In 1986, ongeveer 150 jaren na hun oorspronkelijke publicatie, besloot Eve Sourian (Paris) vijf verhalen van George Sand te bundelen onder de veelzeggende titel ‘Les Femmes’. Een heruitgave in 2018 bewees dat het werk van Sand nog lang niet vergeten is. De bundel verscheen in het Nederlands als ‘De Markiezin’ in 1997 bij ‘Boekwerk’, Groningen.

Deze titel verwijst naar het eerste verhaal ‘La Marquise’, geschreven in 1832, dat net als de andere een vrouw centraal stelt. In dit geval een 80-jarige verzuurde, verbitterde vrouw die geen genoegens in het leven kende. Die het begrip vreugde niet kent, het bestaan ervan zelfs lijkt te ontkennen. Genot is voor haar onbestaand, de wereld een vloek, de medemens een kwaad dat zij nauwelijks in haar omgeving weet te dulden. Tot de dag waarop wij haar ontmoeten en zij een eerste – en laatste – maal haar hart en ziel zal blootleggen, zich zal prijsgeven aan een jonge vriend, en aan zichzelf. Zodat we haar tragisch, schrijnend, mooi verhaal, én haarzelf, écht leren kennen. Hoe zij als 16-jarige uitgehuwelijkt werd aan een oude man die haar het genoegen deed prompt te overlijden. Zij, opgevoed in een te streng christelijk keurslijf, weigerde te bezwijken voor alle verdere huwelijksaanzoeken. Tot zij, twintig jaar, bezweek en de rest van haar leven liefdeloos deelde met een minnaar die intellectueel en gevoelsmatig niet bij haar paste; zij had een afkeer van hem, minachtte hem. Hij diende louter als alibi tegenover de maatschappij. Als zij veertig is verlieft zij zich op een acteur, Lélio – sterk in de tragische rollen die hij op scène zet. Pas laat vat ook hij, over het voetlicht heen, liefde op voor haar. Het lot dwingt hem echter Parijs te verlaten… En nee, ondanks hun (niet geconsumeerde) wederzijdse hartstocht zal zij hem niet volgen. Maar wij hebben wel een glimp opgevangen van wat werkelijk kan leven achter een strak gesloten gelaat, wat kan smeulen achter bitter omlaag getrokken mondhoeken. Wij hebben een sprankel vuur zien oplichten in een blik die we gedoofd dachten. Niets is wat het lijkt. Iemand kan tientallen jaren zichzelf verstoppen, ook voor zichzelf. Dit wist Sand met dit indringend, levensecht portret mee te geven. Een verhaal als een beklijvende monoloog.

De tweede tekst, ‘Mattea’ (1835), is van heel andere orde. Hij speelt in Venetië en hoofdpersoon is de 14-jarige schone Mattea, dochter van een rijke koopman Zacomo Spada en zijn tirannieke echtgenote Loredana. Dit verhaal is zeer humoristisch. Het start met een verbale slapstick wanneer de al oudere pater familias, rustig kuierend, overvallen wordt door de plots opstekende verraderlijke sirocco die hem de hoed van het hoofd waait. Hij volgt het geliefde object door straten, stegen, over kaden en brugjes tot het onbereikbaar over het kanaal vliegt en hijzelf het evenwicht verliest en in de gondel kukelt van een oude gravin. De toon is gezet. Evenwel niet voor zijn dochter Mattea die binnenkort uitgehuwelijkt wordt aan een onbenul. Het niet al te snuggere maar wel oprechte, gevoelige meisje veinst (en bekent) een liefde voor een Arabisch zakenman met wie haar vader gelieerd is. Via diens helper, een uitgekookte Turk die evenwel edel van inborst blijkt, en een bejaarde tante starten de complicaties. Verwikkelingen op liefdesgebied en op zakelijk vlak. Steevast spannend en voortdurend met humor. Maar ook kritisch. Sand veegt de vloer aan met hypocrisie en hebzucht. Het zijn vooral de Venetianen die het bij haar te verduren krijgen als een schijnheilig en hebberig volkje. Terwijl zij Turken en Arabieren looft wegens oprechtheid, zakelijk instinct… Het is deze eerlijkheid die het jonge meisje tenslotte redt uit het verstikkende familieleven zodat we haar tenslotte terugzien als een gelukkige volwassen vrouw. En de zaken… Arabier en Turk blijken vriendschap en financieel gewin perfect te combineren, en hun edelmoedigheid staat er garant voor dat uiteindelijk zelfs Zacomo Spada zijn voordeeltje geniet. Spanning en humor, karaktertekeningen… een verhaal dat leest als ware het vandaag geschreven.

‘Metella’ (1834) voert een vrouw ten tonele die op haar retour is, de Engelse, in Parijs wonende, lady Metella Mowbrey. Toevallig ontmoeten graaf De Buondelmonte, reeds tien jaren haar minnaar, en een jonge Zwitser, Olivier, elkaar. Deze laatste blijkt, louter gefascineerd door haar reputatie als zijnde de mooiste, de meest fascinerende vrouw van Parijs, verliefd te zijn op Metella, zelfs gepassioneerd te zijn op haar. De graaf die zijn minnares ouder ziet worden, beseft dat haar gloriedagen voorbij zijn, wil met haar breken en ziet hier zijn kans: haar doorspelen aan een jongere man. Dan start het amoureuze spel met de vrouw als pijnlijke inzet. Helaas beseft de jonge Olivier, eenmaal met de realiteit geconfronteerd, dat zijn ideaalbeeld aan het tanen is. Zij wordt een moederfiguur – hoe pijnlijk dit voor Metella oorspronkelijk ook is. Want deze beseft steeds meer dat zij aftakelt, dat de graaf haar niet meer bemint. Terwijl deze – contradictorisch? – bij iedere vorm van belangstelling van zijn minnares voor de knaap telkens jaloers wordt, gekwetste trots; de mannelijke ijdelheid! Tenslotte zullen de oudere geliefden breken en settelen lady Mowbrey en Julien zich gedurende vijf jaren in Genève, in een platonische relatie – een moeder-zoon verhouding. Tot Metella zich gedwongen ziet een wees geworden 15-jarig nichtje in huis te halen, Sarah. Een tijdlang beschouwen de jonge mensen elkaar als broer en zus tot het voorspelbare gebeurt: ze worden verliefd. Metella, aanvankelijk jaloers op hun jeugd, weet zich aan de situatie als ‘moeder’ aan te passen. Het is deze berusting die uitstraalt naar haar uiterlijk en haar opnieuw gratie en een hernieuwde vorm van schoonheid en superioriteit verleent. Terwijl Olivier inziet dat het geluk niet te vinden is in een relatie die de orde zou verstoren, de band die tot dan gegroeid was tussen hen drie. Hij vertrekt. In dit verhaal wist George Sand heel pijnlijk te schetsen hoe een vrouw, aanbeden om haar uiterlijk, haar uitstraling, bij het geringste teken van ouderdom kan panikeren. Hoe zij langzaam aan de kant geschoven wordt. Hoe zij de risée van de maatschappij wordt: wat hebben haar rivalen op dit moment gewacht om wraak te nemen! Zij beschrijft de pijn, stap voor stap. Om tenslotte te tonen dat een vrouw de innerlijke kracht moet vinden om dit alles, ook zichzelf en haar eigen negatieve kijk, te trotseren; dan kan zij de rug rechten, haar fierheid en schoonheid herwinnen. Een aangrijpend portret.

Het titelpersonage van ‘Lavinia’ (1833) is een edele, grootmoedige, wijze jongedame. Een toonbeeld van deugd, inzicht, wijsheid. In die mate dat de toenmalige vooraanstaande, beroemde, beruchte, literair recensent Sainte-Beuve haar portret hemelhoog prees. Hij plaatste haar opponent tegen de figuur van dat andere personage Lélia uit de gelijknamige roman (1833) van Sand die veel (negatief) stof liet opwaaien, die een schandaal veroorzaakte: een ontaarde figuur die vooral schold en schimpte, losbandig leefde, sensueel; die er talloze minnaars op nahield, zich distantieerde van de maatschappij en lak had aan regels en conventies. Lavinia Buenafe blijkt het tegendeel, een Portugese van ongeveer dertig wanneer we haar leren kennen. Het tegendeel van die boeiende Lélia? Misschien, maar allerminst saai. Tien jaar eerder werd zij verlaten door haar amant, de Engelsman Lionel die nu op het punt staat een verstandshuwelijk te sluiten met de mooie maar vooral rijke miss Ellis. Daarom verzoekt Lavinia hem over te gaan tot een uitwisseling van de brieven en foto’s die getuigen van hun vroegere verbintenis. Zij dringt er op aan dit persoonlijk te doen. Wat een formaliteit zou worden draait (uiteraard) anders uit: Lionel beseft wat hij ooit vergooide en raakt opnieuw in de ban van zijn vroegere geliefde die net nu ten huwelijk gevraagd wordt door een nieuwe aanbidder, een graaf. Ook zij beseft dat haar liefde niet over is. En de nieuwe kaper op de kust, hij heeft alles te bieden wat zij kan begeren – een nieuwe reputatie, financiële zekerheid, het is een mooie jonge man… “Ik haat het huwelijk, ik haat verbintenissen voor de eeuwigheid, plannen, een van tevoren volgens contracten geregelde toekomst en overeenkomsten waar het noodlot altijd mee spot. Ik hou alleen nog van reizen, dromen, eenzaamheid, en van het aards gedruis om het even aan te horen en er vervolgens om te lachen, en verder van poëzie om het verleden draaglijk te maken en van God om te hopen op de toekomst”. Zij vertrekt en gaat zichzelf een nieuw, avontuurlijk leven opbouwen, gesterkt tot een individu met idealen en eigen inzichten. In feite is, de commentaar van Sainte-Beuve ten spijt, de parallel tussen de personages Lélia en Lavinia groter dan men zou denken; de ene nam geen blad voor de mond, de andere beleefde het ingetogener, maar hun ideeën verschilden opvallend weinig tenslotte… ‘Lavinia’ werd in 1853 heruitgegeven met prachtige tekeningen van tekenaar en schrijver Maurice Sand (baron Dudevant), zoon van George Sand en haar echtgenoot François Dudevant: ‘George Sand’s Illustrated Works’, waar ook volgend werk in verscheen.   

In ‘Pauline’ (1839), gepubliceerd als een roman, schotelt Sand ons een carrousel van emoties voor. Laurence arriveert na twaalf jaren in het stadje waar zij ooit woonde; inmiddels is zij in Parijs een gevierde actrice geworden. Nu ontmoet zij hier haar jeugdvriendin Pauline die in de bekrompen sfeer van het kleine provincienest, waar gedrag en carrière van de actrice louter afkeer opwekten, een verzuurd bestaan leidt: zij zorgt voor haar blinde moeder, heeft geen perspectieven. De relatie tussen Pauline en haar moeder is complex. De eerste heeft in wezen een afkeer van haar mama die haar mee het graf lijkt in te sleuren, die haar bestaan vergiftigt; maar haar ‘naastenliefde’ dwingt haar tot liefdevolle zorg en opoffering. Ook het ‘christelijk egoïsme’ speelt mee, de hoop op de latere beloning. Terwijl de moeder poeslief is op ogenblikken dat zij zorg nodig heeft, maar eens aan al haar wensen voldaan is wordt zij giftig, kwetsend terwijl zij tevens bang is voor haar dochter van wie zij afhankelijk is. De komst van Laurence zorgt voor opschudding in het stadje – een gelegenheid voor Sand om vrij komisch (ook cynisch) de burgerlijkheid en bekrompenheid van deze gemeenschap op de korrel te nemen. Alle kritiek op Laurence buigt om in idolatrie, iedereen wil haar te vriend. Meer dan een jaar later,  Pauline’s moeder is gestorven, en Laurence besluit haar vriendin op te nemen in hun gezin (haar moeder en twee jongere zusjes) in Parijs om haar weg te halen uit een leven van verzuring, haar de ontwikkeling te geven die zij verdient, de verloren jaren in te halen. Even lijkt dat goed te gaan, binnen het gezin vindt Pauline haar plaats. Tot het toneelseizoen aanbreekt en alle vrienden van Laurence, acteurs en andere kunstenaars, hun plaats weer innemen in het leven van haar vriendin en Pauline zich met een andere wereld geconfronteerd ziet. Daarbinnen daagt ene Montgenays op, bon vivant, die zich heeft voorgenomen de minnaar van de gevierde maar onaantastbare Laurence te worden. Hij ziet zijn kans via een dubieus spel: het onnozele gansje Pauline het hof maken, zo de jaloezie van haar vriendin wekken… Simplistisch maar als macho is hij van het welslagen overtuigd. Pauline, argeloos, wordt verliefd. Het zijn de moeder en een oudere vriend van Laurence die dit alles doorzien. Die trachten Montgenays te ontmaskeren. De emoties fluctueren, de relaties botsen, knappen, worden hersteld… De vriendschap wordt zwaar op de proef gesteld. Alle goede bedoelingen ten spijt zal het tenslotte voor iedereen teleurstellend eindigen. In ‘Pauline’ tekende George Sand vier vrouwen, ook de moeders komen op het voorplan, als zeer genuanceerde individuen; heel fijne psychologische schetsen. De figuur van Montgenays steekt daar ietwat platter tegen af, louter dienstig als intrigant.

Het is, afgezien van de kracht van het verhaal en de intrige, vooral belangrijk en interessant om te lezen hoe George Sand in deze vijf verhalen al deze vrouwen presenteert. Het zijn duidelijk geen types. Zij stelt hen voor als individuen, personen met een heel eigen karakter, een ego. Het zijn diepgravende, krachtige portretten. Sand was een heel bijzondere vrouw, had lak aan vooroordelen, aan wat de burgerij dacht, aan rolpatronen. Dat manifesteert zich duidelijk in elk van deze teksten, dat geeft zij haar personages mee. Geen leuzen evenwel, maar door de kracht van de vertelling, van de intrige; en van de tekening, van de gestalte, van de karakters. Zij timmerde aan de weg in haar leven en als auteur, men was al een eindje gevorderd maar er diende nog een klip overwonnen. Zoals zij het formuleerde in ‘Pauline’: “Nog lange tijd zullen vrouwen de kunst verstaan van het stellen van de juiste vragen en van het luisteren, maar het is hun al toegestaan te begrijpen waar ze naar luisteren en een serieus antwoord te verlangen op hun vragen.”   

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.