Op 8 april 2001 ontving Alain Platel (°1956) in het Italiaanse Taormina de zevende Prix Europe Nouvelles Théatrales. Net als de eerste de beste wielertoerist kan hij dan deze beker in zijn kast zetten naast de Mobil Pegasus Prijs (1996), de Hans Snoek-prijs voor het beste jeugdtheater (1996), de Océ-prijs voor podiumkunsten (1997), de Time Out Live Award voor de beste dansvoorstelling (1998) en nog vele andere. Tevens is het voor Alain Platel ook een gelegenheid om, tussen twee buitenlandse reizen door, even in de spiegel te kijken om te zien wat de toekomst brengt voor zijn succesvolle groep.

Les Ballets Contemporains de la Belgique (op de deur van het secretariaat in de Gentse Citadellaan staat het nog voluit, maar meestal wordt enkel nog de afkorting gebruikt) werd in 1984 opgericht door Alain Platel, toen 28 jaar oud. Als orthopedagoog had hij daarvoor vooral met gehandicapten gewerkt. In een bomvolle zaal van de bibliotheek (in het kader van de Paarse Zetel-interviews, die niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief een succes waren: onder andere Rudy Van Quaquebeke en Daan Bauwens hadden zich speciaal voor Platel vrijgemaakt) deed hij daarover enkele verbazingwekkende uitspraken. Zo sprak hij over zijn “pervers voyeurisme”, zijn “rare fascinatie voor het abnormale”. Hij vroeg zich ook af: “Waarom leven zij?” en “wat maakt hen uniek?” Het is vooral deze laatste vraag die hij heeft meegenomen naar zijn theatrale spektakels.
Vandaar bijvoorbeeld dat hij vaak kinderen laat meewerken aan zijn programma’s: “Vele critici zien daarin verkeerdelijk een optimistische visie op de toekomst. Dat is echter helemaal niet zo. Ik vind kinderen eerder zielig. Ik weet nu al dat ze later dezelfde fouten zullen maken als de volwassenen.”
Een ander aspect is zijn belangstelling voor het schuchtere individu: “Op audities val ik nooit op de haantje-de-voorstes, maar op hen die zich op de achtergrond houden. Vaak hebben zij verborgen talenten. Ik houd ervan om die naar boven te halen en te tonen aan de mensen.”

Hiphop

“Les Ballets C. de la B.” was zeker geen stijve balletgroep, zoals de plechtige benaming doet vermoeden (het gebruik van het Frans moest overijverige Vlaams-nationalisten provoceren), maar eerder een stelletje ongeregeld dat hedendaagse dans introduceerde in de jeugdcultuur en jeugdcultuur in hedendaagse dans. Dit laatste betekende vooral dat hiphop nu ook als een volwaardige artistieke uiting werd beschouwd. Met dien verstande dat men ook hiphop kon dansen op muziek van Bach bijvoorbeeld. Muziek van Bach die dan wel plotseling kon worden onderbroken voor Prince, zoals in Platels beroemdste creatie “Iets op Bach”. Even geleerd doen: dit is dus een typisch voorbeeld van het zogenaamde postmodernisme, waarbij populaire cultuur op dezelfde hoogte wordt geplaatst als Cultuur-met-hoofdletter.
Alhoewel we nog niet zoveel eerder in de Gentse opera de “dernière” van “Iets op Bach” mochten meemaken, zat Alain Platel een tijdje daarna alweer in Tokio en Berlijn met zijn heterogeen gezelschap van dansers, barokmuzikanten, kinderen en circusartiesten. “Op speciale aanvraag. Beschouw het als een klasreünie,” verontschuldigt hij zich.
Daarvóór was er Salzburg, waar hij een andere succesproductie “Allemaal Indiaan” had gepresenteerd. Deze derde samenwerking met Arne Sierens is immers net als de voorgaande, “Bernadetje”, een internationale carrière begonnen. Het kan dus moeilijk anders dan een tevreden man zijn, die terugblikt op het ontstaan van de groep. En toch zegt hij eerlijk: “Eigenlijk is het een grote verrassing dat ik sta waar ik nu sta, want in het begin hadden we helemaal geen professionele ambities.”

Maurice Béjart

En hij vertelt hoe hij met de school naar het ballet van Béjart ging kijken in het Gentse Kuipke en hij het maar niks vond. “Als ge’t beter kunt, doe het dan zelf,” daagde zijn leraar poësis uit het Sint-Lievenscollege hem uit. Hij begon prompt een opleiding te volgen bij het Hoste-Sabbattinitheater en daarna kwamen wat masterclasses bij grote namen uit de hedendaagse dans, maar toch was het nog voornamelijk “voor de fun” dat hij met zijn jongere zus Pascale en enkele vrienden inderdaad “enkele stukjes” begon op te voeren. De eerste keer dat hij ermee buitenkwam, speelden ze nog gewoon in de loft aan het Tempelhof, waar ze toen woonden. Met “Stabat Mater” werden zij echter uitgenodigd op het allereerste festival van “De Beweeging” in Antwerpen en van het ene kwam het andere. In 1987 besloot hij er een fulltime bezigheid van te maken, al werden pas in 1993 de eerste subsidies aangevraagd.
De leraar in kwestie, Guido Demoen, was ook in de bibliotheek aanwezig en hij herinnerde zich met plezier dat de zeventienjarige Platel hem was opgevallen in de lessen esthetica omdat hij zowat de enige was die de gespeelde muziek (“Vivaldi maar ook Penderecki!”) kon appreciëren. “Op school monteerde hij ‘Biedermann en de brandstichters’, het stuk dat onlangs als ‘Het bal der pompiers’ nog in Gent te zien was. Het was echter allemaal veel gepraat en er viel weinig te zien. Ik heb hem daarop gewezen en toen sloeg de vlam als het ware letterlijk in de pan.”
Hij zegt het niet, maar je ziet hem denken: “Die visuele aanpak van Platel, dat heeft hij toch een beetje aan mij te danken.”
Guido Demoen is zijn pupil steeds blijven volgen. Hij heeft zo goed als alle producties gezien. De vraag ligt voor de hand: “En? Heeft hij het beter gedaan dan Béjart?”
“Hij heeft het anders, op zijn manier gedaan, hé. En, jawel, ik hou er wel van. ‘Oh boom!’ een productie uit zijn beginperiode gebaseerd op de schilderijen van Giotto vond ik het mooist. Maar ik hield ook van ‘Bernadetje’.”

Pina Bausch

Alhoewel hier in België Anna-Teresa De Keersmaeker reeds een gevestigde waarde was in de hedendaagse dans, citeert Alain Platel toch eerder de Duitse Pina Bausch als voorbeeld. “Voor haar moesten dansers niet dansen maar een stuk maken. Ze moesten zich met andere woorden vragen stellen, ze wilde hen doen nadenken. De boodschap dat ze vooral zichzelf moesten blijven heb ik nadien ook altijd ter harte genomen. Ik vind het namelijk boeiender om te zien wat mensen te vertellen hebben dan dat ik hen zou vertellen wat ze moeten doen. Vooral sedert ‘Bonjour Madame’ uit 1993 heb ik al mijn handboeken in de vuilnisbak gegooid. Dat maakt elke productie ook tot een avontuur. Zo gaat er een lange improvisatieperiode aan vooraf: van drie tot vijf maanden. Mensen hebben bij die manier van werken nogal eens de neiging om met problemen boven te komen die ze zelf niet kunnen oplossen. Die gooien ze dan in de groep, zoals men pleegt te zeggen. Dat lijkt wel aantrekkelijk, maar dat kan zeer destructief zijn. En een theaterproductie is geen therapeutische sessie! En ook geen aflevering van ‘Jambers’. Voortdurende dialoog is daarbij de oplossing, tot men voelt dat het juist zit. Ik wil immers dat iedereen op scène staat te blinken, ook al kan dat in zijn kwetsbaarheid of een andere duistere kant zijn. Maar ik zie ze allemaal graag en ik wil ook dat het publiek ze graag ziet. Dat bewijst dat ze ernaar geluisterd hebben. Iedereen kan een ster zijn. Al is het ook al voorgevallen dat ik iemand uit de productie moet zetten omdat die teveel intriges op gang brengt.”
Avonturen kunnen inderdaad ook slecht aflopen. De laatste jaren staat het wel chique om af en toe eens een productie af te voeren “omdat ze artistiek niet op punt staat”, maar toch…
“Op zo’n moment komt de ram (zijn sterrenbeeld) in me boven. Ik ben misschien niet zo’n geïnspireerde regisseur, maar ik ben wel een goed organisator. Mijn credo is dat een productie tien dagen voor de première af moet zijn en daarbij houd ik me aan een heel strikte timing.”

Arne Sierens

Wat de samenwerking met Arne Sierens betreft, vertelt Alain Platel: “Oorspronkelijk was ik helemaal niet geïnteresseerd in teksttheater. Na drie zinnen kon ik al niet meer volgen. Tot Dirk Pauwels van Victoria me op Arne wees in 1995. Zijn taal leunt heel dicht aan bij mijn lichaamstaal. Het klikte meteen. Met onze achtergrond lag het voor de hand dat ik de choreografie voor mijn rekening zou nemen, terwijl Arne zich vooral met de tekst zou bezighouden, maar dat wilden we nu juist niet doen. We gooiden opzettelijk alles door elkaar en het werkte!”
Rond die tijd heeft Alain “Mouchette”, een stuk van Arne, geregisseerd bij een amateurgroep, De Loofblomme. “Ik raad iedereen aan om dat ook eens te doen. Het was zo zalig. Het was precies zoals in de tijd dat we zelf begonnen. Weer in erbarmelijke omstandigheden, maar met mensen die zich volledig in zo’n productie gooien, zonder te denken aan een materiële beloning.”
Ook andere uitspraken wijzen erop dat Platel het succes een beetje moe is. Zo zal er bijvoorbeeld geen vervolg meer komen op “Allemaal indiaan”. Als “artistiek directeur” is Platel de laatste tijd ook niet meer met eigen producties bezig. De mensen die onder de vlag van “Les Ballets C. de la B.” hun ding mogen doen, kunnen wel op zijn commentaar rekenen als ze daarom vragen, maar zelf staat hij niet te springen om zich met de opvoeringen te bemoeien: “Ik wil geen goeroe zijn.”
Uiteraard zijn er tal van vragen uit het buitenland. Op het moment van het interview werkte hij in Londen weliswaar aan een documentaire, maar meestal wijst hij dergelijke projecten van de hand: “Ik ben teveel verknocht aan Gent. Na de veel tournees is het thuiskomen telkens een feest. Het eerste wat ik dan doe is een wandeling maken in de stad om te zien of alles er nog wel staat.”

Ronny DE SCHEPPER

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.