Vijf jaar geleden is Toots Thielemans in zijn slaap overleden. De man is 94 geworden en is dus een dood gestorven, waarvan we allemaal dromen. Dat is hem volkomen gegund, want hij stond algemeen bekend als een aangename, zachtaardige kerel. Hij was ooit de eregast op het Feest van De Rode Vaan en enkele jaren later heb ik hem geïnterviewd in een jazzkelder op de Brusselse Grote Markt (zie bovenstaande foto), maar de dierbaarste herinnering blijft zo’n veertig jaar geleden toen Toots Thielemans in Gentbrugge kwam spelen. Ik was aanwezig als gewone toeschouwer (dus niet als journalist), maar toch zou deze eerste ontmoeting uitgroeien tot het meest memorabele moment…

Zo’n tien jaar geleden (*) verkondigde Louis Paul Boon in de jaarlijkse aflevering van Snoecks (als er mooie meisjes te zien waren, was Boontje nooit ver uit de buurt) dat hij nog eens een literatuuroverzicht zou schrijven in « annekedoten ». Ik geloof niet dat het hem vergund is deze profetie waar te maken. En evenmin geloof ik dat het aan de rode vaan is om een muziekgeschiedenis te schrijven in « annekedoten ». Maar soms bekruipt je wel eens de zin daartoe. Zoals wanneer je Toots Thielemans moet voorstellen b.v.
EEN ANNEKEDOTE
Good old Toots. Uitstekend muzikant. Gitarist uit het land van Django Reinhardt die echter eveneens moest uitwijken orn erkenning te krijgen. Jazzmuzikant met een afgodische bewondering voor Duke Ellington. Maar vooral “blazer”. Zo maar, al fluitend (« schuifelend » zegt men in het dialect en voor Toots gaat dit uitstekend), of op een mondharmonica (“mondmuziek“, aldus alweer die raak typerende volks-mond).
Een annekedote dus. Toen mijn vrouw nog mijn lief was, werd ze eigenlijk pas écht mijn lief op de tonen van « dat mistig rooie dier », het lijzig-mooie thema uit de film “Turks fruit” rnet op het mondorgel, jawel Toots Thielemans. Een paar jaar later (27-11-74 om precies te zijn) is Toots te gast in Gentbrugge, alwaar een lokale jazzclub welig tiert. Terwijl Les Haricots Verts stonden gas te geven op het podium, zat Toots achteraan in de zaal op een tafel met zijn beentjes te wiebelen (want hoe groot hij figuurlijk is, zo klein is hij in werkelijkheid). De verleiding was te groot om eraan te weerstaan… Of hij straks « dat mistig rooie dier » eens zou willen spelen ?
Kan Toots iets weigeren ? Hij die met een volslagen onbekende in de zaal zo maar begon te duelleren op « Sweet Georgia Brown » ? Die zich niet te min voelde orn met de « groene bonen » te jammen op « St. Louis Blues », ook al deden de Luxemburgers, die nog niet tot aan zijn enkels reiken, nog zo hun best om die brave Toots eigenlijk van het podium te spelen ?
Uiteraard niet. En terwijl hij weer die ongelooflijke gevoeligheid uit zijn 10 cm lange instrument haalde, knikte hij ons terloops nog even toe. « Is ’t zo goed ? » zeiden zijn twinkeloogjes.
DE INTERNATIONALE
Nu is Toots zelf ook een « mistig rooi dier ». Het eerste lied dat hij als Brussels ketje (geboren op 29 april 1922 in de Hoogstraat) op de accordeon van zijn vader kon spelen, was niet toevallig « de internationale ». (Wie heeft overigens al gemerkt dat de noten van de Muziekkalender die van het refrein van « de internationale » zijn ? Althans in een versie van Raymond van het Groenewoud.)
Nadien is dat allemaal wat in de mist komen te liggen, omdat men in Amerika — waar Toots eerder (1947) sant werd dan in eigen land — nu eenmaal niet met socialistische ideeën te koop moet lopen als men aan de bak wil komen.
Het zou natuurlijk wel erg tof zijn indien Toots ons – net als genoemde Raymond vorig jaar — op een jazzy « internationale » zou vergasten…
EEN HARTEWENS
Zonder enige twijfel wordt het optreden van Toots Thielemans op ons Feest het hoogtepunt, de kristallisatie zelfs van het muzikale gebeuren. Mijn hartewens is echter niet, dat Toots « dat mistig rooie dier » zou spelen, al zou dat wel fijn zijn. Mijn hartewens is evenmin dat hij met Johan Verminnen zou gaan jammen, al zou dat wel fijn zijn.
Mijn hartewens is na dat heerlijke Feest met Toots samen al de bruine kroegen van Brussel af te schuimen. Hij met zijn “mondmuziek” in het bovenzakje van zijn jeansvest en dan in zo’n stemmig hoekje te luisteren naar “Bluesette”, naar « Metro », naar « Midnight Cowboy » en natuurlijk… naar « dat mistig rooie dier ».
ZES JAAR LATER
Zes jaar later kregen we de kans om Toots Thielemans te interviewen n.a.v. het Ostend Rhythm’n’Jazz Festival. De afspraak was in een jazzkroeg op de Brusselse Grote Markt. Een nieuwe elpee, een niet meer bij te houden aantal gastoptredens op elpees van vedetten uit de meest diverse muzikale milieus en talloze optredens. Dit jaar is Jean « Toots » Thielemans de gast op het Jazzfestival van Oostende, waar hij zonder twijfel een van de betere concerten zal verzorgen. Wij hadden alvast een gesprekje met mister Bluesette.
« NIETS MEER TEGEN MIJN ZIN »
— Misschien een klassieke vraag maar i.v.m. uw situatie toch relevant. Hoe staat het met de gezondheid ?
Toots
: Veel beter, dank je wel. Alhoewel ik het wat kalmer aan moet doen natuurlijk.
Een schier onmogelijke opdracht voor iemand als Toots ?
Toots (lacht)
: Dat zal wel moeilijk zijn, dat moet ik toegeven.
— Je blijft immers de wereld rondreizen.
Toots
: Ja, dit jaar ben ik al een paar keer in Japan geweest, in Brazilië, wat getoerd in Europa, en verder New York en Florida. Dat klinkt misschien veel, maar er blijft tussendoor nog tijd genoeg over om te rusten. Ik ben gelukkig ook op een punt gekomen dat ik niets meer tegen m’n zin moet doen, dat ik kan selecteren in de zaken die me worden voorgesteld. Er is natuurlijk altijd die artiestenzenuwachtigheid, de steeds terugkomende vraag van doe ik de dingen wel goed en zo. Maar de échte stress moet ik vermijden.
— Ondanks dat selecteren blijft je toch de meest uiteenlopende zaken doen. Je werkt b.v. zowel in de jazzwereld als in de popscene.
Toots
: Ja, vorig jaar heb ik gewerkt met Billy Joel, Paul Simon en zelfs Julian Lennon, de zoon van John. Tja, het gaat dikwijls om kleine stukjes die ik moet invullen, korte gast « appearances » op die platen, maar dat vraagt soms heel wat werk; je moet precies die reeks noten spelen die passen bij de song, de sfeer van de song weergeven en dat vraagt heel wat voorafgaandelijk overleg, heel wat zoeken en uitproberen. Bij Billy ging dat heel vlot, iemand als Paul Simon weet heel precies wat hij wil, maar bij Julian was het dan weer echt aftasten, precies die combinatie vinden waarmee de muziek als geheel het best gediend was.
— Bij jazz heb je dat zoekprobleem minder ?
Toots
: Ja, natuurlijk, da’s mijn terrein, m’n vak, hé. Daarmee heb ik niet het minste probleem.
– Hoe ben je destijds van accordeon naar gitaar overgestapt ?
Toots
: Ik had een vriend van rijken huize, allé, hij was een zwarthandelaar in alcohol en likeur. Die kocht dan ook wat hij maar wilde. Eerst wou hij drummer worden, hij kreeg een prima drumstel maar na een week zag hij het al niet meer zitten en gaf het weg aan een van zijn vrienden. In een van zijn buien had hij ook een gitaar gekocht en hij kwam ermee bij mij, toen ik weer eens ziek te bed lag, wat als kind wel meer gebeurde. Hij wou per sé een Fats Waller-nummer naspelen, “All Tight”, een typisch jazz-blues-nummer. Ik kon het al aardig op mijn mondharmonica spelen, dus speelde ik het hem voor, maar hij vond niks terug op zijn gitaar. Dan heb ik het maar zelf geprobeerd en tien minuten later had ik het. En zo werd ik dus jazz-gitarist (lacht).
“MISSCHIEN MOET G’ER EEN BEETJE ZOT VOOR ZIJN…”
– Ondertussen woon je meer in Amerika dan hier. Wat valt jou het meeste op bij al dat heen en weer gereis tussen Amerika en Europa?
Toots
: Dat het levensniveau in Europa veel hoger ligt dan in Amerika. Vooral dan voor de « working class », de arbeiders. In Amerika heb je wel méér rijken en vooral rijkere rijken, maar de extremen liggen er veel verder uiteen dan hier ! Met als gevolg dat ik twee keer per week een wachtronde van twee uur moet lopen in het flatgebouw waar we wonen, vooral dan in de parkeergarage, de hall, de gangen en de liften. Er gebeuren immers zo ontelbaar veel overvallen dat de bewoners verplicht zijn een eigen waakdienst te organiseren. Die wachten worden telkens met twee man gelopen, volgens een vaste beurtrol. Ik zorg er altijd voor dat ik samen met een stevige bonk op pad kan gaan, want als het erop aankomt, ben ik met mijn knuppeltje niet veel waard, vrees ik (lacht).
– Ben je in Amerika écht beroemd?
Toots
: Nee, jammer genoeg niet. Dan zou ik mijn eigen show hebben op Madison Square ! In Amerika ben ik vooral bekend bij de jazzliefhebbers, studiomensen, producers, maar niet bij de man in de straat. In Zweden daarentegen herkennen de mensen mij op straat. Ik ben er eens aangesproken door een klein meisje dat vroeg: “Toots, wil je eens iets fluiten voor mij?”
– Dat fluiten, ja, waar heb je dat geleerd ?
Toots
: Dat is heel toevallig gekomen. Ik fluit vaak, zeker als er geen instrument in de buurt is, en op zekere dag zei iemand me : « Toots, you whistle better than you play » (lacht). Ik wou hem eerst nog een pak rammel geven, maar eigenlijk bracht hij me op een idee. Op een gitaar kan je immers niet veel tussentonen spelen, terwijl je al fluitend elke nuance tussen hele en halve noten kunt weergeven. Bij de eerstvolgende opname wou ik “Brother John”, een bluesnummer, fluiten. De producer vond dat ik gek was, maar achteraf bleek dat erg mee te vallen. Vandaar naar “Bluesette” was enkel nog maar een kwestie van tijd.
– Heeft jouw bijnaam Toots iets met dat fluiten te maken?
Toots
: Nee hoor, die dateert al van lang daarvoor. Jean Thielemans was natuurlijk een onuitsprekelijke naam voor de Amerikanen en dus oncommercieel. Bovendien kennen zij Jean enkel als meisjesnaam, denk maar aan de actrice Jean Arthur, en spreken zij dat dus als “djien” uit. Mijn manager is toen op het idee gekomen om in navolging van twee andere bekende « Tootsen » namelijk Toots Mondello en Toots Camarata mij ook Toots Thielemans te noemen. In het begin vond ik dat wel raar want «Toots » is eigenlijk een dialectwoord voor « meisje ». Zodat ik eigenlijk opnieuw een meisjesnaam kreeg! (lacht)
— Ondertussen schijnt er zelfs internationaal geen opvolging te komen op de mondharmonica.
Toots
: Ja, dat valt op, hé, ik weet ook niet hoe dat komt.
— Want het is toch een mooi instrument, niet ?
Toots (lacht)
: Ja, maar misschien moet g’er een beetje zot voor zijn…

« IN EEN DRIETAL KEREN HEB IK M’N INBRENG GEDAAN »
— Ondertussen vind je ook nog tijd om te werken aan eigen materiaal. Je hebt een nieuwe elpee uit.
Toots
: Ja, maar voor die elpee hebben de jongens hier alles op voorhand beredderd. Evert Verhees, Bruno Castellucci en Kevin Mulligan hadden alles voorbereid en in een drietal keren heb ik dan m’n inbreng gedaan. Dat liep over een periode van ongeveer een jaar, naargelang ik in België was.
— Is dat helemaal naar je zin verlopen ?
Toots
: We hebben er allemaal ons best voor gedaan en dragen dan ook samen de verantwoordelijkheid voor het goede en het minder goede van die plaat. Maar ik hoop dat de elpee goed ontvangen wordt door het publiek, dat ze gekocht wordt. De elpee komt uit in Japan, Frankrijk en Zweden en voor wat de distributie in de Verenigde Staten betreft zijn we nog in onderhandeling. Ik wil er overigens ook op wijzen dat het geen Toots-plaat is, maar een elpee van een hechte groep.
— In de promotiecampagne rond de elpee heette het dat dit de eerste Belgische plaat van Toots is.
Toots
: Dat klopt niet echt. In ’48 of ’49 heb ik hier al eens een elpee opgenomen met het Toots Quartet. Dat was met Billy De Smet op orgel, Rudy Frankel op drums en Jean Ulstadt als bassist. Die laatste is naar het schijnt al overleden.
— Je moest wel eerst naar Amerika gaan voor je hier erkend werd.
Toots
: Ach, da’s wat menselijk, hé. Omgekeerd bestaat de situatie eigenlijk ook. Jazz is afkomstig uit de Verenigde Staten, wordt daar druk gespeeld en beluisterd maar echt respect, artistiek aanzien voor die muziek vind je dan maar weer in Japan en Europa. Niemand is sant in eigen land, nul est prophète dans son propre pays.
— En zijn er nog profeten in België ?
Toots
: In ons land zijn er heel wat goeie muzikanten. Ik ga geen opsomming geven want dan zou ik mensen kunnen vergeten. Bruno Castellucci en Michel Herr zijn al een beetje veteranen, dat zijn mensen van wereldklasse, maar ook in de jongere generatie zit er een groot potentieel. In dat groepeke waarmee ik in Oostende zal spelen zit o.m. Michel Hadzigeorgiou, een bassist van zo’n 23 jaar, en da’s een krak.
Over zijn vorige elpees was Toots Thielemans niet altijd even tevreden. Tegen Leo De Haes en Marc Didden van Humo verklaarde hij dat als volgt: “Ik heb altijd teveel compromissen gesloten, en als het dan niet lukt, is dat pijnlijk. De weinige keren dat ik echt jazz wou spelen, heb ik teveel tegelijk willen tonen, zodat het een soep werd. Ik mis eigenlijk een goeie producer. Ik geloof dat ik veel te moeilijk nee kan zeggen. Ik doe maar wat ze vragen. Als ik morgen een LP zou mogen maken, god, ik zou niet eens weten wat ik er op zou zetten. Echt waar. Ik heb al zoveel verschillende genres van muziek gespeeld, dat ik niet goed meer weet wat ik zelf wil.”
Nochtans was er enige verbetering ingetreden: “Ik kan nog aardig mee, vind ik. Ik wens eigenlijk elke muzikant die ernstig met muziek bezig is hetzelfde succes als ik. Ik heb gewoon te veel werk. De verstarring heeft er wel een tijdje ingezeten toen ik niks anders meer deed dan studio-werk ; dat brengt wel veel poen op maar je wordt er muzikaal door gebrainwashed. Je mist het contact met het publiek. Maar die periode is gelukkig voorbij, ik weet weer waar ik sta.”
Toch komt Toots hier zelf tegemoet aan de afbrekende kritiek van Rob Leurentop in Knack van 31 januari 1979: “Ontelbaar zijn de ontroerende en diep-menselijke verhalen die over het nationale fluit-, blaas- en gitaarwonder Toots Thielemans gepubliceerd worden in krant, tijdschrift. damesblad en fanperiodiek. Hoe het baasje uit de Brusselse volkswijk rijk, gevierd en beroemd werd in het Verre Amerika. En toch altijd nederig en eenvoudig en bescheiden gebleven, ja zeker ! En altijd goedgemutst ook. En elk jaar terug naar het vaderland dat hij nog niet vergeten is. En dan mag hij op radio en televisie en dan vragen journalisten hem telkens met welke heel beroemde mensen hij al overal ter wereld heeft mogen spelen en optreden.
Over muziek verneem je nooit wat. Een te verwaarlozen detail natuurlijk. Beroemdheden hoeven alleen maar beroemd te zijn. Wat ze doen is van weinig belang. Daarom zal ik u de klassieke verhalen besparen en, geheel tegen de gangbare gewoonte in, nu eens proberen toch iets over die muziek te schrijven. Een geschikte aanleiding is het verschijnen van de nieuwe plaat Slow Motion.
Ik zei wel, in een vlaag van overmoed proberen. Want veel valt er niet over te schrijven. Toen de goedlachse vedette onlangs optrad met dat andere nationale muziekwonder, Francois Glorieux, meende ik dat het absolute record van wansmaak voor het komende decennium voorgoed gevestigd was. Maar de wegen van de wansmaak zijn ondoorgrondelijk en haar inspiratie onuitputtelijk. Slow Motion verpulvert dit record inderdaad met een formidabele klap. Wie dit wil overtreffen, zal op zijn minst tegelijk Chris Hinze, Louis Van Dijk, Thijs Van Leer, Pim Jacobs, de twee muziekwonderen, en de orkesten van Van Otterloo en Mantovani moeten inhuren en Willem Duys de hoestekst laten schrijven.
Een poosje geleden hoorde ik iemand over een of andere plaat zeggen : „Dit is muziek voor bij een fictieve film die ik niet zal gaan zien”, en dat lijkt me ook in dit geval een rake en bondige beschrijving. Van de eerste smachtende harmonicatonen van The Shadow of your Smile tot de laatste breeduitgesmeerde strijkersakkoorden van Days of Wine and Roses is het raak. Impressionistisch in beeld gebrachte vrouwen verstuiven deodorant onder opgeheven armen, fluwelen mannenstemmen prijzen luxe-bonbons aan, soms is er interludium met wiegende korenvelden, dan weer staan we op het perron van de Brusselse metro. Verschrikkelijk. En er komt geen einde aan. De mondharmonica gaat alsmaar smachten-der en melancholischer klinken, het strijkerslegioen van Van Otterloo vaart op roze wolkjes een regenboog tegemoet waar ze allemaal samen verwelkomd worden door de eeuwig lachende kunstvezel-presentator van de Tros-ShowbisKwis.
Het is duidelijk dat dit niets, maar dan ook volstrekt niets, met muziek te maken heeft. Niets. Overigens is het opmerkelijk hoe het fenomeen van functionele muziek, achtergrondgekabbel en geluidsconsumptie alsmaar verder om zich heen grijpt, naarmate de natuurlijke geluiden van de wereld meer en meer overstemd worden door het gedruis van de gemechanizeerde samenleving.”
De vraag was dan ook wat ik van die nieuwe, aangekondigde elpee zou vinden. Mijn recensie verscheen in De Rode Vaan nr.18 van 1985: Al speelt Evert Verhees een belangrijke rol op de nieuwste elpee « Your precious love » van Toots Thielemans (de helft van de composities is van zijn hand), toch laat hij zijn fretless niet kreunen (**). Neen, net als alle andere instrumentisten speelt hij erg clean, onopvallend. Niet dat Verhees dat niet kan, want naast Yvan De Souter (denk aan « Simpel » op « Hello young lovers » van Jean Blaute) is Verhees zeker onze beste Belgische bassist. Maar neen, samen met Bruno Castellucci, Kevin Mulligan (die ook nog twee gezongen nummers voor z’n rekening neemt) en Roland Leclercq heeft hij een gladgepolijst product afgeleverd dat we helaas als niets anders kunnen bestempelen dan als « muzak ». Toots heeft weer eens niet « neen » kunnen zeggen… Dat zijn talent nochtans intact is gebleven wordt naast het feilloze harmonicaspel bewezen door het feit dat de enige aanvaardbare compositie (« Waltz for Sonny ») van zijn eigen hand is. Verder klinkt een grote naam als Michel Herr bijna als Richard Clayderman op « Dance of whales » b.v. Maar kom, nu hebben ze bij de BRT toch weer een paar nieuwe muziekjes om de theateragenda op voor te lezen…

Referentie
Ronny De Schepper, Toots Thielemans: dat mistig rooie dier, De Rode Vaan, augustus 1979
Ronny De Schepper, “Misschien moet g’er een beetje zot voor zijn…”, De Rode Vaan nr.29 van 1985

(*) Geschreven in 1979.
(**) Een allusie op een kort daarvóór verschenen artikel over een vergelijking tussen de fretless bas van Pino Palladino op de elpee “No parlez” van Paul Young met die van Jaco Pastorius van Weather Report.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.