De Wetterse dichter Roland Jooris viert morgen zijn 85ste verjaardag. Hij publiceerde in veertig jaar een relatief klein aantal gedichten. Daarin gaat hij op zoek naar raakpunten tussen poëzie, beeldende kunst en werkelijkheid. Zijn werken over beeldende kunst van o.a. Roger Raveel, Raoul De Keyser en Etienne Elias zijn hier natuurlijk niet vreemd aan. Een gedicht over kunstenaar Paul Klee maakt deel uit van de permanente Poëzieroute in Gent. Roland Jooris schrijft niet getormenteerd. Ook niet psychologisch, noch filosofisch of geëngageerd. Vertelde hij ooit. Wat dan wel? Hij beschouwt zichzelf als de vakman die liefst achter zijn gedicht verdwijnt. Daarom praat hij ook liever over de techniek van het maken van het gedicht en over het “wat” van de poëzie. “Mijn poëtisch ik is niet ik-de-belijder maar ik-de-maker” commentarieerde hij.

De poëzie van Roland Jooris evolueert in de veertig jaar dat hij nu publiceert naar een steeds grotere eenvoud. Steeds meer worden woorden weggelaten, geschrapt, weg-vergeten in de lijn van de negen bundels, die hij, geboren in Wetteren in 1936, sinds zijn debuut “Gitaar” uit 1957 publiceerde. Dat wordt duidelijk wanneer men de recente bloemlezing in de reeks “Dichters van nu” van het Poëziecentrum systematisch leest. Wat overigens niet echt dé goede methode lijkt want zij leidt toch tot oververzadiging vermits de themata van Jooris uiteindelijk beperkt blijven en zijn beeldentaal zichzelf nogal herhaalt.
De bloemlezing werd samengesteld en met een indringende visie ingeleid door Stefaan Evenepoel. Het 60 bladzijden tellend essay “Dwarsdraads” dat Evenepoel aan Jooris wijdt voert ons binnen in het oeuvre van de dichter, in zijn taalwereld, en in de literaire sfeer waarin dit werk ontstond. Al houdt de auteur soms iets teveel vast aan vooropgezette vondsten zoals de driehoekstheorie (poëzie – werkelijkheid – plastische kunst) en schikt hij alles naar zo’n idee, zijn analyse is degelijk en de grondlijnen die hij uittekent zijn de lezer dienstig om de taalfilosofie van Jooris te begrijpen.
Startte Jooris (na twee bundels “postexperimentele” verzen die hij nu afzweert) binnen de context van de nieuw-realisten, met wie hij nochtans niet wenst vereenzelvigd te worden, dan was de kennismaking met het plastisch werk van Roger Raveel de kentering voor zijn poëzie. Grafiek en poëzie blijken onafscheidelijk te worden en Jooris noemt zichzelf zelfs “een gefrustreerd schilder”. De eigenheid der Vlaamse expressionisten in een eigentijdse verklanking, invloeden van de pop-art en van De Nieuwe Stijl: zo evolueerde Jooris naar teksten waarin hij het ding zijn eigen taal wou laten verwoorden. Hoe het ding, de realiteit, zich gedraagt, dat bepaalt de schrijfwijze. De werkelijkheid van het ding en de werkelijkheid van het gedicht moeten samenvallen.
Nog zal later zal de werkelijkheid soms in vraag gesteld worden. De dichter biedt de lezer een meditatiemoment aan. Het zijn de talloze gedichten die refereren aan de Japanse poëzie, haiku-achtige verwoordingen qua sfeer en opzet. Jooris hanteert geen opzettelijke symbolen, en met iedere bundel steeds minder. Hij evolueert naar een taalascese, de principes van schrappen en verdichten worden steeds nauwgezetter toegepast. In zijn essay “Geschilderd of geschreven” (Yang, 1992) noteerde hij zelf: “En wat doe ik anders als ik dicht? Een zo gebald mogelijk voorwerp van taal op het papier proberen te krijgen, in het besef dat mijn daden enkel uit woorden bestaan. Een ‘onhandig’ gestamel dat ik aanstamp of aanspan tot een gedicht”. En ook: “Contemplatie is niet veraf. Het opgaan in de dingen. In hun zwijgen. Hun zwijgen tot taal maken, dat is de taak van de dichter die met kunst en natuur bezig is.” De dichter ziet zich evolueren naar het bijna niets. Het woord is voor hem het concreet gegeven van een aantal letters, naakt, en dat verwijst naar iets: dat is de essentie van het woord.
Met deze bloemlezing waarin uit bijna alle bundels een goede selectie werd gemaakt (Evenepoel volgde de keuze van Jooris zelf uit de bloemlezing “Gedichten 1958-78” voor die periode) en waarin de bundel “Uithoek” (1991) integraal werd opgenomen naast enkele nog ongepubliceerde gedichten, wordt een boeiend overzicht geboden van de evolutie van de poëzie van Jooris. Maar ook een reeks teksten die men, los van iedere theorie, graag kan genieten. Het essay van de samensteller mag daarbij als een quasi definitieve doorlichting worden beschouwd.

Johan de Belie

Referenties
Stefaan Evenepoel (samenstelling en inleiding). Een bloemlezing uit de poëzie van Roland Jooris. Dichter van nu 9, Poëziecentrum, Gent, 1997, 224 p., 698 frank.
Wim Verlaen, Jooris: poëzie als ’n gepolijste kei, De Morgen, 18 december 1982.

ik fiets maar wat
rond in een gedicht
als in een lege
wielerbaan,
doch meestal kom ik
er slechts aan
voor de laatste rondjes,
want op zo’n tochtje
buiten de omtrek
van de poëzie
in het luchtig lopen
van wegen, met een gevoel
van enorme spieren
herkent men de ruimte
concreet in haar kleuren:
voel maar: we hebben
weer wind in de rug,
de wielen blinken in
zonlicht, een man maait
zijn tuin in de ochtend
en men holt een heuveltje
op.
(Roland Jooris, Wintertoerisme)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.