In 1717 wordt Johann Sebastian Bach muziekdirecteur bij Prins Leopold van Anhalt-Köthen. Het zal de gelukkigste periode uit zijn leven worden, wat zich zal weerspiegelen in een uiterst vruchtbare compositie-arbeid. In de zomer van 1720 stierf echter zijn vrouw Maria Barbara, zodat hij er vandaan wou om organist te worden in de St.Jacobi-kerk in Hamburg. Dat lukte niet en daarom probeerde hij het maar op een andere manier. Zo gaf hij op 24 maart 1721 “six concerts avec plusieurs instruments dédiées a son altesse royalle monseigneur Crétien Louis” uit. Een merkwaardige titel voor niks anders dan de beroemde “Brandenburgse concerten”. Die “Crétien Louis” is namelijk niemand minder dan Christian Ludwig (1677-1734), markgraaf van Brandenburg (zie bovenstaand schilderij).

De Markgraaf had vroeger reeds blijk gegeven van interesse voor het werk van Bach en had gezegd dat hij steeds met ander werk mocht afkomen. Met deze concerten solliciteerde Bach dus eigenlijk naar een plaatsje aan zijn hof.
Volgens Philip Pickett deed hij dat door de markgraaf te eren als een antieke held. In die optiek zou het eerste concerto b.v. de triomfantelijke intocht van Caesar oproepen, het tweede de bijeenkomst van Homeros, Vergilius en Dante op de Parnassusberg enz.
Het eerste Brandenburgs concert is oorspronkelijk wellicht de ouverture tot de “Jagdkantate” (1712-13), zoals men o.m. kan afleiden uit het gebruik van de hoorns. Dat was werkelijk revolutionair. Tot hiertoe werden deze immers enkel voor signalen bij de jacht gebruikt. Het toppunt is dan nog dat Bach deze functie behoudt, maar daar dan uiteraard op de koop toe heel virtuoze passages aan toevoegt. Toch waren het wellicht (zij het dan erg muzikale) boswachters of jachtopzieners die het instrument bespeelden. Bach gebruikte het materiaal later voor zijn cantates Vereinigte Zwietracht der wechselnden Saiten (BWV 207) en Auf, schmetternde Töne der muntern Trompeten (BWV 207a). Op de gebruikelijke drie delen volgen nog twee dansante delen, waardoor dit concert enigszins het karakter van een suite krijgt.
Het tweede concerto is nog méér revolutionair: een combinatie van trompet in F, altblokfluit, hobo en viool was uiterst gewaagd. In de versie van Sigiswald Kuijken (zie verder) horen we echter niet de vertrouwde piccolo-trompet maar een hoorn. Dit is merkwaardig genoeg het gevolg van een poging om de authentieke uitvoeringspraktijk tot het uiterste door te drijven. Er was immers niemand in staat om deze aartsmoeilijke solo op een historisch instrument (dus met het specifieke mondstuk en zonder kleppen) uit te voeren. De versies die wij kennen (b.v. die van David Mason die Paul McCartney inspireerde tot de trompetsolo in “Penny Lane”) worden immers uitgevoerd op een instrument dat hoegenaamd niets te maken met dat uit de tijd van Bach. Ook zogezegde baroktrompettisten (zoals Claude Rippas op de Leonhardt-versie) spelen het op een instrument dat het midden houdt tussen een echte baroktrompet en een modern exemplaar (namelijk met een modern mondstuk en vingergaten). Daarom liet Kuijken de solo een octaaf lager uitvoeren door hoornist Claude Maury, een versie die ook in de barok reeds de ronde deed en die ook al door Barry Tuckwell met de Academy of St.Martin in the Fields o.l.v. Thurston Dart in 1970 op plaat werd gezet.

Een paar stijlkenmerken laten anderzijds vermoeden dat het derde concerto eigenlijk tot stand kwam in Bachs Weimar-periode. Er is geen trage beweging omdat Bach verwachtte dat de eerste violist of de clavecinist er wel één zou improviseren. Het eerste deel van het concert gebruikte Bach later als sinfonia voor zijn cantate Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte (BWV 174) en nog vele jaren later bewerkte Keith Emerson van The Nice dit concerto tot het fameuze Brandenburger. Het werd voor mij de eerste kennismaking met de muziek van Bach. Ik noemde hem toen “de uitvinder van de basgitaar”.

Ook het vierde concerto is weer erg buitenissig met een vioolsolo, gecombineerd met twee “echofluiten”. Dit raadsel is eigenlijk nooit opgelost: bedoelt Bach hier twee blokfluiten die als “echo” functioneren of was het een speciaal instrument, iets zoals dat mysterieuze instrument waarop James Faisible in Londen speelde tussen 1713 en 1719? Later bewerkte Bach het concert tot een concert voor klavecimbel, 2 blokfluiten en strijkers (BWV 1057).

Interessant is verder dat Bach van het vijfde concerto eigenlijk een concerto voor clavecimbel heeft gemaakt en dan wel voor het clavecimbel dat hij in 1719 in Berlijn was gaan kopen en waar hij de markgraaf wellicht voor het eerst (en voor het laatst?) ontmoette. Dit concerto wordt beschouwd als het ontstaan van het klavierconcerto. Door sommigen wordt ook gedacht dat het concert in een eerdere versie bestemd is geweest voor Bachs geplande ontmoeting met Louis Marchand, waarbij beide componisten het muzikaal tegen elkaar zouden opnemen. Marchand vertrok echter voortijdig.
Het zesde concerto was wellicht oorspronkelijk slechts een trio, maar werd tot een concerto omgewerkt omdat een reeks van zes een traditie was in die tijd. Ook deze concerten waren geïnspireerd door de aanpak van Italianen als Vivaldi, Corelli en Torelli.

Uit de talloze opnamen van de Brandenburgse concerten beperk ik mij tot die welke in mijn bezit zijn:

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.