen. Het succesvolle Apologie van Socrates naar Plato (Nederlands: Gerard Wijdeveld) b.v. die in een bewerking van Julien Schoenaerts door deze zelfde jarenlang werd gebracht, wou ik toch nog eens zien vóór het te laat was, maar het wàs wellicht al te laat. Schoenaerts kon geen vijf woorden stamelen zonder op z’n tekst te kijken, sloeg soms wartaal uit, onderbrak zichzelf, murmelde wat voor zich uit, hernam vaak met een totaal tegengestelde tekst als wat hij zopas had gezegd enz. Bofendien is z’n… merkwaaaardige… uitspraak… gekend, nietwaar?”

(***) John Rypens, Erotiek in de Vlaamse (en Belgische) film, Film nr.110 van juni 2016

Een gedachte over “Julien Schoenaerts (1925-2006)

  1. Ja, een makkelijke jongen was het niet, en niet alles wat hij aanraakte veranderde in goud. Maar in de jaren ’60 was ik de gelukkige bezitter van een EP (!) waarop JS alle mannenstemmen van De Kleine Prins voor zijn rekening nam. Frieda Pittoors ‘deed’ het prinsje, de rozen, etc. 1000 keer beluisterd, in sprakeloze bewondering voor de ongelooflijke stemkunstenaar die hij was. Als ik die plaat ergens vind, koop ik ze, en meteen een ‘pick-up’ erbij.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.