Ik denk dat het 1975 was toen ik voor de eerste keer echt contact had met Albert. Hij had niet lang daarvoor in Gentbrugge een afdeling opgestart van het Frans Masereelfonds. Ik was voorzitter van het jeugdhuis Jongerengemeenschap Esmoreit. Hij wou op een grasveld in de wijk de tent laten plaatsen van Vuile Mong en de Vieze Gasten. Hij zocht partners om dit samen te organiseren, de kosten te delen en voor publiek te zorgen. Daarom sprak hij mij aan.

Toen ik dit voorstel voorlegde aan de kernraad van het jeugdhuis had ik het optimisme rond de tafel overschat. De actieve jongeren in die tijd gaven dan wel de indruk ruimdenkend en non-conformisten te zijn met hun jeans, lange haren en zelf gerolde sigaretten. In het jeugdhuis kwam iedereen aan bod, van alle overtuigingen, maar samenwerken met een culturele vereniging die vertrok vanuit het marxisme was voor heel wat actieve leden toch een stap te ver. Het jeugdhuis kon toch niet samenwerken met communisten, zo klonk het.
Gelukkig had ik wel medestanders rond de vergadertafel en die roerden zich. Er ontstond geen consensus maar toch een lichte meerderheid en zo besloot ik een beetje autoritair – geen gebrek maar een gave – om de knoop door te hakken. Het jeugdhuis zou meewerken.
Vuile Mong kon komen optreden en Esmoreit stond mee op de affiche.
Het klikte direct tussen Albert en mij. Niet lang later verschoof mijn aandacht voor het jeugdhuis naar dat voor de Gentbrugse Jeugdraad en acties voor het behoud van de Voordries.
Albert zijn vader had de dood gevonden in een concentratiekamp. Dit belette hem niet het eens te zijn met de slogan ‘Links en Vlaams’ van het Masereelfonds. Vlaams bewustzijn was en is namelijk geen monopolie van de rechterzijde. Stellen dat de Vlaamse gedachte niet zou worden beheerst en misbruikt door de politieke rechter- tot extreemrechterzijde zou nochtans een dwaling zijn. Zowel het verleden als het heden bevestigen dit.
Als overtuigd vrijdenker vond hij dat links zijn geen synoniem mocht zijn van ongelovigheid.
Hij ging er aanvankelijk van uit dat ik – ongetwijfeld omdat ik uit een jeugdhuis kwam dat door een priester was opgericht – een christen was (wat allang niet meer het geval is). Albert zijn openheid toonde aan dat vrijzinnigheid niet hetzelfde is als rabiate antireligiositeit.
Albert liet mij opnemen in het bestuur van Masereelfonds Gentbrugge dat groeide tot een van de actiefste afdelingen. Minstens eens in de maand hadden wij een activiteit. Er waren debatavonden, filmvoorstellingen, theater, tentoonstellingen enz. Dit gedurende enkele jaren. Elke activiteit of vergadering werd gevolgd door een uitgebreide evaluatie tussen pot en pint. Pinten dat wij toen hebben gedronken! Ondanks dat ’s anderendaags moest worden gewerkt met of zonder kleine of grote kater. Er waren ook enkele weekends in de Ardennen met lange wandelingen. Dit alles met onvergetelijke herinneringen.
Laat ons ook Sylvie niet vergeten. Ik vergeet de ontelbare keren niet dat Albert haar in zijn zwaar Gents dialect aansprak met “Sylvia” en zij telkenmale reageerde met de woorden “’t Is Sylvie”. Zonder haar zou Albert zijn engagement onmogelijk zo groot zijn geweest.
Ik kwam er vaak aan huis, in de Jean Jaurèslaan en daarna de Pinguinstraat. Misschien kwam ik er soms een beetje te veel maar ik denk dat mijn te groot aantal bezoekjes geen onherstelbare schade heeft aangericht.
Wij deelden de hoop op een betere en meer rechtvaardige, dus antikapitalistische en socialistische, maatschappij.
Via de louter culturele en intellectuele activiteit van het Masereelfonds maar ook door de lange gesprekken die Albert en ik hadden, werd ik stilaan ook aangetrokken tot de KPB, waarin ik gedurende enkele jaren actief werd.
Als iemand mij duidelijk maakte wat politiek en partijpolitiek waren, dan was dat wel Albert.
Weinig mensen begrepen dat zo goed als hij en nog minder mensen konden dit uitleggen als hij.
Ik herinner me ook dat Albert een keertje, bij wijze van spreken, mijn leven heeft gered. Die avond hadden we een voorstelling bijgewoond van het Gents Amusementstheater van de onvolprezen Eddy Daese. In de Frans van Ryhovelaan speelde het GAT in het Gentse dialect stukken met sterk maatschappelijk engagement maar evenzeer bijzonder veel humor.
Tijdens en na de vertoning had ik vaak pijn van het lachen. Na zo een avondje theater stapten wij nog eens binnen in het lokaal van Loco in de Gontrodestraat. Dat was een vakbond die geen vakbond was: een corporatistisch clubje van treinbestuurders dat lak had aan sociaal overleg maar toch zo sterk was binnen die beroepsgroep dat het er regelmatig in slaagde het treinverkeer in het hele land lam te leggen. Albert was geen lid van Loco, maar kende die gasten omdat hij zelf machinist was en actief bij Acod-Spoor. Tijdens een gesprek bleek duidelijk dat ik de mening niet deelde van een van de Loco-kerels. De man kwam naar mij toe en Albert kon mij nog net op tijd ontzetten. Anders had ik die avond hoogstwaarschijnlijk beëindigd met enkele rake klappen in mijn buik of op mijn koppige hoofd. Tja, sommige mensen discussiëren graag… als je ze maar gelijk geeft.
In die dagen was de communistische partij in Vlaanderen eerder een nicheverhaal, weliswaar met een relatief grote groep bijzonder gemotiveerde actieve leden maar met nauwelijks enkele verkozen mandatarissen. In elk geval had de Vlaamse KPB geen mandatarissen in de parlementen.
Zeer kort beleefde de partij een lichte hausse in de curve.
Ik verleende al mijn steun aan Albert toen de partij hem op een bepaald moment aanduidde om in Gent de lijst voor de provincieraad te trekken. Weliswaar heerste toen bij hem en bij mij de indruk dat dit een maneuver was om niet in de weg te lopen van de lijsttrekker voor de Kamer. Men ging er namelijk van uit dat een zetel in de provincieraad misschien haalbaar was maar dat die zetel eerder een verhaal in de marge zou worden.
Deze strategie draaide anders uit want Albert De Bruyne werd verkozen in de provincieraad.
Terwijl de Gentse KPB opnieuw niemand naar het parlement kon sturen.
Er volgden enkele zalige jaren waarbij Albert een geweldige rol speelde als provincieraadslid en veel persaandacht genoot.
Echter, in die tijd roerde nog meer in de partij. Een van de punten was dat de tendens tot Eurocommunisme botste met de realiteit dat de KPB via enkele tussenorganisaties geld ontving vanuit de landen waarmee een toenemende groep militanten binnen de partij liever niets meer te maken had. Het ongenoegen bestond ook hierin dat over die geldstromen de nationale partijtop geen duidelijkheid verschafte.
Dit was niet het enige. Hier en daar verwierf de partij in het Gentse dan wel toenemende sympathie bij nieuwe mensen maar er gingen nog meer mensen weg.
Stilaan naderden ook nieuwe verkiezingen. In de aanloop daartoe zag Albert op zekere dag de folder waarin hij opnieuw als kandidaat voor de provincieraad werd voorgesteld. Hij las in die folder antwoorden die hij niet had gegeven op vragen die hem niet waren gesteld. Iemand anders had die teksten in zijn plaats verzonnen. Groot ongenoegen was hiervan het gevolg.
Albert werd trouwens niet herkozen. Het ene na het andere ongenoegen stapelde zich op.
Ook viel de KPB stilaan uit elkaar.
De volgende gemeenteraadsverkiezingen naderden. Albert verliet de KPB, kreeg een verkiesbare plaats aangeboden op de lijst van de SP en werd verkozen.
In die tijd had ook ik de KPB verlaten maar de SP leek geen optie voor mij, ondanks dat ik jarenlang militant en zelfs vakbondsafgevaardigde was voor de Acod en ik dus toch een beetje vertrouwd was met de wereld van de sociaaldemocratie.
Noch Albert noch ikzelf leken na het einde van de KPB trouwens op enige wijze aangetrokken tot de zelfverklaarde Marxistisch-Leninistische Amada, die later vervelde tot Pvda, nog altijd het juk meesleurt van een ander omstreden mogendheid en vandaag een zeer gematigd linkse maar extreem populistische koers vaart.
Albert voelde zich goed in de SP en ikzelf zocht mijn politieke heil in het toenmalige Agalev.
Dat was in 1983. In Gent had die partij niet echt veel te maken met de beweging Anders Gaan Leven en ik voelde mij er thuis. Agalev behaalde een enkele zetel in de Gentse gemeenteraad en Luc Lemiengre was de tweede persoon in mijn leven die mij de politiek aanleerde hoewel de eerlijkheid mij ertoe gebiedt te stellen dat hij ongetwijfeld ook bijzonder veel aan mij te danken had.
Had ik het een paar zinnen eerder over de trieste identiteit van de Pvda dan stel ik vandaag ook met enige gelatenheid vast dat zowel sp.a, opvolger van de SP als Groen, opvolger van Agalev, steeds maar meer opschuiven naar het centrum. Er bestaat nog nauwelijks links in Vlaanderen, toch niet in de verkozen organen.
Ik wijk af.
Na waardevolle jaren als gemeenteraadslid besloot zijn partij op een bepaald moment andere en jongere krachten een kans te geven. Albert werd geen verkiesbare plaats meer aangeboden. Gevolg was dat zijn partijpolitiek engagement – voor zover ik daarover als buitenstaander kon over oordelen – mede door zijn leeftijd in ernstige mate daalde.
Ikzelf werkte van 1989 tot 2000 als statutair personeelslid van de Stad Gent als secretaris van de gemeente- en OCMW-raadsleden van de groene fractie.
Nadat ik daarmee per 31 december 2000 stopte bleef ik geen lid meer van die partij. Het was genoeg geweest. Ik had genoeg over mij gekregen. Ik had noch heb geen ideologisch probleem met Groen, maar het gebeurt wel vaker – en niet alleen in de politiek – dat mensen zwaar wordt afgerekend op kleine foutjes terwijl andere mensen soms zware fouten maken, er weg mee komen en ook de lakens kunnen blijven uitdelen.
Ik vond dat ik in die context geen rol meer wou spelen in de krabbenmand of het wespennest van de partijpolitiek. Vandaag doe ik niets meer in de politiek… Maar ik weet uiteraard wel hoe dat draait.
De jongste twee decennia bleef van mijn kant elk contact met Albert uit. Gelukkig was er Facebook waarmee we af en toe berichten, verjaardags- en nieuwjaarswensen konden uitwisselen.
Hoe het met Albert en Sylvie ging de jongste jaren, dat weet ik dus niet zo goed. Ik kwam ze een jaar of zes of zeven wel eens tegen op straat en we waren erg gelukkig elkaar nog eens terug te zien.
Toen ik met pensioen ging nam ik me voor ze eens te gaan opzoeken maar dat kwam er nooit van en toen kwam corona en zomaar bezoekjes brengen kon niet meer…
… En toen ontving ik het bericht dat Albert overleden was aan Covid-19. Zaterdag 27 februari.
Via vrienden van vroeger (bedankt Raf, Ria, Luc en Herman) kon ik wel het bericht op de site van Uitvaartcentrum De Ceder vinden en ontving ik het adres van Sylvie.
Zodoende weet ik nu wanneer de uitvaart zal plaatsvinden maar ik vrees dat ik geen brief zal ontvangen waarin ik dit kan lezen want ik vermoed dat Sylvie, Wim, Marnix of Dirk mij toch niet kunnen uitnodigen. In deze coronatijden mag namelijk toch maar een beperkt aantal mensen een plechtigheid bijwonen. Bovendien kennen zij allicht mijn adres niet.
Albert De Bruyne was een fantastische kerel. Zo lopen er veel te weinig rond. Een man uit één stuk.
Behalve zijn gave als organisator en politicus denk ik ook graag terug aan zijn humor.
Tijdens de druk bijgewoonde militantenvergaderingen van de Gentse KPB in de Sleepstraat kwamen dikwijls ook bijzonder erudiete leden aan het woord. Er waren er die ongetwijfeld uit het hoofd hele hoofdstukken van Marx, Finkielkraut of Hegel konden citeren. Zij hadden een goedbetaalde baan aan een universiteit en behalve een wettelijke echtgenote ook nog een andere relatie. Echter, op actiemomenten of demonstraties waren zij niet waar te nemen.
Vulden zij hun vrije tijd in met het lezen van boeken of …? Albert zei eens: “Zij zitten te wachten tot de revolutie uitbreekt maar het mag niet tijdens het weekend of de vakantie zijn”.
In de groene fractie hadden wij een raadslid die zijn tussenkomsten altijd volgens dezelfde structuuropbouw en nogal traag uitsprak. Ik omschrijf hem wel eens als de “voormalige toekomstige schepen van onderwijs en milieu”, dit wegens zijn politieke toekomstplannen die destijds voor niemand een geheim mochten zijn. Behalve zijn eigengereidheid was ook zijn oogje voor vrouwelijk schoon een groot aandachtspunt. In die tijd volgden twee niet onaantrekkelijke vrouwelijke journalisten de zittingen van de gemeenteraad. Men moest stekeblind zijn om niet te merken dat het raadslid regelmatig als een bijtje rond de beide dames zoemde. Albert zijn reactie: “Hij is misschien traag van spreken maar ik denk dat hij rap van handelingen is”.
Ik schrijf dit alles met de blik op de ets die ik van Albert ontving toen ik trouwde. “Hechte vriendschap” is de titel van het kunstwerkje.
En ik hoop dat alles goed gaat met Sylvie.


Luc Carnier, 2 maart 2021


P.S. Slechts een paar jaartallen zijn vermeld, mede omdat ik over te weinig archief beschik om die op te zoeken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.